Contact: info@netdidned.be
Correspondentieadres: Netwerk Didactiek Nederlands (NDN): Eendrachtlaan 3 - 3500 Hasselt
Verantwoordelijke uitgever: G. Duchâteau, Eendrachtlaan 3 - 3500 Hasselt
31-4 | juli-augustus-september 2019
     
In deze nieuwsbrief:

NDN-Facebookpagina




 
Redactioneel
• NDN-Lenteconferentie UAntwerpen - vr. 27-4-2019 - terugblik
Over schoolboeken en leermiddelen - Sleutels voor onderwijskwaliteit?
Het Wilhelmus voorgesteld voor jongeren
Talen in crisis?
De Neerlandistiek is helemaal niet in crisis - Frank Willaert
Het schoolvak Nederlands heeft een vakgemeenschap nodig Theo Witte
Anton van Wilderode en zijn 'Dubbelfluit'
De nieuwe lerarenopleidingen van 2020: Educatieve masters - Bregt van Hoeyveld
Update Nederlands - Gerdineke van Silfhout
De website 'Didactiek Nederlands' Levende Talen
Rotterdam - Zeer kort verhaal - A.L. Snijders
De nieuwe kennisdelingssite taalbeleid hoger onderwijs
Nederlands en Afrikaans in Zuid-Afrika- boekpublicatie
Knuist-vuist - Jan Renkema
Geen 10 voor taal meer. Hoe komt dat nu echt?
Het dagboek van een leraar (Nederlands) in De Taalstaat
Heeft Vlaanderen recht op een eigen taal? Nee. - H. Heestermans
Over zin en onzin van schrijvers voor de klas - Abdelkader Benali
Hoe kinderen leren in een speelhuisje
Woorden zijn geen oorden - Filip G. Droste
De onbekende maar toch belangrijke auteur R.A. Basart overleden
Edward van de Vendel gastschrijver UGroningen
Virtual reality in het onderwijs
 
Recent op de NDN-Facebookpagina
 
Beschikbaar in ons NDN-archief -NDN-site pagina Nieuwsbrief
NDN-Nieuws 31-3
 
NDN-Nieuws 31-2
 
NDN-Nieuws 31-1
 
NDN-Nieuws 30-4
 
NDN-Nieuws 30-3
 
NDN-Nieuws 30-2
 
NDN-Nieuws 30-1
 
• NDN-Nieuws 29-4
 
NDN-Nieuws 29-3
 
NDN-Nieuws 29-2
 
NDN-Nieuws 29-1
 
• NDN-Nieuws 28-4
 
NDN-Nieuws 28-3
 
NDN-Nieuws 28-2
 
NDN-Nieuws 28-1
 
NDN-Nieuws 27-4
 
NDN-Nieuws 27-3
 
NDN-Nieuws 27-2
 
NDN-Nieuws 27-1
 
NDN-Nieuws 26-4
 
• NDN-Nieuws 26-3
 
• NDN-Nieuws 26-2
 
• NDN-Nieuws 26-1
 
• NDN-Nieuws 25-5
 
• NDN-Nieuws 25-4
 
• NDN-Nieuws 25-3
 
• NDN-Nieuws 25-2
 
• NDN-Nieuws 25-1
 
• NDN-Nieuws 24-4
 
• NDN-Nieuws 24-3
 
• NDN-Nieuws 24-2
 
• NDN-Nieuws 24-1
 
• NDN-Nieuws 23-4
 
• NDN-Nieuws 23-3
 
• NDN-Nieuws 23-2
 
• NDN-Nieuws 23-1
 
• NDN-Nieuws 22-4
 
• NDN-Nieuws 22-3
 
• NDN-Nieuws 22-2
 
 
 
 
Redactioneel
 

 

Lectori salutem


Collega’s uit Vlaanderen en Nederland

Met deze laatste editie 31-4 sluiten we de jaargang 2018-2019 van onze NDN-Nieuwsbrief af. Het is een zomereditie met toch meer dan twintig documenten die betrokken zijn op het Nederlands in ruime zin en op de didactiek van het Nederlands in wat beperktere zin. Daarmee sluit ook het werkjaar van het Netwerk Didactiek Nederlands vzw af.

Tijdens onze algemene vergadering in Antwerpen op 24 juni hebben wij de staat van onze vereniging nog eens grondig bekeken. Dit werkjaar telde het netwerk veertig betalende leden, stuurden we vier nieuwsbrieven uit naar telkens een kleine vijfhonderdtal belangstellenden uit het hoger onderwijs en uit andere taalgerichte instellingen uit heel Nederland en heel Vlaanderen. Ook onze financiële situatie blijft gunstig. De morele en materiële ondersteuning van de Nederlandse Taalunie stellen wij bijzonder op prijs. Ze sterkt ons in de overtuiging dat wij verder zinrijke activiteiten ten voordele van het onderwijs Nederlands in Vlaanderen en Nederland kunnen organiseren. In de bestuursvergadering in Antwerpen hebben we daartoe dan ook voluit de aanzet gegeven voor het nieuwe werkjaar 2019-2020.

Intussen vragen wij u, lezer, nog wat tijdsruimte voor de lectuur en de verwerking van onze drieëntwintig documenten en documentjes die in deze aflevering van de Nieuwsbrief vervat zijn. Het zijn digitale teksten die soms regulier rechttoe rechtaan te lezen zijn, maar die vaak ook tot heel wat informatie toegang geven via koppelingen naar achterliggende teksten.

Wij blikken hier terug naar onze jaarlijkse lenteconferentie ‘De vinger aan de pols’ van 27 april in De Boogkeers van het CNO in Antwerpen, waarover wij toch tevreden mogen zijn. Meteen daarna richten wij de blik op de recente publicatie met de veelzeggende titel ‘Over schoolboeken en leermiddelen – Sleutels voor onderwijskwaliteit? – die bijzonder dienstig kan zijn voor lerarenopleidingen en schoolteams. En hoe wek je belangstelling bij jongeren voor het Nederlandse volkslied? Een pittige video leert ons dat. Zoals in de vorige editie blijven we stilstaan met een drietal bijdragen bij de precaire toestand van het onderwijs Nederlands en de lerarenopleidingen voor dat onderwijsvak. Wat kortere of wat langere artikelen rond de aanpak van het onderwijs Nederlands wisselen verder af met teksten die op literatuur en op auteurs gericht zijn. We sluiten af met de koppeling naar een brochure rond Virtual Reality in het onderwijs. … En dan volgen nog de verwijzing naar de tien artikeltjes op de NDN-Facebookpagina.

Als u, beste lezer, af en toe nog eens in de zomermaanden uw computer opent en u de tijd neemt om nog eens te toeven bij onze nieuwsbrief en bij al dat interessants en eventueel ook nuttigs, dat wij u presenteren, dan is de inspanning die wij leveren om u dat alles digitaal te bezorgen, beslist voor ons lonend en voldoening schenkend. Niet iedereen zal alles willen lezen, maar er zit wel ruim reflectiemateriaal in waarvoor u zeker aandacht zult hebben.

Heel hartelijk nog vele fijne zomerdagen toegewenst in verre oorden of thuis met een boek of met de onvermijdelijke computer in al zijn kleuren en formaten.

Zoals steeds kunt u ons bereiken op info@netdidned.be


Ghislain Duchâteau – vicevoorzitter en redacteur NDN

namens het hele NDN-bestuur.


 



 


NDN-LENTECONFERENTIE vrijdag 26 april 2019 - Universiteit Antwerpen

De vinger aan de pols

TERUGBLIK

 


Inleiding

Wellicht is het toch goed even achterom te kijken naar de NDN-Lenteconferentie die we in een mooie zaal van De Boogkeers, Centrum Nascholing Onderwijs Universiteit Antwerpen, konden organiseren. De terugblik geeft aan vele van onze lezers wat ze nog niet hebben gevonden op de website van het NDN: informatie over een aantal didactische thema's, die in deze tijd relevant kunnen zijn voor het referentiekader en de praktijk van lerarenopleiders en didactici die onmiddellijk bij de onderwijspraktijk Nederlands betrokken zijn.

Over de werking van het Netwerk Didactiek Nederlands laten we nogmaals voorzitter José Vandekerckhove aan het woord.

Van de Fotoreportage over de conferentie met haar verschillende thema's presenteren we hier enkel de eerste en de tweede presentatie en we verwijzen daarna naar de Activiteitenpagina van de NDN-website waar alle andere thema's aan de orde komen. De achterliggende koppelingen verwijzen herhaaldelijk naar de presentaties zelf van de uitgenodigde experts.

Voorwoord

L.S.,

Het Netwerk Didactiek Nederlands, kortweg NDN, wil een bijdrage leveren aan de vakdidactiek Nederlands en het onderwijs Nederlands in het algemeen in Vlaanderen en Nederland.
NDN richt zich in eerste instantie tot vakdidactici Nederlands aan hogescholen en universiteiten, maar wil zeker ook de leerkrachten Nederlands aan secundaire scholen niet uit het oog verliezen. Ook zij behoren tot het doelpubliek van NDN.

NDN wil in het onder druk staande onderwijslandschap een informatieve en organiserende rol vervullen, zijn expertise als gesprekspartner inzetten en internationale contacten in verband met vakdidactiek smeden en verder uitbouwen.

NDN wil nieuwe didactische inzichten en publicaties vanuit de Nederlandse Taalunie, de wetenschappelijke didactiek en de overheid helpen verspreiden en toegankelijk maken onder andere door de driemaandelijkse Nieuwsbrief, waarvoor duizend maal dank aan vicevoorzitter Ghislain Duchateau, en de jaarlijkse Lenteconferentie. Op die manier hoopt NDN intermediair en facilitator te kunnen zijn naar docenten toe, die dan op hun beurt de inzichten en publicaties onder het oog van hun studenten, de toekomstige leerkrachten Nederlands kunnen brengen.

Nieuw is dat NDN nu ook een meer directe lijn naar de studenten wil bouwen door initiatieven zoals SOL (Studenten Ontmoeten Leerkrachten) en de DIVA-prijs (DIdactisch VAardig).

Ook nieuw is dat NDN er vanaf het huidige academisch jaar naar zal streven om jaarlijks een didactische publicatie in eigen beheer uit te geven. Die zal zowel op papier als digitaal, via www.netdidned.be, te raadplegen zijn.

Ik mag in naam van het voltallige NDN-bestuur spreken wanneer ik stel dat we zeer blij zijn dat Nora Bogaert de taak op zich heeft willen nemen om dit nieuwe initiatief voor de eerste keer vorm te geven. We danken Nora van harte en kijken met een tevreden gevoel terug op de vele uren van intense discussie die we met het voltallige bestuur bij het tot stand komen van deze publicatie gevoerd hebben.

José Vandekerckhove
Voorzitter Netwerk Didactiek Nederlands

Gedocumenteerde fotoreportage van de conferentie

Toelichting bij de nieuwe NDN-visietekst Greep krijgen op taalleerdoelen in de 21ste eeuw (Nora Bogaert, bestuurslid NDN)

Nora Bogaert, bestuurslid NDN presenteert de 
NDN-visietekst 'Greep krijgen op taalleerdoelen...
Aanleiding van de publicatie over taalleerdoelen
NDN-basispremisse 1: over de verwerving en de toepassing van 'algemene competenties' Bepaling van taal-leerdoelen heeft positieve impact op de kwaliteit van de leertaken

Greep krijgen op taalleerdoelen in de 21ste eeuw is hier ook digitaal raadpleegbaar.

De powerpointpresentatie van Nora Bogaert

 

Lessen ontwerpen met de nieuwe taxonomie van Bloom (vormingscentrum Tenz). Inspiratie en ideeën voor docenten en lerarenopleiders om de studenten voor te bereiden op werken met Bloom in het onderwijs

Sylvie Engels van Tenz gaf de presentatie De taxonomie met soorten kennis en denkvaardigheden
Opdracht: Leg de voorbeelden bij de juiste soort kennis Nog die opdracht die in groepjes werd vervuld

Deze sessie werd verzorgd vanuit het vorminginstituut Tenz.

Tenz verstrekt individugerichte of teamgerichte vormingen rond onderwijsuitdagingen.

Voor de herziene taxonomie van Bloom voor het secundair onderwijs staan deze twee vormingen ter beschikking:
- Evalueren met de herziene taxonomie van Bloom, verdiepingssessie
- Lessen ontwerpen met de herziene taxonomie van Bloom, basissessie

Voor de opvolging van deze sessie laat Tenz aan het NDN toe nog het volgende materiaal toegankelijk te stellen voor de belangstellenden.

Overzicht van “De taxonomie van Bloom in de klas. Een inspiratieboek voor de leraar” en verband met de eindtermen 1ste graad/
Aanmelden met een Microsoft Account is nodig.

De webinar met Ingrid Molein, mede-auteur van het boek. Het is de live uitzending waarbij de deelnemers de presentatie of voorstelling mee kunnen volgen. Je hoort de uitleg van Ingrid Molein, je ziet ze niet, maar je krijgt wel alle slides op het scherm gebracht. De webinar is nagenoeg evenwaardig met de presentatie op de conferentie van Sylvie Engels.

Ingrid Molein, één van de 3 auteurs van het boek’ De taxonomie van Bloom in de klas’ verheldert in dit webinar de herziene taxonomie van Bloom.

Met de modernisering van het secundair onderwijs in Vlaanderen werden nieuwe eindtermen vastgelegd. Om de communicatie tussen overheid, onderwijsnetten, leerkrachten en leerlingen optimaal af te stemmen, werd ervoor gekozen om de eindtermen en leerplannen uit te schrijven op basis van de herziene taxonomie van Bloom, door Krathwohl & Anderson.

Hoe ontwerp je als leerkracht je lessen, zodat je de eindtermen en leerplandoelen doordacht en kwaliteitsvol kan doen landen op de klasvloer, rekening houdend met de noden van alle leerlingen? In tegenstelling tot vroeger zijn de eindtermen niet langer onderverdeeld in vakken, maar zijn ze gebaseerd op zestien sleutelcompetenties. Dit moet ertoe bijdragen dat jongeren beter voorbereid worden op een steeds sneller evoluerende maatschappij.

In dit webinar licht Ingrid Molein toe wat het concept van de herziene taxonomie van Bloom inhoudt en zoomt in op de cognitieve processen en de soorten kennis. Dit alles tegen het licht van het lesontwerp en de didactische componenten: de leervraag, de instructievraag, de evaluatievraag en de afstemmingsvraag.

De webinar van Ingrid Molein duurt 48'37"

De conferentiedeelnemers kregen allen een exemplaar van het boek mee naar huis.
Wie het boek "De taxonomie van Bloom in de klas. Een inspiratieboek voor de leraar" wil kopen kan rechtstreeks bij de uitgever terecht. Klik daarvoor hier. Het kost € 22,50. 

 

De andere thema's:

- Tools van het GO! om de studenten wegwijs te maken in de nieuwe leerplannen (Kathleen Leemans, pedagogisch begeleider GO!)

- Begrijpend lezen en PISA: parameters, interpretatie en werkpunten (Inge De Meyer, National project manager, UGent)

- Begrijpend lezen en PIRLS: parameters, interpretatie en werkpunten (Bieke De Fraine, Associate professor KULeuven)

- Toelichting bij de nieuwe visietekst rond taalvariatie gevolgd door een plenaire discussie (Reinhild Vandekerckhove, Hoofddocent Departement taalkunde UAntwerpen en Steven Vanhooren, Senior Adviseur Onderwijs NTU)

Klik door naar de pagina NDN-activiteiten van de NDN-website




Over schoolboeken en leermiddelen – Sleutels voor onderwijskwaliteit?

door Luc De Man, Marc Van den Brande, Karl Catteeuw, Jan Van Damme, Kris De Ruysscher, Leo Neels, Tim Surma, Laurie Delnoij, Goedele Vandommele, Jozefien Loman

 

 

Samenvatting (van de uitgever)

Hebben schoolboeken nog een toekomst? Schoolboeken spelen al lang een bepalende rol bij het leren en onderwijzen. Samen met de leerkracht zijn ze wellicht cruciaal in het onderwijs. Schoolboeken zijn immers – in tegenstelling tot eindtermen en leerplannen – materieel aanwezig in de klas. Die aanwezigheid bepaalt in grote mate de echte doelstellingen van het lesgebeuren, de aanpak van de onderwijzende en de wijze waarop de leerlingen in contact komen met de inhoud. Niet zelden zijn ze de sleutels voor onderwijskwaliteit. Schoolboeken en actuele leermiddelen zijn daarnaast ook voorwerp van heel wat negatieve connotaties. Er bestaat een breuk tussen wat gebruikers verwachten en krijgen van de uitgevers enerzijds en de ideaaltypische visie op de professionele vrijheid en autonomie van de leerkracht anderzijds, waarbij die laatste groep in hun meest verregaande bedoeling alle schoolboeken uit de klasruimte willen bannen. Om het debat dat hierover bestaat met enige kennis van zaken te voeden, gingen we te rade bij aanbieders, gebruikers en experten. In dit boek formuleren ze de inzichten, mogelijkheden en tekortkomingen van het werken met schoolboeken. Daarmee bieden we perspectieven aan over de manier waarop schoolboeken en lesmethodes het onderwijsgebeuren en de kwaliteit van het onderwijs kunnen ondersteunen. Dit boek maakt deel uit van de reeks ‘Beleid voeren in het onderwijs’.

Bron: Polithea

Aanzet:

Het gebeurt de laatste jaren zelden dat er een boekpublicatie verschijnt rond school- en leerboeken. Het lijkt ons dan ook passend deze publicatie ruimer dan met de samenvatting hierboven voor te stellen. Het boek kan al wie zich met het directe onderwijs in de klassen en in de lessen bezig houdt bijzondere lees- en reflectiestof bieden rond deze thematiek. Alle lerarenopleiders en dus ook de lerarenopleiders Nederlands kunnen hieruit heel wat ideeën puren ook voor hun eigen inzichten en zeker voor hun onderwijs aan hun studenten. Ter informatie putten we heel ruim uit het Editoriaal dat namens de redactieraad door Luc De Man en Marc Van den Brande werd geschreven in november 2018. Het gaat over de pagina’s 7 tot 13.

Het Editoriaal


‘Schoolboeken spelen al lang een rol in het leren en onderwijzen, meer nog: ze spelen ons inziens wellicht een cruciale rol, samen met de leraar. Dat vormt het uitgangspunt van dit themanummer. Schoolboeken zijn – in tegenstelling tot eindtermen en leerplannen – materieel aanwezig op de klasvloer. Die aanwezigheid bepaalt in grote mate de echte doelstellingen van het lesgebeuren, de aanpak van de onderwijzende, de wijze waarop de leerling in contact komt met inhoudelijke kennisgehelen. De structuur, de inhoud, de illustraties, de schematische voorstellingen, de (desgevallend) bijhorende toetsen: ze bepalen voor een groot deel hoe leerkrachten de onderwijsleersituaties aanpakken. Ze hebben de bedoeling het leerproces van leerlingen te sturen of te faciliteren. Ze zijn niet zelden de sleutels voor onderwijskwaliteit.

In de dagelijkse klaspraktijk zijn schoolboeken courant in gebruik. Om een idee te hebben van de volumes waarover het gaat, geven we een totaal voor 2017 en 2016 wat de omzet betreft en het aantal verkochte exemplaren. In 2017 werd 100 081 0744 euro betaald voor 10 732 606 exemplaren met een verhouding in omzet van 44 % voor het basisonderwijs en 56 % voor het secundair onderwijs. Ter vergelijking in 2016 ging het om 96 137 035 euro voor 10 205 095 exemplaren met een verhouding van 43% van de omzet BaO tegenover 57% voor het SO. [Dit zijn cijfers voor Vlaanderen]

Maar schoolboeken en actuele leermiddelen zijn naast sleutels in onderwijskwaliteit ook voorwerp van nogal wat negatieve connotaties. Er bestaat een breuk tussen wat gebruikers verwachten en krijgen van de uitgevers enerzijds en de ideaaltypische visie op de professionele vrijheid en autonomie van de leerkracht anderzijds, waarbij die laatste groep in de meest verregaande bedoeling alle schoolboeken uit de klasruimte willen bannen.

Om het debat dat hierover ontstaat met enige kennis van zaken te voeden, vroegen we een aantal experts informatie te geven vanuit diverse achtergronden.

Maar eerst even vooraf: wat bedoelen we met schoolboeken? Schooboeken zijn allang niet meer uitsluitend een bundel van leerinhouden, … en het blijft niet beperkt tot de oefeningen op een elektronisch leerplatform, waarmee onze kinderen oefenen. Schoolboeken nemen in het hedendaagse onderwijs verschillende vormen aan. Bovendien zijn er heel wat begeleidende documenten die het gebruik van een bepaald schoolboek ondersteunen.

Op onze tafel liggen dus leerboeken, handboeken, oefenboeken, lesmethodes, handleidingen voor de leraar, werkbladen, invulbladen, toetsen enz. Al deze vormen, tot zelfs de louter elektronische vormen van leermiddelen – hoe ongrijpbaar soms – nemen we mee als onderwerp van dit boek.

In dit themanummer hebben de experts, aanbieders en dagelijkse gebruikers antwoorden geformuleerd op een aantal vragen die bestaan over de mogelijkheden en de tekortkomingen van schoolboeken. We hopen de lezer daardoor te laten nadenken over de wijze waarop schoolboeken en lesmethodes het onderwijsgebeuren en de kwaliteit van het onderwijs kunnen ondersteunen.’

Acht hoofdstukken – acht diverse bijdragen


1. Waardoor evolueerde de leermiddelenmarkt in de loop van de onderwijsgeschiedenis?
Ø Auteur: Karl Catteeuw

Het lijkt nogal wat ‘academisch’ om te starten met een bijdrage over de historiek en de evoluties van leerboeken in België vanaf 1830. Toch levert geschiedkundig onderzoek heel wat materiaal om ook vandaag na te denken over de rol en de impact van schoolboeken. Wat bedoelen we met schoolboeken? Wie schreef/schrijft die boeken? Hoe gebeurde kwaliteitsbewaking en wie nam dit op zich? En kon iedereen zomaar schoolboeken op de markt brengen? Wat maakt een bepaalde methode populair?
Karl Catteeuw, doctor in de historische pedagogiek, formuleert een aantal boeiende inzichten over de wijze waarop schoolboeken in België ontstonden en welke elmenten daarin bepalend waren.

2. Hoe ervaren de uitgevers van leermiddelen de recente evoluties enerzijds bepaald door de overheden en anderzijds door de gebruikers van hun producten?
Ø Interview: GEWU

Een aantal van de stellingen die in de historiek van de schoolboeken worden aangekaart, zijn ook vandaag nog actueel. Blijkbaar is er niet veel nieuws onder de onderwijszon. We hebben nog steeds te maken met gedreven auteurs – doorgaans zelf leraars – die schoolboeken opstellen en redigeren. Maar we zien tevens de grote clustering van educatieve uitgeverijen en de nieuwe rol van distributeurs. Reden te meer om hierover in gesprek te gaan met de uitgevers zelf.

In een vraaggesprek met de GEWU (Groep Educatieve en Wetenschappelijke Uitgevers) peilen we hoe uitgevers te werk gaan bij de ontwikkeling van nieuwe handboeken en methodes.  We bekijken hoe ze omgaan met nieuwe eindtermen, wat het format van de toekomst wordt en hoe ze de beste kwaliteit voor hun producten proberen na te streven.

3. Kan men het effect van schoolboeken in termen van leerrendement bepalen?
Ø Auteur: Jan Van Damme

Over de kwaliteit van schoolboeken is het laatste woord nog niet geschreven. Veel wetenschappelijk onderzoek is in ons taalgebied trouwens nog niet gepubliceerd. We kunnen dus moeilijk zeggen welke methode werkt en welke niet. Maar naar aanleiding van internationale onderzoeken zoals TIMSS en PIRLS proberen wetenschappers na te gaan wat het effect van handboeken is.
Prof. Jan Van Damme van het Centrum voor Onderwijseffectiviteit en –Evaluatie aan de KU Leuven heeft de belangrijkste inzichten bij elkaar gebracht.

4. Hoe verhouden leermiddelen zich vandaag tegenover de vernieuwde eindtermen en de nieuwe leerplanconcepten?
Ø Auteur: Kris De Ruysscher

Met de eindtermen probeert de overheid de kwaliteit van het geboden onderwijs ambitieus en doelgericht te houden. Onderwijsverstrekkers hebben van hun kant ook oog voor het pedagogisch project. Daarbij zijn de leerplannen – waarin de eindtermen vervat liggen – richtinggevend. Maar als het er echt op aan komt, zijn het enkel de schoolboeken die op de tafel van de leerling terecht komen. We wilden weten hoe vandaag de link gelegd wordt tussen eindtermen, leerplannen en schoolboeken.
We vroegen Kris De Ruysscher, pedagogisch begeleider bij het Katholiek Onderwijs Vlaanderen om een inkijk te geven in de wijze waarop de drie met elkaar verbonden zijn. Hij is daartoe best goed geplaatst, gezien zijn aandeel in het op nieuwe concepten gebaseerde leerplan voor het basisonderwijs in het Katholiek Onderwijs Vlaanderen.

5. Hoe denken diverse gebruikers over evoluties en de kwaliteitsbewaking van leermiddelen? Kwaliteitsvolle schoolboeken waarborgen, en toch zelf mogen kiezen?
Ø Auteurs: Luc De Man en Marc Vandenbrande

In elk themaboek van onze reeks Beleid voeren in onderwijs laten we ook ervaringsdeskundigen aan het woord. We confronteren hen met een aantal pertinente vragen: Moet er wel een vrije markt inzake schoolboeken zijn? Moet elk schooboek niet goedgekeurd worden vooraleer het op de markt komt? Zouden leraren niet beter zelf hun didactisch materiaal samenstellen? En waarom niet alle leermiddelen digitaal maken?
We maakten een samenvatting van diverse meningen en tendensen.

6. Is er naast inhoudelijke en methodische kwaliteitsbewaking ook sprake van juridische kwaliteitsbewaking van eigen en externe leermiddelen? Over auteursrechtelijke mogelijkheden en beperkingen
Ø Auteur: Leo Neels

Schoolboeken hebben altijd een apart regime gehad wat de regeling van de auteursrechten betreft. Dit biedt aan de leraar, die eigen materiaal maakt en aan uitgevers van schoolboeken, een zekere ruimte om te citeren en bronnen te gebruiken. Maar er zijn niet mis te verstane regeltjes die de ruimte inperken. Het is goed om weten wat gebruikers, auteurs en scholen wel en niet mogen kopiëren.
We vroegen aan prof. dr. Leo Neels, em. prof. Media- en Communicatierecht aan de KU Leuven en aan de UAntwerpen, expert in auteursrecht valkuilen en opportuniteiten toe te lichten rond auteursrecht in een educatieve context. Als ere-advocaat heeft hij gedegen praktijkervaring om van daaruit een algemeen overzicht te geven dat personen in staat moet stellen zich vertrouwd te maken met de grote lijnen van het auteursrecht. Het is niet de bedoeling als juridisch advies te dienen in concrete gevallen.

7. Beschikken we vandaag over wetenschappelijke onderbouwing omtrent de effectiviteit van de methodiek die een handboek hanteert?
Ø Auteurs: Tim Surma en Laurie Delnoij

Schoolboeken ondersteunen leerprocessen. De praktijk van het leren kan op diverse leerpsychologische visies en theorieën zijn gebaseerd. Hopelijk maakt zowel de auteur als de begeleidende uitgever hiervan expliciet en doelbewust gebruik. We wilden weten welke aanpak welke effecten ressorteert op korte en lange termijn en dit zowel voor de uitgeefproducties door de diverse uitgeverijen als voor de ‘eigen materialen’ van leraren. Welke zijn de tot nu beste wetenschappelijke evidenties vandaag de dag?
Tim Surma en Laurie Delnoij zijn allebei best vertrouwd met de achtergronden van leerprocedures zowel vanuit de praktijk van het lesgeven als vanuit een doorgedreven opleiding.

8. Hoe kiezen lerarenteams leermiddelen in functie van de context waarin zij werken en hun eigen aanpak?
Ø Auteurs: Goedele Vandommele en Jozefien Loman

Elk schooljaar, zowat in februari/maart, buigen schoolteams zich over het lijstje schoolboeken die ze voor het volgende schooljaar willen gebruiken al dan niet in functie van nieuwe leerplannen. Ze bepalen criteria en bezoeken voorlichtingsmomenten georganiseerd door de uitgeverijen. Welke stappen moeten ze zetten in dat keuzeproces dat zowel hun onderwijskwaliteit als hun praktijkcomfort zal bepalen?

Goedele Vandommele en Jozefien Loman stelden, n.a.v. het nieuwe leerplan, voor het basisonderwijs van het Katholiek Onderwijs Vlaanderen een leidraad op, inclusief stappenplan, die lerarenteams ondersteunt bij hun keuzeproces. Als respectievelijk pedagogisch begeleider en leerplanontwikkelaar Nederlands zijn ze rechtstreeks betrokken bij de onderwijspraktijk.’

 



Het Wilhelmus – voorgesteld voor de jongeren

 
In 2017 sprak de Nederlandse regering de wens uit dat alle scholieren in Nederland het Wilhelmus in zijn historische context leren kennen. De Universiteit Utrecht, Universiteit Antwerpen, het Meertens Instituut en Nationale Opera & Ballet pakten de handschoen op, en bieden nu lesmateriaal en kennis aan waarmee scholieren zich tekst en muziek van het Wilhelmus eigen kunnen maken.
Voor meer informatie zie de site van de Universiteit Utrecht.

Een hippe vlotte direct aansprekende videofilm met Eva Cleven motiveert jongeren voor het Wilhelmus

De videofilm 8’46”



Omhoog ^


Talen in crisis?



 

De voorbije maanden regende het onheilsberichten over onze talenkennis en ons talenonderwijs. Vlamingen zijn geen koplopers meer wat vreemde talen betreft. Ons schoolvak Nederlands is te uitsluitend op taalbeheersing gericht. Het aantal lesuren Nederlands wordt trouwens gereduceerd. Misschien zijn de eindtermen te veeleisend, of neen, misschien leggen ze de lat net niet hoog genoeg. Het aantal talenstudenten in het hoger onderwijs loopt terug, in Nederland nog dramatischer dan in Vlaanderen. Sterkste staaltje: er waren nog vijf inschrijvers voor de afstudeerrichting “Literatuur en Samenleving: Nederlands” aan de Vrije Universiteit in Amsterdam – dus is de richting nu afgeschaft.
Kommer en kwel.

Waar ligt de oorzaak? Sommigen wijzen op de promotie voor STEM-vakken. Die is goedbedoeld en valt zeker te verantwoorden. Maar een onbedoeld neveneffect is dat talen nu door een talrijker geworden publiek worden beschouwd als minder belangrijk en niet iets waar je je brood mee gaat verdienen. Anderen (vooral in Nederland) zeggen dat het schoolvak Nederlands te saai is geworden. 
En de remedies?

Op 25 april werd aan de UGent een studieavond georganiseerd onder de titel “Het talenonderwijs in crisis?”. Spreker Joren Somers raadt aan om in het schoolvak Nederlands interessante thema’s als taalverandering, psycholinguïstiek of dialectologie op te nemen. Zijn collega Paul De Loore beveelt aan om weer veel grotere aandacht te gaan besteden aan literatuur in het schoolvak. Nog op de studieavond betoogde Kevin R. De Coninck dat we andere talen te weinig status toekennen binnen onze eigen Vlaamse samenleving en dat we het Nederlands te weinig status toekennen in de wereld. Hieraan moeten we met z’n allen gaan werken. 

Die laatste overweging vinden we ook terug in een opiniestuk in de NRC, waarin de Internationale Vereniging voor Neerlandistiek schrijft dat de toekomst van de studie Nederlands (in het hoger onderwijs dan) ligt in internationalisering: “Plaats de Nederlandse taal en literatuur tegen de achtergrond van internationale onderzoekstradities; onderzoek de dynamiek tussen het Nederlands en andere talen en culturen”.

Hierop inhakend geeft Yves T’Sjoen in het Tijdschrift Neerlandistiek een hele reeks concrete voorbeelden van hoe de Nederlandse literatuurstudie kan worden ingebed in een ruimere Europese en zelfs globale context. Zeker in de Vlaamse opleidingen, die immers altijd twee talen combineren, moet dit mogelijk zijn.

Paniek is een slechte raadgever en het is bekend dat belangstelling voor een vak cyclische bewegingen maakt. Maar als gediplomeerden in de talen is het onze taak om het animo voor zowel de vreemde talen als het Nederlands aan te wakkeren.

Meer lezen:


 


De neerlandistiek is helemaal niet in crisis



Frank Willaert

 

De neergang van de neerlandistiek? De kranten staan er deze weken vol van. Vol van onheilstijdingen. Vanwaar zoveel crisisgevoel? In de praktijk bloeit de studie van het Nederlands als nooit tevoren. Nu het onderwijs nog ...

‘Het klopt dat leerlingen niet langer geïnteresseerd zijn in Vondel en in spelling’, aldus een leerkracht Nederlands in De Standaard van 26 februari. De spelling kan hij nog redden dankzij een De Slimste Mens-achtig format; Vondel komt in zijn verdere verhaal niet meer voor. Hopeloos verouderd allicht, niet van deze tijd.

Niet van deze tijd? Vondel, die voor de waarheid opkwam wanneer het verstandig was te zwijgen? ’Dies roemt men hem voor wijs, die vinger op den mond leit. O kon ik ook die kunst…’ Vondel, die godsdienstfanatici en hun heilsstaat de wacht aanzei? ‘Wat meet gij u dan toe, o zotte leugen-preker! O gans verdwaald tiran! schijnheilig stof en slijk!’ Hoezo, niet van deze tijd?


Ook een les over spelling kan aanleiding zijn tot reflectie over onze maatschappij.

En natuurlijk kan het geen kwaad om leerlingen met een leuke quiz de regels van de spelling bij te brengen. Maar mag het iets meer zijn? Een beetje inzicht in de redenen waarom onze maatschappij zoveel belang hecht aan een letter meer of minder? Wat uitleg wanneer en waarom we volgens vaste regels zijn gaan spellen? De vraag stellen of een gedigitaliseerde wereld hier op den duur geen verandering in zal brengen?

Zo kan een les over spelling ook aanleiding zijn tot reflectie over onze maatschappij, en over de rol van de spelling daarin. Kritisch leren denken, dat is toch wat ons onderwijs hoort te doen?

Zo’n onderwijs vraagt natuurlijk om goed geschoolde leerkrachten, die vanuit hun surplus aan kennis inspirerend les kunnen geven. Leraren die op eigen kompas kunnen varen, en daar ook het vertrouwen voor moeten krijgen. Want voor elke goede leraar geldt dat hij of zij eigenlijk zelf het programma is.
Wie op een bepaald ogenblik het geluk heeft ervaren gefascineerd te raken door scheikunde, geschiedenis of Nederlands, herinnert zich bijna altijd die onderwijzer, die leraar, die op een beslissend moment de poort openduwde – nee, niet naar de eigen leefwereld, maar naar wat nog onbekend was, en nieuw.

Rijk onderzoek

Daarom is de tanende aantrekkingskracht van de neerlandistiek ook zo erg. Want het helpt zeker niet, zoals soms te horen is, om te roepen dat elke leraar ook een leraar Nederlands is. De neerlandistiek is een vak met een rijke traditie én met allerlei pas ontgonnen territoria en onvermoede passerelles naar andere wetenschapsgebieden, de exacte wetenschappen zeker niet uitgezonderd (zie Freek Vandevelde in De Standaard van 28/02).

Laten de neerlandici zichzelf en de gemeenschap niet aanpraten dat hun vak in crisis is.

Laten de neerlandici zichzelf en de gemeenschap niet aanpraten dat hun vak in crisis is. Integendeel, het bloeit als nooit tevoren. Nog maar pas leverde de neerlandistiek een prachtige literatuurgeschiedenis in tien delen af. Van weinig talen is de zinsbouw grondiger beschreven dan van het Nederlands. Een zeer groot deel van de Nederlandse literatuur, van Hebban olla uogala tot heden, en heel veel onderzoek daaromheen, is gratis toegankelijk op de website van de Digitale Bibliotheek van Nederlandse Letteren.

Neerlandici en musicologen uit Noord en Zuid brachten in de Nederlandse Liederenbank ruim 175.000 Nederlandstalige liederen bijeen: wetenschappers, musici en belangstellenden doen er hun voordeel mee. Taalkundigen uit Nederland en Vlaanderen brachten onlangs nog een fascinerende atlas uit van de Nederlandse taal. En computerlinguïsten weten boodschappen van pedofielen op te vissen uit een oceaan van chatberichten.

Mijn eigen medewerkers verrasten me bij mijn afscheid met een ondertussen bekroonde en voor iedereen toegankelijke MOOC over onze middeleeuwse letterkunde. De Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal en Letteren bericht op haar website onophoudelijk over alles wat er gebeurt rond de door haar samengestelde literaire canon. En zo kan ik nog even doorgaan. Hoezo, crisis?

Arm onderwijs

Maar al dat moois moet ook zijn weg vinden naar het publiek. En vooral: vertaald worden naar het onderwijs! En daar ligt wel wat werk op de plank.

Zo verbaast en verontrust het mij dat nagenoeg niemand van mijn collega’s die in de taal- of letterkunde werkzaam zijn, betrokken blijkt te zijn of zelfs maar op de hoogte is van de nieuwe leerplannen Nederlands. Ook moeten de geesteswetenschappers bevrijd worden van de enkel door financieringsregels ingegeven obsessie dat het schrijven van Engelstalige A1-artikelen het hoogste is waarnaar ze kunnen streven.

Onduitse pleiters zwijgt, gij hebt uw taal vergeten.

Er moet dringend veel meer overleg en samenwerking komen tussen taal- en letterkundigen, vakdidactici en – vooral – leraren. En wie in het onderwijs staat, moet de kans krijgen om zeer geregeld bijscholingen te volgen, niet alleen in de didactiek en nog minder in de finesses van de bureaucratie, maar vooral in de evoluties van zijn of haar vak. Leraren die wensen te doctoreren, moeten daar faciliteiten voor krijgen: zij kunnen een geest van onderzoek doen waaien binnen de schoolmuren.

En voor die bestuurders die menen dat dat allemaal niet zo nodig is en dat we het met wat Engels ook wel zullen rooien? Speciaal voor hen laten we nog één keer Vondel aan het woord: ‘Onduitse pleiters zwijgt, gij hebt uw taal vergeten. Gaat, haalt uw moeders tong en kakelt dan in’t hof.’


Namens het bestuur van de KANTL,

Frank Willaert, ondervoorzitter

Bron: Rekto:verso


Het schoolvak Nederlands heeft een vakgemeenschap nodig - Theo Witte

 

Ik sluit me van harte aan bij de oproep van Frank Willaert voor meer samenwerking en overleg binnen de neerlandistiek om op die manier het vak weer de plaats te geven die het verdient, en wil daar enkele concrete voorstellen aan toevoegen.


1. Permanente ondersteuning van docenten in het onderwijs

Alle docenten Nederlands zouden zich bij de neerlandistiek thuis moeten kunnen voelen, de ‘alma mater’ van hun vak. De universitaire neerlandici zouden zich wel wat meer mogen realiseren dat de wortels van hun vak bij het curriculum en de docenten Nederlands in het voortgezet onderwijs liggen. Gedurende mijn loopbaan als vakdidacticus aan de Rijksuniversiteit Groningen heb ik veel docenten de lerarenopleiding zien verlaten met grote vakinhoudelijke en vakdidactische handicaps. Na hun opleiding moeten deze docenten zelf maar zien hoe ze deze lacunes opvullen. In de schoolpraktijk kampen ze met een hoge werkdruk en staan ze er vaak alleen voor met als gevolg dat ze zich vastklampen aan het schoolboek en zich snel aanpassen (of ontslag nemen). Dit is vermoedelijk een van de redenen dat veel docenten zich hebben afgewend van de neerlandistiek en vakdidactiek: wat heb je nog aan de universiteit of hogeschool als je voor de klas staat?

Het schoolvak Nederlands heeft een vakgemeenschap nodig die zich medeverantwoordelijk voelt voor de kwaliteit van het onderwijs en zich publiekelijk engageert met maatschappelijke uitdagingen zoals het terugdringen van de laaggeletterdheid en ontlezing. De universitaire neerlandistiek zou in samenwerking met vakdidactici en de sectie Nederlands van Levende Talen een gezamenlijk en samenhangend programma van videocolleges en e-cursussen kunnen maken waarmee docenten zich kunnen bijscholen en voeden op het moment dat het hun uitkomt. Een inspirerend voorbeeld is het veel geprezen Vlaamse project MOOC Middelnederlands.


2. Gezamenlijke regie

Sinds de publicatie van het Manifest Nederlands op school van het Meesterschapsteam Nederlands in 2016, zien we gelukkig allerlei initiatieven om de banden tussen de Universitaire Neerlandistiek en het schoolvak Nederlands aan te halen. Voor docenten is er de ‘Nieuwsbrief Neerlandistiek in de klas’ en een ruim aanbod van studiedagen. Voor leerlingen zijn er ‘Kennisclips’ en de website ‘LitLab’ waarmee ze kennis kunnen maken met letterkundig onderzoek. Ook is het verheugend dat jonge letterkundigen zich beginnen te roeren en docenten en leerlingen proberen te bereiken met hun werk, zoals met de inspirerende bundel ‘Woorden temmen’. Eerder waren er al universitaire initiatieven om het onderwijs te voorzien van didactische hulpmiddelen, zoals ‘de Taalcanon’, de succesvolle reeks ‘Tekst in Context’ en de website ‘literatuur-geschiedenis.nl’. Met deze leermiddelen wordt de neerlandistiek voor leerlingen en docenten op school beter zichtbaar.

Een probleem bij al deze initiatieven is echter dat er geen enkele regie is bij de universiteiten en evenmin tussen de disciplines taalkunde, taalbeheersing en letterkunde. Een sterke en hechte vakgemeenschap waarin docenten, vakdidactici en universitaire neerlandici samenwerken (en dus geen ruzie maken!), zou hierin verandering kunnen en moeten brengen. Die vakgemeenschap moet zo sterk zijn dat bij de herziening van curricula en examens instituten als de SLO en het Cito niet om ‘ons’ heen kunnen en willen.
Een ander probleem is het onderhoud en eigenaarschap van didactische hulpmiddelen die universiteiten hebben mee ontwikkeld. Zo biedt de populaire website literatuurgeschiedenis.nl sinds 2001 een interessante en praktisch bruikbare ’etalage’ van de historische letterkunde. Maar wie deze winkel bezoekt, ziet dat de winkeleigenaar lang geleden is vertrokken en dat er niemand op de winkel past. Met als gevolg dat deze mooie website is verouderd, en docenten en leerlingen op den duur hun belangstelling voor deze site zullen gaan verliezen. ‘Literatuurgeschiedenis.nl’ dient een publieke zaak, heeft groot onderhoud nodig en zou regelmatig moeten worden geactualiseerd. Nu de ‘Geschiedenis van de Nederlandse Literatuur’ vanaf het begin tot 2005 compleet is, is het moment van valorisatie gekomen. Ook hierbij zou de beoogde vakgemeenschap (met steun van de Taalunie?), de regie kunnen nemen om literatuurgeschiedenis.nl te renoveren en voor het onderwijs aantrekkelijk te houden.


3. Wetenschappelijk publiekcontact

Tot slot kan de universitaire neerlandistiek zich de les van de theoretisch natuurkundige Vincent Icke ter harte nemen. De wetenschap steunt volgens hem op drie zuilen: wetenschappelijk onderzoek, wetenschappelijk onderwijs en in deze tijd vooral wetenschappelijk publiekcontact. Het is deze derde zuil waar voor de neerlandistiek nog veel valt te winnen (en in het onderwijs veel valt te halen). Welke neerlandici met zowel kennis van het schoolvak Nederlands als de universitaire neerlandistiek kunnen we naar voren schuiven in het publieke debat over onze taal en cultuur?

Bron: Neerlandistiek

 


Anton van Wilderode, leraar in de letteren en zijn heel bijzonder schoolboek
De dubbelfluit


 

Aanzet

De bijdragen van het KANTL-Colloquium Anton van Wilderode van 14 november 2018 staan nu in de Verslagen & Mededelingen van KANTL Jaargang 128, 2018, Aflevering 2 Anton van Wilderode, leraar in de letteren.

Het zijn:
- Inleiding: Anton van Wilderode, leraar in de letteren – Patrick Lateur & Frank Willaert
- Anton van Wilderode, de laatste der priester-dichters? – Dirk de Geest
- Vaderbinding? Moederbinding?
Van Wilderode als identificatiefiguur – Erik Spinoy
- De dubbelfluit in het licht van de literatuurdidactiek toen en nu – Johan van Iseghem
- Vertolker? Vertaler? Dichter?
De klassieken in de woorden van Anton van Wilderode – Wim Verbaal.

Bijzondere aandacht besteden we hier aan Johan van Iseghems “De dubbelfluit in het licht van de literatuurdidactiek toen en nu”.

Anton van Wilderode Johan van Iseghem

In onze NDN-Nieuwsbrief  31-2 van einde 2018 begin 2019 publiceerden we het artikel
Anton van Wilderode in 2018 herdacht - een document.

Toen schreven we over De dubbelfluit dit:

‘Toen gebruikte ik zijn ongeëvenaarde bloemlezing De dubbelfluit. Ze bevat een selectie van gecanoniseerd literatuurmateriaal uit onze literaire geschiedenis waarmee de tijdlijn van het verloop van de literatuur doorheen de eeuwen en de jaren kon worden gevolgd. Ze bevat een bijkomende schat van direct nuttige informatie rondom de teksten die waren opgenomen. Als bloemlezing was De dubbelfluit ongeëvenaard, maar als werkinstrument voor boeiende en beklijvende literatuurlessen evenzeer van onschatbare waarde.’ 

In Van Iseghems bijdrage in de net verschenen Verslagen & Mededellingen legt de didacticus heel grondig dit schoolboek en bloemlezing onder de loep. We geven hier de samenvatting van zijn tekst en ook zijn afsluiting weer ter attentie van onze didactisch gerichte lezers, die hun aandacht toespitsen op het literatuuronderwijs en hoe Van Wilderode dat promootte met zijn bloemlezing uit de Nederlandse literatuur van vroeger en van nu.

Samenvatting

‘Exact vijftig jaar geleden, in 1968, verscheen het befaamde schoolboek De dubbelfluit van Anton van Wildrode. Het was bestemd voor gebruik in de klas, als werkboek voor lesactiviteiten en voor persoonlijke taken, maar tegelijk als leesboek voor gemotiveerde leerlingen en andere geïnteresseerde lezers. In twee delen behandelde het de Nederlandse literatuur door middel van zorgvuldig geselecteerde teksten: in deel een de periode van de middeleeuwen tot Piet Paaltjens, in deel twee het vervolg tot bij de experimentele dichters van de jaren zestig. Bij de twee delen samen hoorde een schematisch overzicht, samengesteld door A. Roels.

We gaan na in welke mate het boek spoorde met de aanbevelingen en verplichtingen die geformuleerd waren in de leerplannen van toen, op welke manier het omging met de spanning tussen de literaire en de taalkundige aspecten van het onderwijs Nederlands en hoe het paste binnen de ruimere onderwijskundige opvattingen van die periode. We bespreken ook een aantal inhoudelijke aspecten: enigszins ideologisch gekleurde standpunten, de verwijzingen naar breder opgezette literair-historische werken, de biografische notities over auteurs, de aard van de tekstcommentaren en de manier waarop het materiaal voor de bloemlezing werd geselecteerd. Afsluitend houden we het boek tegen het licht van hedendaagse opvattingen over literatuuronderwijs.’ (blz. 166)

Ter afsluiting

‘Gelukkig bleef Van Wilderode door alles heen trouw aan zijn voornemen om de lectuur van de teksten zelf te laten primeren: ‘van de dichters tenminste drie gedichten en van de pozaïsten een volledig verhaal of een afgerond fragment van behoorlijke lengte’ (Ddl, p. 7). Overal besteedt hij daarom uitvoerige aandacht aan structuur, verstechniek en beeldspraak, stijl en woordgebruik.

Tegelijk valt bij lectuur van De dubbelfluit zijn merkwaardige opmerkingsgave op, onder meer in treffende karakteriseringen. Beatrijs, schrijft hij, blijft non wanneer ze weggaat uit het klooster, maar ze blijft ook moeder wanneer ze terugkeert; het natuurtafereel in het bos vergelijkt hij met een miniatuur uit een getijdenboek (Ddl, p. 55). Elegast noemt hij een ‘koninklijke helper’, Karel een ‘gentleman-inbreker’ (Ddl, p. 24), de biechtende Reinaert is geen ‘boeteling’ maar veeleer een ‘gewiekste narrator’ (Ddl, p. 71). Richard Minne heeft volgens hem van zijn geboortestad Gent een ‘koppig en ironisch vrijbuiterstemperament’ meegekregen (Dd2, p. 233); en Hugo Claus ‘die thans op een prachtige hoeve woont te Nukerke/Oudenaarde in de Zuidvlaamse heuvelstreek’ noemt hij een schrijvende ‘hereboer’ (Dd2, p. 466). In alles spreekt de bevlogen en betrokken literatuurleraar, die onvermoeibaar aanknopingspunten, vergelijkingen en typeringen bedenkt om zijn lezers te laten delen in een rijkdom waarvan hij zelf de gelukkige en getuigende eigenaar is. Dat enthousiasme van hem werkt aanstekelijk en straalt zonder meer af op het gehele werk.

Het is onmogelijk om binnen het bestek van een bijdrage in te gaan op alle mogelijke andere aspecten van dit schoolboek. Laat ik volstaan met de vaststelling dat het generaties leerlingen op een voortreffelijke manier heeft gevormd tot gemotiveerde lezers, vooral door zijn benijdenswaardige, zij het soms wat overladen uitvoerigheid. De dubbelfluit blijft niettemin de perfecte illustratie van een onderwijs Nederlands dat in de Vlaamse humaniora van 1968 nog in aanzienlijke mate functioneerde (en vaak ook wenste te blijven functioneren) in de late nabloei van de godsdienstig-literaire rationaliteit. Niet zelden ging dat gepaard met ‘een bijna religieus geloof in de absolute waarde van de oude literatuur’ (Daems, et al., 1982, p.351) in een situatie waarbij alle andere componenten van het schoolvak Nederlands aan de literaire component werden ondergeschikt.

De rode draad in de keuze van de teksten was vooral de trouw aan de canon, terwijl in de opzet van het geheel op de eerste plaats een benadering gold vanuit historisch perspectief. … Vandaag zou dat ongetwijfeld afgedaan worden als een te eenzijdige positionering – alleen al door het ontbreken van aandacht voor adolescentenliteratuur, door de afwezigheid van toch een minimum aan buitenlandse auteurs en door het niet implementeren van recente inzichten met betrekking tot de specifiek literaire ontwikkeling van jongeren (zoals bijvoorbeeld geschetst in Witte, 2008). Overigens is de algemene doelstelling van het literatuuronderwijs in dat opzicht inmiddels bijgestuurd door de hantering van het begrip literaire competentie:


Dit houdt in dat leerlingen na het verlaten van de school kennis hebben van wat er op het gebied van literatuur gelezen kan worden en de vaardigheden bezitten om de verschillende genres op adequate wijze te benaderen. Bovendien moeten zij in staat zijn op de tekst te reflecteren om hun eigen verhouding tot de tekst te bepalen. Zij moeten tevens een waardeoordeel over een tekst kunnen formuleren en onderbouwen en bereid en in staat zijn dit oordeel te toetsen aan dat van anderen.
(Geljon, 1994, p.11)


Zoals al wat geschreven wordt, was ook De dubbelfluit echter een product van zijn tijd. Nooit kan het de bedoeling geweest zijn om leerlingen al die auteurs en teksten in de maag te splitsen. Het boek liet daarentegen een ruime keuzevrijheid aan lesgevers die ermee wensten te werken enerzijds en bood leerlingen materiaal aan om te lezen, te schrijven en met elkaar te overleggen anderzijds. We kunnen er blindelings van op aan dat goede en gemotiveerde leraren in die tijd, door middel van dit boek, de hedendaagse doelstelling van literaire competentie in feite al realiseerden op een moment dat het concept als dusdanig nog niet was geformuleerd.

Vandaag ligt er op die literaire competentie een sterke klemtoon, maar die moet binnen het schoolvak Nederlands helaas gerealiseerd worden in een uiteindelijk krapper urenpakket. Eenvoudig is ongetwijfeld anders. Her en der rijzen er bovendien klachten op over de achteruitgang van lezen en van literatuur. Is die verzuchting reëel? De signalen zijn niet eenduidig. Maatschappelijk is er echter beslist iets aan de hand en dat moet ons zorgen baren. … Overigens is er bij sommige leerkrachten een aantoonbaar probleem van ontlezing. Waar het dubbele van Van Wilderodes boek sloeg op epiek én lyriek, stellen we vast dat veel ‘echte’ lezers onder hen nog zelden poëzie tot zich nemen of daar alleszins weinig affiniteit mee hebben; en waar het bij Van Wilderode ging om oud én nieuw, blijken tal van lesgevers nog zowat uitsluitend romans te lezen van – in het beste geval – de laatste twee of drie decennia.

Wie de zaken op die manier aanpakt, tovert geen klanken meer uit een dubbelfluit. Ondanks de vlotte beschikbaarheid van degelijke schoolboeken Nederlands, ook voor literatuuronderwijs, blaast zij of hij – bij de partituur van veel complexere leerplannen – zoiets als eenstemmige deuntjes met af en toe een schrille boventoon. Minstens voor de lesvoorbereiding zou zo iemand gebaat zijn bij het verschijnen, vroeg of laat, van een naar hedendaagse inzichten vernieuwde dubbelfluit, maar die verzuchting is allicht niet realistisch.  Hoe dan ook is dat echter, na alles, de belangrijkste rechtmatige appreciatie die we aan het indrukwekkende literatuurboek van Anton van Wilderode kunnen toekennen.’ (blz. 185-187)

 

De nieuwe lerarenopleidingen vanaf 2020: Educatieve masters – Bregt Van Hoeyveld - 2 april 2019


 

Het academiejaar 2019-2020 luidt een nieuwe start in voor de lerarenopleiding in Vlaanderen. De specifieke lerarenopleidingen verdwijnen en worden vervangen door educatieve graduaats-, bachelor- en masteropleidingen. De nieuwe opleidingen, die ingebed zijn in het hoger onderwijs, zijn recent goedgekeurd door de accreditatieorganisatie NVAO en moeten bekrachtigd worden door de Vlaamse Regering. 
“In het huidige systeem moeten studenten die voor de klas willen staan in de hogere jaren van het secundair onderwijs, eerst een masterdiploma behalen en vervolgens nog een specifieke lerarenopleiding volgen”, zegt Tine Baelmans, vicerector voor Onderwijsbeleid KU Leuven. “De nieuwe educatieve master verenigt beide componenten: je verdiept je verder in het vak en tegelijkertijd ontwikkel je pedagogische en didactische vaardigheden.” 

De KU Leuven bericht daarover


Update rondom Nederlands met heel veel inspiratie – Gerdineke van Silfhout

 

Nog meer over effectief leesonderwijs

Voor het primair onderwijs heeft de Inspectie voor het Onderwijs de call voor het uitvoeren van het peilings- en verdiepend onderzoek naar de stand van zaken met betrekking tot Leesvaardigheid einde (speciaal) basisonderwijs online gezet. Een prachtige reviewstudie van Thoni Houtveen en Roel van Steensel is daarbij ook gepubliceerd. Hier te downloaden.

Tussenproducten Curriculum.nu: geef als leraar feedback op de plannen van Nederlands

Tot 11 augustus kun je als leraar, lerarenopleider, expert feedback geven op de tussenproducten van de ontwikkelteams die momenteel voorstellen uitwerken voor uiteindelijk een nieuwe set kerndoelen en eindtermen. Ook voor Nederlands. Zie de voorstellen voor Nederlands hier: https://curriculum.nu/ontwikkelteam/nederlands. Anneke Smits en Erna van Koeven schreven een blog over de tussenopbrengsten van het ontwikkelteam Nederlands: Hun website bevat veel meer inspiratie rondom goed taalonderwijs, dus neus vooral verder op: http://geletterdheidenschoolsucces.blogspot.com/

Bundel afscheidssymposium Theo Witte

Ruim een jaar geleden nam Theo Witte afscheid met een symposium over de veelbelovende toekomst van het literatuuronderwijs. De bijdragen van Erwin Mantingh, Barend van Heusden, Jasmijn Bloemert, André van Dijk, hemzelf en het discussiepanel zijn gebundeld, uitgegeven en via deze link te downloaden.
 
Dat was het weer.

Hartelijke groet,

Gerdineke

Dr. Gerdineke van Silfhout
Leerplanontwikkelaar VO

Omhoog ^


De website ‘Didactiek Nederlands’ – Levende Talen Nederlands


 

De introductiepagina ‘Over didactiek Nederlands’ geeft eerst het doel aan van De Werkgroep Onderzoek en Didactiek Nederlands (WODN), ingesteld door het bestuur van Levende Talen Nederlands. In het vooruitzicht worden dan vijf soorten publicaties voorzien.
https://didactieknederlands.nl/over-didactiek-nederlands/

De website biedt vanaf juni 2018 drie basisrubrieken:
- Zo kan het ook
- De kwestie
- Vakdidactisch handboek

Over elk van de drie rubrieken geeft de welkompagina de nodige uitleg:
https://didactieknederlands.nl/

Een aantal didactische teksten staan permanent ter beschikking van de gegadigden.

De opzet is veelbelovend. De ontwikkeling van het instrument lijkt op dit ogenblik maar langzaam op gang te komen. Wij kijken uit naar bijkomende teksten voor elk van de vijf soorten publicaties.


Omhoog ^


Rotterdam – zeer kort verhaal – A.L. Snijders

 

’s Ochtends kwamen er volgens afspraak twee mannen die diepe kuilen groeven die ze doorverbonden met glasvezelkabels. Het regende zacht, maar ze wilden de koffie die ik had gezet toch buiten opdrinken. Ze kwamen uit Rotterdam. Met mij spraken ze Nederlands – met elkaar een taal die ik niet kende. In grote steden worden alle talen van de wereld gesproken en hebben ook de gewoontes zich aangepast. Koffie in de regen. Toen ik een tweede kopje wilde aanbieden, waren ze weg, het werk was gedaan. Ik probeerde mijn verrassing te verklaren, maar het bleef stil in m’n hoofd. Ik beschouw die talen en paspoorten als verrijking die niet uitgelegd hoeft te worden, toch blijf ik pogingen doen. Het is slecht weer, maar het verhindert niet dat jonge meisjes verliefd zijn en bij de betaalautomaat wachten op jongens die hun dagloon komen halen. Dat er in Rotterdam honderdtachtig talen worden gesproken, maakt me gelukkig. Dat jonge meisjes bij de betaalautomaat wachten, maakt me nog gelukkiger.


Nog wat meer over de nieuwe kennisdelingssite taalbeleid hoger onderwijs

 

Steeds meer instellingen in het hoger onderwijs maken werk van het vergroten van de taalvaardigheid van hun studenten. Op een nieuwe website, opgezet met steun van de Taalunie, vinden zij bestaande goede praktijken die ter inspiratie kunnen dienen.

'Een hogeschool of universiteit kan deze praktijken zelden één-op-één kopiëren,' waarschuwt voorzitter Pieterjan Bonne van het Nederlands/Vlaams Platform Taalbeleid Hoger Onderwijs die de site heeft opgezet. 'Daarvoor verschillen instellingen te veel van elkaar. Zelfs opleidingen binnen een instelling verschillen enorm: aan studenten bedrijfskunde worden andere eisen aan hun taalvaardigheid gesteld dan aan studenten kleuteronderwijs.'

Maar: 'Bij het opzetten van taalbeleid staan we allemaal voor dezelfde uitdagingen,' vervolgt Bonne – in het dagelijks leven docent Engels en Nederlands aan de Arteveldehogeschool, waar hij al jaren medeverantwoordelijk is voor het taalbeleid van de instelling. 'Alle hier bij elkaar gebrachte projecten werken daarom inspirerend: om nieuwe op te zetten of bestaande aan te passen. Je zou kunnen zeggen dat met ieder toegevoegd project het taalbeleid in instellingen hoger onderwijs wordt versterkt.'

Lees de tekst in Taaluniebericht 'Ieder toegevoegd project versterkt het taalbeleid' van Maarten Dessing


Nederlands en Afrikaans in Zuid-Afrika – boekpublicatie

Die storie van Afrikaans: uit Europa en van Afrika. Biografie van ʼn taal.
WAM Carstens & EH Raidt

Uitgewer: Protea Boekhuis, Pretoria 


 

Het monumentaal werk – fysiek gewicht 2.330 kg. – omvat twee aparte boekdelen.
Het eerste deel verscheen einde 2017, het tweede in maart 2019.
De prijs per deel bij aankoop in Zuid-Afrika met verzending naar Europa ligt op ongeveer 80 euro.
Lees over dit standaardwerk over de geschiedenis van het Afrikaans via de onderstaande koppeling:
http://storievanafrikaans.co.za/

Em. prof. dr. WAM Carstens - hoofdauteur van de huidige tweedelige boekpublicatie


Het geheel is een herziening en een ruime uitbreiding en actualisering van het werk dat prof. EH Raidt opgezet en uitgegeven heeft over de geschiedenis van het Afrikaans. De huidige publicatie is grotendeels van de hand van em. prof. dr. WAM Carstens, maar em. prof. dr. EH Raidt, die nu een hoge leeftijd geniet, heeft elk hoofdstuk dat door Carstens werd herwerkt en uitgeschreven, zorgvuldig nagekeken.

Prof. Carstens heeft eind mei net een reis van zeven weken doorheen Europa achter de rug, waar hij over Zuid-Afrika en over zijn boek voordrachten heeft verzorgd aan universiteiten. Als afsluiting van zijn reis is hij het monumentale boek gaan voorstellen in Amsterdam en in de Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal en Letteren in Gent op woensdag 22 mei 2019.

De essentie van wat Wam Carstens daarover had mee te delen, heeft hij nu ook verteld in een tamelijk uitvoerige YouTube-video, opgenomen in het Meertens Instituut in Amsterdam.

https://youtu.be/BaYvUF33YXE   18’46”


Omhoog ^


Knuist – Vuist – Jan Renkema


 

Verwarwoordenboek Vervolg (124)

Jan Renkema

In het Verwarwoordenboek worden zo’n 500 woordparen behandeld met vaak onduidelijke verschillen: afgunst-jaloezie, bloot-naakt, geliefd-populair, plaats-plek, enz.  knuist / vuist 

Er is een klein verschil.

knuist             hand met gekromde vingers

Zo’n mooi beeld, die oer-Holandse polderjongens met schoppen in hun knuisten.

vuist                hand met gesloten vingers

De dokter dacht aan een liesbreuk en zei: “Maakt u eens een vuist en blaas daarop.”

De vingerkromming bij een knuist heeft vaak de associatie van ‘hard’ en ‘sterk’. Maar natuurlijk niet in het verkleinwoord babyknuistjes. Het verschil is het verschil tussen ‘een beetje open’ en ‘helemaal dicht’. Bij een knuist is de hand nog een beetje open. Daarom ook houdt een pijproker zijn pijp niet in zijn vuist, maar in zijn knuist. Bij een vuist is de hand gesloten. Als je de vingers dan nog iets dieper in je handpalm drukt, krijg je een gebalde vuist.

Maar onze taal zou onze taal niet zijn, wanneer hiermee alles gezegd is. Want wij kunnen niet eten met gesloten handen of lachen in gesloten handen. Toch eten wij uit het vuistje en lachen wij in ons vuistje. Of eten wij dan doordat we onze hand laten opengaan? En lachen wij in ons knuistje dat we daarna snel sluiten tot vuistje opdat niemand het merkt? Als dat zo is, blijft het onderscheid ‘open-dicht’ van kracht.

Bron: Neerlandistiek 28-6-2019

Omhoog ^


Geen 10 voor taal meer in basisonderwijs. Hoe komt dat nu echt?


 

Waarom leerlingen minder scoren voor lezen en luisteren?

Expert Tom Venstermans: “Je kan niet roepen dat er wat scheelt aan de leraar.
Maar er zijn wel andere factoren.”

87% voor lezen, 82% voor luisteren. Ziedaar de scores van de peilingstoets Nederlands voor leerlingen zesde jaar basis. Best goed, maar wel een duidelijke daling. Tom Venstermans, lerarenopleider Nederlands aan de Karel de Grote Hogeschool, stelde de vragen mee op. Heeft hij ook antwoorden op de dalende taalscores?

Bart De Wilde interviewt Tom Venstermans


Het dagboek van een leraar (Nederlands) – Liselore van Ockenburg in De Taalstaat - NPO1

 

Liselore van Ockenburg was deze week verantwoordelijk voor 'Het Dagboek van een Leraar Nederlands'.

Ze is 41 jaar en geeft les op het Stedelijk Gymnasium van ‘s Hertogenbosch, aan twee vwo 3-klassen.

Dat is nog niet alles, maar dat merken we vanzelf als we haar week doornemen.

https://www.facebook.com/kolenkid/videos/2262443490674853/  9’15”

Omhoog ^

 

Heeft Vlaanderen recht op een eigen taal? Nee – H. Heestermans

 

Vooraf:

Dit is een tekst uit de oude doos. Uw redacteur heeft hem ergens in een map gevonden bij een opruiming in zijn werkkamer. De tekst werd geschreven toen Eugène Berode taaladviseur was bij de toenmalige BRT. Hij was taaladviseur tussen 1971 en 1996. Vermoedelijk dateert de tekst uit de jaren 90.

De titel is wat onduidelijk en misleidend. Het gaat niet over de taal als dusdanig maar over het woordgebruik in het Nederlands. Welke zijn de gevoeligheden in dat verband in Nederland en in Vlaanderen? (Red.)

Niet lang geleden schreef de Leuvense hoogleraar Jozef van Haver een boekje onder de titel Noorderman & Zuiderman. Het taalverdriet van Vlaanderen. Daarin komt onder andere de volgende passage voor: “Het Vlaamse purisme droogzwierder is een uitstekende taalvondst die nu wel definitief burgerrecht heeft verworven.”

In NRC Handelsblad van 17 november reageerde W.F. Hermans hierop. Hij noemt droogzwierder, dat in Vlaanderen wordt gebruikt voor centrifuge, ‘een krankjorem purisme’ en hoopt dat het beperkt blijft tot Vlaanderen.

Na dat stuk van Hermans is in de Belgische krant De Standaard een polemiek ontstaan waaraan werd deelgenomen door de taalmedewerker van De Standaard, E. Berode, de vroegere hoofdredacteur van die krant, Manu Ruys, en talloze schrijvers van ingezonden brieven.

De kwestie die aan de orde wordt gesteld is deze: heeft Vlaanderen recht op een eigen taal of niet? Of nog iets zuiverder geformuleerd: zouden allerlei Zuid-Nederlandse woorden zoals droogzwierder, garagist en camion de status van standaardtaal moeten krijgen? Daarop zijn natuurlijk maar twee antwoorden mogelijk: ja, graag, of: nee, asjeblieft niet. Geen mening bestaat in dit geval niet.

Berode, die ook verbonden is aan de BRT, waar hij met zijn ‘blauwe briefjes’ waakt over het zorgvuldige, zuivere taalgebruik, zegt uit de grond van zijn hart: nee, nooit mag een onzinwoord als droogzwierder standaard worden. Bij het woord denken we eerder aan een drooggelegde drinkebroer die zich toch wankelend voortbeweegt dan aan een centrifuge. Zijn eenvoudige argument is dat droogzwierder, droogkuis, nieuwkuis, solden (‘koopjes’) en al die andere ‘Vlaamse’ woorden nu eenmaal “in het grootste deel van ons taalgebied, namelijk in Nederland, ongebruikelijk en veelal onbekend zijn. Sommigen vinden dat niet leuk, maar het is niet anders.”

Nee, niet iedereen vindt dat leuk. Het beste wordt die mening verwoord door ingezonden-brief-schrijver Wilfried Beelen uit Ieder. “Is het wel nodig tot in het oneindige een discriminerend onderscheid te maken tussen Noord-Nederlands en Zuid-Nederlands? Ik denk van niet. Het zijn immers gelijk(w)aardige varianten van dezelfde cultuurtaal, geleidelijk uit een aantal dialecten tot ontwikkeling gekomen, de ene alleen wat vroeger dan de andere, eerst enige tijd gescheiden, nu samen op weg naar een totale eenheid. (sic)
Waarom moet alles wat nu in het Noorden nog ongebruikelijk of onbekend is dan systematisch als fout bestempeld worden? Kan een meerderheid dan echt niets leren van een minderheid?”

Wie heeft er nu gelijk: Berode c.s. of Beelen c.s.? Ik denk Berode. Waarom? Daarvoor moet ik wat terug in de tijd. Een kleine omweg.

In de jaren 1577-1589 vallen de steden Antwerpen, Kortrijk, Gent, Mechelen en vele andere in handen van de Spanjaarden. Het gevolg was dat talrijke niet-roomse Zuid-Nederlanders naar het Noorden vluchtten. En dat waren voor een groot deel de kunstenaars, geleerden, drukkers, rijke kooplieden. Denk maar aan namen als Plantijn, Lipsius, Simon Stevin en Marnix van Sint Aldegonde, de vermoedelijke dichter van het Wilhelmus. (sic)

Zoveel Vlamingen namen de wijk dat 37 jaar na de val van Antwerpen, in 1622, 67 procent van het inwonersaantal van Leiden uit zuiderlingen bestond. In Amsterdam was het percentage ruim 30, in Haarlem ruim 50! Onder die vluchtelingen zat, zoals gezegd, de intelligentsia en de rijkdom. Dat leidde in Nederland tot de grote bloeiperiode die we de Gouden Eeuw zijn gaan noemen. De Oost-Indische Compagnie bijvoorbeeld is niet denkbaar zonder de inbreng van de gevluchte Vlamingen. De Gouden Eeuw is niet gemaakt door Noord, maar door Zuid.

Maar toen de kunst, de geleerdheid en het geld uit Vlaanderen vertrokken waren, verviel het Zuiden tot armoede. In het Noorden, vooral in Holland, met als centrum Amsterdam, ontwikkelde zich geleidelijk onder de upperclass (die dus uit Noord-Nederlanders en Zuid-Nederlanders bestond) een uniforme standaardtaal met een grote Vlaamse invloed. Woorden als werpen, zenden, nu en huwen zijn uit het Zuiden afkomstig. Als we bedenken dat ze nu nog de deftige varianten zijn van gooien, sturen, nou en trouwen, dan blijkt eruit hoe groot de status en de invloed van de Zuid-Nederlander was.

Maar in Vlaanderen was vrijwel geen elite meer. Het volk bleef dialect spreken en als men toch een eenheidstaal wilde spreken, sprak men Frans. Zo is dat tot ver in deze eeuw gebleven. Het resultaat was dat de norm voor correct taalgebruik in Nederland, en wel in de Randstad werd gemaakt. Het Zuid-Nederlands is geen ‘gelijk(w)aardige variant van dezelfde cultuurtaal’, zoals Beelen beweerde. En dat stelt Berode en Hermans in het gelijk.

Niemand zal een Vlaming het recht ontzeggen droogzwierder te gebruiken, maar zolang Nederland het woord niet overneemt is het geen standaardtaal. Zo simpel is dat.

***

Scripta manent – Wat geschreven is blijft geschreven …

Het is best mogelijk dat de taalkundige auteur van dat krantenartikel in de geest mee is geëvolueerd en ook de tweeledigheid van het taalgebruik in het volledige Nederlandse taalgebied aanhangt (het zg. duocentrisme van het Nederlands). Dat kan zijn. Dat kan ook niet zijn. We zullen het hem niet vragen.

De fundamentele thematiek in deze tekst is niet de taal als dusdanig. Het gaat er niet om of er ook in Vlaanderen een aparte taal mag komen. Het gaat erom dat de Vlamingen niet hoeven te verwachten, dat de Nederlanders typisch Vlaamse woorden zullen integreren in hun eigen taalgebruik en dat die woorden in de kortste keren dan ook als Standaardnederlands beschouwd kunnen worden.

De verschillen in woordgebruik in Nederland en in Vlaanderen zijn echt niet zo groot. Ruim 4% woorden in Nederland gebruikelijk, iets minder dan 4% woorden in Vlaanderen gebruikelijk op een totaal van zowat 250.000 woorden zijn verschillend voor de Vlamingen respectievelijk voor de Nederlanders (art. prof. dr. Willy Martin in het ts. Neerlandia). Nederlanders zullen het Vlaamse woord ‘goesting’ wel leuk vinden, maar het niet gebruiken. Vlamingen gebruiken het nu bewust frequent in formele publieke situaties. Ook de Vlaamse onderwijsminister Hilde Crevits doet het. Voor de Nederlanders blijft het een ‘leuk’ woord en dat blijft ook zo. Zij hebben trouwens woorden te over voor dat begrip: zin, lust, smaak, trek …

Ook Vlamingen vertonen weerstand tegen een bepaald woordgebruik in Nederland. Waarom zou in Vlaanderen het woord ‘mediation’ het woord ‘bemiddeling’ moeten verdringen?

Het was taalkundige Heestermans er wel om te doen aan te tonen dat de overname van elkaars specifieke woorden vanuit de kant van de Nederlanders niet voor de hand liggend is. Het blijft wél belangrijk dat ook in het woordgebruik de eenheid van het Nederlands als belangrijke waarde voorop mag worden gesteld. Tijdens de schooltijd is er voor leraren alle kans om te wijzen op de verschillen in woordgebruik van een aantal frequent voorkomende woorden in Nederland en in Vlaanderen. Zowel de Nederlandse als de Vlaamse leerlingen zijn erbij gebaat dat ze de verschillende woorden van elkaar zo goed mogelijk leren kennen. En laat het al dan niet gebruik van die ‘andere’ woorden dan maar aan de taalgebruikers zelf over. 

Ghislain Duchâteau

25 maart 2019.

Hans Heestermans is een Nederlandse taalwetenschapper.

Zie: https://nl.wikipedia.org/wiki/Hans_Heestermans

   


Omhoog ^


Auteur Abdelkader Benali over de zin en onzin van schrijvers voor de klas

 
Toespraak van Abdelkader Benali op 1 april 2019 in het Vlaams Parlement tijdens de Staat van het Boek


Lezen is Indiana Jones spelen

Kan een schrijver naar de klas halen kinderen tot lezen aanzetten? Ja, als die schrijver het slim aanpakt, zegt ervaringsdeskundige Abdelkader Benali.

Al sinds ik begon met schrijven hoor ik de noodklok luiden over de roman. Die zou op sterven na dood zijn, aan betekenis verloren hebben, voorbijgestreefd zijn door cinema en Netflix. Maar kijk: de roman leeft. In deze tijd van gepassioneerd cultuurpessimisme wordt geroepen dat onze cultuur ten onder gaat aan oppervlakkigheid, dat we niet meer weten wat onze kernwaarden zijn en we futloos zitten te wachten op de ondergang van het Avondland. Grote woorden om de onzekerheid over de eigen identiteit mee te bezweren. Maar wie wil weten hoe het zit met onze menselijke conditie kan beter een hedendaagse roman lezen. Er verschijnen veel goede boeken die de uitdagingen waar we voor staan inzichtelijk maken. En het voordeel is dat de roman in zijn escapisme ook een medicijn heeft verstopt. We ontdekken dat de menselijke crisis van alle tijden is en dat de beste manier om ze te overwinnen ligt in het zoeken naar medemenselijkheid. Een roman is een uitnodiging tot begrip, en reikt ook nog eens de middelen aan om tot dat begrip te komen. En dankzij zijn amusementswaarde kan een roman lezers ook vrolijk stemmen.

Ik prijs de dag dat ik mijn eerste verhaal las. Als klein jongetje had ik al snel de smaak te pakken. Als een Rupsje Nooitgenoeg las ik me door een hele stapel boeken heen, tot op de dag van vandaag, want het ene boek lokt het andere uit. Ik kan me geen wereld zonder boeken voorstellen. Toch kom ik geregeld in contact met mensen voor wie lezen haast een taboe lijkt. Elke schrijver krijgt op een dag een uitnodiging om te komen spreken op een middelbare school. Een heel bijzonder publiek wacht hem dan op, al was het maar omdat het niet voor de schrijver heeft gekozen. Ze krijgen, zoals sommigen van hen het graag zouden noemen, de schrijver in de maag gesplitst. Aan de meeste van die schoolbezoeken bewaar ik vervelende herinneringen. Met lood in de schoenen wandelde ik dan het hoofdgebouw binnen waar ik me bij een nors kijkende conciërge meldde. De docent Nederlands ontving me, bood me een kopje thee of koffie aan, en praatte me bij over de klas waaraan ik bloot zou worden gesteld. Sommige klassen waren goed voorbereid, onder de enthousiaste leiding van een leesgekke docent, soms moest ik een jaar aan achterstallig literatuuronderwijs in één klap goedmaken. Daar stond ik dan, voor de klas. Een hormonale fruitkas. Ik heb alle klassieke fouten gemaakt die een beginnend auteur kan maken: hoog van de toren blazen, praten over het grote literaire succes dat ik had geoogst met mijn boek om er daarna vijftien minuten lang uit voor te lezen. Als ik dan opkeek, zag ik dat mijn lezing blijvende schade had aangericht. Ongeïnteresseerde doffe blikken uit oogkassen waaruit al het licht was verdwenen. Als er al vragen kwamen, dan van die paar leerlingen die van mijn komst een leesproject hadden gemaakt, leerlingen die door de klasgenoten bij voorbaat als onnozel werden gezien. Met lood in de schoenen toog ik dan weer naar huis. Met de brandende vraag of ik met die schoolbezoeken moest doorgaan als ik, de leerlingen en de docent er zo weinig plezier aan ontleenden.

De Koran en het telefoonboek

Een belangrijke vraag, want het enthousiasme van de bezoekende schrijver is cruciaal in het overbrengen van leesplezier. Lezen is ontdekken. Lezen is schatgraven. Lezen is op ontdekkingstocht gaan, Indiana Jones spelen, nieuwe grenzen verkennen. Lezen is een nieuwe taal ontdekken in de taal die je al kent. Lezen is een solitair genoegen dat gemeenschappelijk kan worden beleefd. Waarom valt al die opwinding dan dood in de klas, vroeg ik me af. Na een aantal weken mediteren werd ik getroffen door de meteoriet van het verblindende inzicht. De pijn die het me opleverde, was waarheid: wat ik al die jaren had gedaan was de ontdekking weghouden bij die jonge mensen: de opwinding, de onzekerheid, de gave, het plezier, het avontuur die horen bij het reizen door de beschaving der letteren. Ik vertelde ze over het eindproduct, niet over de weg ernaartoe. Maar deze jongeren zouden veel meer gebaat zijn bij het horen over hoe iemand als ik tot het schrijven was gekomen, hoe boeken in mijn leven waren gekomen, hoe het is om te leven van de pen; de zoete pijn die erbij hoort, de aarzelingen en strubbelingen. Lezen kunnen ze wel, dat hoef ik ze niet te leren. In dat uur dat ik had om mijn persoonlijke evangelie voor het voetlicht te brengen moest het vooral gaan over de auteur. Niet over het boek. Het boek mag worden veroverd, het mag een mysterie zijn. Het boek mag eigenhandig worden opgeëist. Maar de auteur moet vertellen als was hij Sheherazade die de koning met haar verhalen aan haar lippen laat hangen.

Ik had dus het licht gezien. Nu moest ik het nog in de praktijk brengen. Na een bezoek aan een middelbare school in Eindhoven was ik er klaar mee. Het voorlezen. Al die boeken die ik op een stapeltje bij me had. Ik zag de geschrokken blik in de ogen. Ging hij voorlezen? Hoe lang? Toch niet lang?
De volgende lezing begon ik zonder boeken. Ik begon achteraan, en vertelde over die zaken waarmee ik gewoonlijk mijn lezing afsloot: de autobiografische achtergrond van mijn schrijverschap. Irrelevant voor het begrip van een roman, maar heel relevant bij de eerste ontmoeting met een lezer.
Ik vertelde over mijn land van oorsprong, over migratie, over mijn ouders die semi-analfabeet zijn, over hoe we thuis maar twee boeken hadden: de Koran en het telefoonboek. Ik vertelde hoe ik boeken had ontdekt, waarom ze zo belangrijk voor me waren, en vergat bijna te vertellen over mijn ontdekking van de Nederlandse taal en wat het voor me betekende toen ik op een dag in de klas een verhaal voorlas, het gevoel aandacht te krijgen voor wat je te vertellen hebt, niet voor wie je bent. Ik begon te vertellen en ik hield niet meer op en aan het einde van de les pakte ik mijn romans erbij, heel eventjes, sloeg ze open en deed alsof ik ging voorlezen, wat ik niet deed. Ik vertelde over de boeken. Na een lange reis door mijn leven was ik aangekomen bij mijn schrijverschap. Ik zag de leerlingen geboeid luisteren, want ik had ze deelgenoot gemaakt aan mijn reis. Ik had me kwetsbaar opgesteld, grappen gemaakt en brokstukken aangereikt. Hun verbeelding moest de rest maar doen.


Literatuur is ­inlevingsvermogen, is strijd, is passie, is ik en jij en wij


Het is altijd prachtig om in gemengde klassen te zien hoe leerlingen met een buitenlandse achtergrond veel in mijn verhaal ontdekken, dit weer delen met hun klasgenoten en daardoor het gevoel van medezeggenschap krijgen. Mijn verhaal is ook hun verhaal. Het versterkt hun gevoel van eigenwaarde, het geeft hun aanwezigheid reliëf.

Na zo’n les heb ik geen lood in de schoenen. Docenten komen naar me toe om me te bedanken. Wat ik wil doen, is nieuwsgierigheid aanboren. Ik wil reizigers van ze maken. Reizigers in de verbeelding, zodat ze kunnen gaan en staan waar ze willen. Misschien bewegen ze mijn kant op, richting mijn boek. Kan. Maar veel belangrijker is dat ze een idee krijgen van wat literatuur is op dat basale, menselijke niveau. Niemand hoeft verplicht literatuur te lezen. Volg je nieuwsgierigheid, dat is het kompas dat ons naar de savanne brengt, dat ons de lokroep van de paradijsvogel laat horen. Nieuwsgierigheid. Wie eenmaal vanuit die nieuwsgierigheid een boek openslaat, zit meteen goed. Want de roman tilt de nieuwsgierigheid op naar zowel een hoger als een dieper niveau. We dalen neer in de aarde, we verkennen het luchtruim en daarboven.

Strijd en passie

Gaat het altijd zo? Nee, niet altijd. Elk auteursbezoek vindt onder andere omstandigheden plaats. Soms sta ik in een noodbarak te oreren over Hebban olla vogella nestas hagunan, en soms sta ik een aula stampvol samengepakte klassen koortsig te fluisteren over wetten en praktische bezwaren, en soms heb ik een klas waarvan de geliefde docent absent is, waardoor de leerlingen zich onbespied wanen en het voor mij moeilijker is om mezelf te zijn. Ik heb de grilligheid van dit alles omarmd. Het maakt me tot een beter spreker.


Wie eenmaal vanuit nieuwsgierigheid een boek openslaat, zit meteen goed. Want de roman tilt de nieuwsgierigheid op naar zowel een hoger als een dieper niveau

In sommige klassen heeft een trauma plaatsgevonden. Er is verdriet. Ik voel het. Ik moet er iets mee. Het belangrijkste is dat ik met jonge mensen te maken heb, die kwetsbaar en open zijn, die zijn niet onverschillig.

Ik heb geleerd om de verveelde, sikkeneurige koppen die ik te zien krijg als ik spreek niet te zien als ongeïnteresseerdheid. Zij weten van zichzelf niet dat ze zo kijken. Ze hebben geen idee. In Spijkenisse sprak ik een volle aula toe, ik was met griep naar de school afgereisd. Doodziek stond ik te oreren over Kafka’s Gedaanteverwisseling, over Ik heb altijd gelijk, over iemand een geweten schoppen. Vooraan zat een meisje uitgedost als personage uit een griezelkabinet, men noemt het gothic. Haar ogen zwart van de mascara, haar blik op oneindig, ze had iets versteends, alsof ze elk moment van innerlijke ellende uit elkaar kon vallen. Ze deed me me nog zieker voelen. Op weg naar buiten aan het einde van de lezing hield ze me staande. Ze vroeg door op de thema’s die ik had aangesneden, tot ze overal een antwoord op had. Ze had geluisterd en begrepen. Ze bedankte me voor de lezing. Ik had een belangrijke les geleerd: don’t judge a book by its cover.
Een andere keer had ik een klas in de Flevopolder. Het was mijn tweede bezoek aan de school, het vorige was me slecht bekomen. Veel ruis. Veel gedoe. Niemand las. Ik besloot het roer om te gooien en hen te laten vertellen; ik gaf hen een rollenspel waarin ze zelf de dramatische lijnen uitgooiden. Ze speelden een scène uit mijn leven na, de eerste dag op de kleuterschool, mijn ontmoeting met de Nederlandse taal. Het werkt altijd, deze workshop, leerlingen spelen de rol van moeder, vader, kind en juf. Het leidt tot hilariteit, storytelling en literaire kennis: empathie, conflict, spanningsopbouw. Daarna over de Poëtica van Aristoteles vertellen is een piece of cake.


De auteur moet vertellen als was hij Sheherazade die de koning met haar verhalen aan haar lippen laat hangen

Daar was ik mee bezig toen midden in mijn workshop twee dames kwamen binnen gewandeld, echt twee diva’s, hooghartig, zelfingenomen. Ze gingen zitten en eisten alle aandacht op. Een van beiden had denkelijk een Afrikaanse achtergrond, een zwarte koningin, klaar om naties te besturen. Haar uitstraling boven alles verheven. Ze zag in mij een indringer. Een rare snijboon. Ze keek me spottend aan. Ik nam de uitdaging aan. Ik dacht: ik kan haar streng toespreken, maar daarmee maak ik haar positie alleen maar sterker en ondermijn ik de mijne. Ik wilde verder met mijn workshop, dus koos ik ervoor haar de kans te bieden mee te doen. Ik nam een risico, want zulke eigenzinnige types laten zich maar moeilijk regisseren.

Maar het pakte fantastisch uit. De Afrikaanse koningin ging helemaal op in het spel. Ze speelde haar rol geweldig, met humor, met brille en glunderende ogen. Missie geslaagd. Het langzame besef dat indaalt dat je iets bijzonders hebt gedaan – bij de rest van de klas. Literatuur is inlevingsvermogen, is strijd, is passie, is ik en jij en wij.

Schrijvers zijn een bonte verzameling paradijsvogels. Sommigen opvallend kleurloos, anderen opvallend uitbundig. Niet alle schrijvers zijn sprekers, niet alle auteurs gedijen in de sfeer van klaslokaal en aula. Maar een ontmoeting met een schrijver kan een leerling tot lezer maken. Het kan een existentiële ervaring opleveren die een heel leven lang meegedragen wordt. Literatuur boort individualiteit aan. Willen we dat niet allemaal? Dan is het belangrijk om de middelen en de energie vrij te maken waardoor dat schrijversbezoek vruchtbaar verloopt. Literatuur heeft een bildungscomponent: door middel van verhalen de taalvaardigheid ontwikkelen. Zet daar op in. Richt meer ruimte in voor de ontmoeting, werk ernaartoe en bouw op scholen aan een traditie van schrijversbezoeken. De docent is belangrijk, maak de docent belangrijk. Het boek is belangrijk, maak het boek belangrijk.

 
Omhoog

Hoe kinderen leren in een speelhuisje

 

Je moedertaal leren, daar start je mee zodra je geboren wordt. Met het speelhuisje ontwikkeld door Paula Fikkert hoogleraar Eerste taalverwerving aan de Radboud Universiteit Nijmegen kunnen kinderen, met een niet-Nederlandse achtergrond, in een vroeg stadium spelenderwijs Nederlands leren.

Radboud Universiteit

https://youtu.be/rtAva2VS4tg    2’58”

Omhoog

Woorden zijn geen oorden –Flip G. Droste

 

[Oud Vlaams spreekwoord: Op woorden kun je niet bouwen; Woorden zijn onbetrouwbaar;
Taal dekt niet de werkelijkheid
]

Dat taal er niet altijd in slaagt de werkelijkheid vast te leggen, is een vaak terugkerend thema in de filosofie. Zo betoogt ook Verhoeven dat taal een barrière kan vormen als zaken die onze verwondering wekken onder woorden gebracht moeten worden. Hetgeen veelal eerder te wijten is aan een teveel dan aan een tekort aan woorden [1]. Als Wittgenstein zijn vermaarde Tractatus besluit met het wat treurige adagium “Waarvan je niet kunt spreken, daarover moet je zwijgen” [2] lijkt dat ook aan een tekort van de  taal te wijten. En Chomsky meent “hoewel taal machtig en creatief is, hebben de kracht en de creativiteit ervan hun grenzen” [3]. Ook hier blijkbaar een grens waar de woorden niet overheen kunnen.

Waar het hier in essentie om draait is betekenis, de relatie tussen de talige representatie en datgene wat er door wordt aangeduid. Tekortschieten van het betekenisproces dus. Dat is geen kleinigheid: wij blijken immers niet buiten dat proces om te kunnen, op welk geestelijk niveau dan ook. Niet lang geleden vloog een rotsblok uit de ruimte onze dampkring binnen: een groot, sigaarvormig object dat met een snelheid van 40 km/sec fel brandend voortvloog. Onmiddellijk barstten speculaties los over de mogelijke interpretatie van dit verschijnsel. Was het een verkenner uit de ruimte? Een ruimteschip met een kapotte motor? Een spion of, erger nog, de aankondiging van een aanstaande apocalyps? Eén ding: het moest wel een betekenis hebben, immers “we kunnen niet tegen betekenisloosheid” [4].


Lees in Neerlandisatiek het hele essay van Filip G. Droste


Omhoog


De onbekende maar toch belangrijke auteur R.A. Basart overleden

 

 

+ R.A. (Ron) Basart

Toef Jaeger in NRC

„Er was één overweging die me moed gaf, ze kenden me niet.” Dit schreef de dinsdag overleden schrijver R.A. Basart (1946-2019) in 1976. Het is het begin van een kort verhaal waarin een man vertelt over een operatie waarbij zijn neus is beschadigd – hij moet gaan lesgeven en het enige dat de hoon kan verzachten, is dat ‘ze’ hem nog niet kennen. Die moed wordt de grond in geboord; het loopt niet goed af.
Op dat moment was Basart een schrijver die ‘ze’ nog niet kenden, maar hij was er het type niet naar om daaruit per se moed te putten. Daarvoor was de zelfrelativerende humor te zeer aanwezig. Een jaar eerder was hij gedebuteerd met de dichtbundel Oranjebal. Hij kreeg er prompt de Fontijnprijs voor, een aanmoedigingsprijs, uit handen van een jury met geestverwanten als Gerrit Komrij, Mensje van Keulen en Guus Luijters.

Lees de hele tekst

Arjan Peters – in De Volkskrant

Tegenslag en welbespraaktheid typeerden dichter en schrijver R.A. Basart (1946-2019)

Hij was al leraar Nederlands te Hilversum, en niet van zins die baan op te geven, toen hij debuteerde als ironisch dichter met Oranjebal (1975). In die bundel vergelijkt Ronald Albert Basart, die dinsdag op 72-jarige leeftijd is gestorven, de ochtend met een ouwe vrijster in een plastic regenjas, ‘krom van verwijten./ Eerst poogt ze mij de polsen door te snijden,/ maar dat mislukt. Dan maar ontbijten.’

Lees de hele tekst

Omhoog

Edward van de Vendel gastschrijver Rijksuniversiteit Groningen


 

Edward van de Vendel (Leerdam, 1964) groeide als oudste van drie kinderen op in een echt onderwijsgezin: zijn vader was hoofd van een christelijke basisschool en zijn moeder was kleuterjuf. Na de middelbare school in Culemborg, waar hij lid was van het schoolcabaret en liedjes ging schrijven, studeerde hij aan de Pedagogische Academie en richtte hij samen met anderen een eigen school op in Heemstede. Vier jaar lang was hij daar directeur, toen wilde hij zelf weer voor de klas en ging hij lesgeven op een school in De Groeve. Van de Vendel woont nu in Rotterdam. Hij geeft gastcolleges op de Hogeschool van de Kunsten in Utrecht, geeft lezingen over zijn eigen werk en hij schrijft: gedichten, toneel, jeugdromans en non-fictie. Zijn eerste gedichten schreef hij tijdens zijn studie. Hij publiceerde ze in de Blauw Geruite Kiel, de jeugdbijlage van Vrij Nederland. In 1996 verscheen zijn eerste bundel, Betrap me. Voor Gijsbrecht, de bewerking van het drama van Vondel uit 1637, ontving hij in 1999 de Gouden Zoen en ook zijn eerste jongerenroman, De dagen van de bluegrassliefde, werd bekroond met de Gouden Zoen. Dom konijn werd in 2001 bekroond met een Zilveren Griffel. Ons derde lichaam werd bekroond met een Gouden Zoen en voor Opa laat zijn tenen zien ontving hij een Zilveren Griffel. Het boek Sofie en de pinguïns, dat hij samen met Floor de Goede en Ype & Willem maakte, kreeg in 2011 de Pluim van de Senaat van de Kinderjury. Edward van de Vendel kreeg grote bekendheid door zijn vrolijke Superguppie-kinderliedjes. Superguppie werd bekroond met de Woutertje Pieterse Prijs, een Zilveren Griffel en een Vlag en Wimpel voor de illustraties. Hij schreef ook het Kinderboekenweekgeschenk voor 2005: Wat rijmt er op op puree? Edward van de Vendel was ook de initiatiefnemer van de Slash-serie, waarvoor hij in 2008 het eerste deel schreef: De gelukvinder. Op bol.com vind je alle boeken van Edward van de Vendel, waaronder zijn nieuwste boek.

Edward van de Vendel geeft lezingen en werkcolleges aan de Rijksuniversiteit Groningen

Kinder- en jeugdboekenschrijver Edward van de Vendel wordt de nieuwe gastschrijver van de Rijksuniversiteit Groningen. In drie lezingen en een openbaar interview zal hij zich komend najaar buigen over klassiekers uit de kinder- en jeugdliteratuur, queerboeken en literatuur op het Eurovisie Songfestival. Daarnaast verzorgt hij voor een geselecteerde groep studenten werkcolleges.


Omhoog


Brochure 'Virtual reality in het onderwijs'

 

Datum 10 maart 2016

Hoofdredactie Remco Pijpers? Strategisch adviseur Kennisnet
Coördinatie & eindredactie Simone Barneveld

Deze publicatie van Kennisnet vertelt je wat virtual reality (VR) voor het onderwijs kan betekenen?
Maakt VR de lesstof aanschouwelijker? Kan het een plaats krijgen in toekomstgericht onderwijs?
In de brochure 'Virtual reality in het onderwijs' komen deskundigen en leraren aan het woord over de (on)mogelijkheden van VR in het onderwijs.

In pdf-formaat omvat de brochure 22 bladzijden.

Gebruik

Deze publicatie is geen pleidooi voor VR in het onderwijs, maar een introductie op het thema. In de brochure vind je interviews met een aantal gerenommeerde deskundigen, die kritisch zijn en enthousiast, net als een paar leraren. Na het lezen ben je op de hoogte van een trend waarvan je de komende tijd nog een hoop zult horen.

Omhoog
 
 

De recente berichten op de Facebookpagina van het NDN

De onderwijskundige actualiteit Nederlands in informatieve berichten
taal, didactiek, literatuur...


Klik op >
LEES DE BERICHTEN
of hieronder:

 
 


NDN-Facebookpagina


We vestigen de aandacht op de vele interessante artikelen op de Facebookpagina van het NDN. Het gaat hier om 10 berichten vanaf 17 juni tot 6 juli 2019. Het nieuwste bericht staat eerst, het oudste laatst.

Klik op het Facebookicoontje of log in met je Facebookaccount. Vanaf 8 februari 2018 hebben we een nieuwe pagina gecreëerd 'Netwerk Didactiek Nederlands-2'
.
U bereikt ze ook via @netdidned.be.





  • HSN CONFERENTIE ONDERWIJS NEDERLANDS
    ZWOLLE – HOGESCHOOL WINDESHEIM VR. 22 EN ZAT 23 NOVEMBER 2019


    6 juli 2019

    De HSN-conferentie is een jaarlijkse conferentie over het onderwijs Nederlands in alle delen van Nederland en Vlaanderen, en op alle niveaus: primair en secundair onderwijs, beroepsonderwijs, hoger onderwijs, Nederlands voor anderstaligen. U kunt kiezen uit zeker tachtig presentaties. Bovendien kunt u op beide dagen de informatiebeurs bezoeken waarop Vlaamse en Nederlandse (educatieve) uitgevers en vakverenigingen hun publicaties voorstellen. De conferentie vindt om en om plaats in Nederland en Vlaanderen (Nederland in oneven jaren).

    De belangstelling is al geruime tijd groot. Wie nog een hotelkamer wil boeken voor die dagen, moet er heel vlug bij zijn.

    Sinds enkele dagen staat het programma van de conferentie online op de website van de HSN-Conferentie.
    Er zijn niet minder dan twaalf (12) stromen waaruit de deelnemers hun persoonlijk conferentieprogramma kunnen samenstellen.

    Als u belangstelling hebt, analyseer ter oriëntering nu het gepresenteerde programma via deze koppeling:

    https://hsnconferentie.org/programma


  • DRIE METHODEN VAN ZWARTMAKERIJ 

    Matthias Storme

    30 juni 2019

    Dit zijn ze: etikettering, foute meningen en diabolisering.
    De hoogleraar, jurist en nog zoveel meer licht nauwkeurig toe hoe die drie methoden in het discours en in de media worden gehanteerd.
    Interessant voor wie opinieartikelen kritisch wil lezen, alleszins voor wie daartoe de tijd neemt.

    https://doorbraak.be/drie-methoden-voor-zwartmakerij/



  • STEFAN HERTMANS AAN DE ACHTTIENJARIGEN

    29 juni 2019

    Denk in verzoeningen, blijf een zwerver

    Achttienjarigen verlaten de middelbare school, gaan zich specialiseren en kruipen in een bubbel. Stefan Hertmans hoopt dat alfa’s en bèta’s elkaar niet uit het oog verliezen.

    Geachte studenten,

    U studeert vandaag af, en daar wil ik u van harte mee feliciteren. U hebt een opleiding van zes jaar achter de rug, waarin u geleidelijk aan geworden bent wie u nu bent. Die vorming heeft u door de jaren heen toegelaten om bepaalde keuzes te maken. Zo zijn er onder u die wetenschappen kozen, anderen deden klassieke of moderne talen of hadden een voorkeur voor brede cultuurvakken.

    Lees zijn hele toespraak
    https://www.standaard.be/cnt/dmf20190628_04484680…


  • OP ZOEK NAAR UITSTEKENDE RECENTE LITERATUUR? 

    23 juni 2019

    De Tussenstand: dit zijn de beste boeken van 2019 tot nu toe

    Roderick Six

    Met de helft van het culturele jaar achter de kiezen maakt Knack Focus de voorlopige balans op. Vandaag: de beste boeken van het jaar tot nu toe.

    https://focus.knack.be/…/de-…/article-longread-1479331.html…&



  • AFRIKAANS BRUG TUSSEN AFRIKA EN EUROPA   

    21 juni 2019

    Stef Bos zingt “Gelukkig” in het Afrikaans

    Wat is mooier as die woorde: “Jy is my hart se punt”. Stef Bos sing sy liedjie, Gelukkig, saam met Frazer Barry en Riku Lätti – ‘n produksie van Die Wasgoedlyn.

    https://youtu.be/HJXNcpy9dAs 4’59



  • GEEN WERVENDE POËZIE- OF TONEELKRITIEK MEER – JAMMER   

    Yves T’Sjoen

    20 juni 2019

    Literaire bijlagen in Vlaamse kranten, zoals een eeuwigheid geleden 'Boekbedrijf' en 'Café des Arts' in De Morgen en het afzonderlijke katern 'De Standaard der Letteren', zijn vandaag gekrompen tot een handvol artikels. Boekbeoordelingen zijn hoogstens nog signalementen. Onbestaand zijn de meer uitgesponnen recensies die de literaire tekst zelf bespreken. De kwalijke ontwikkeling wordt al vele jaren aangekaart. Iedereen die we daarover horen, betreurt de nivellering van de journalistieke literatuurkritiek. Cultuurarmoede. Managers van krantenconcerns zijn niet te vermurwen. Het aandeel van de literatuurbeschouwing is onbetekenend in de gedrukte pers. …

    Lees verder
    https://www.knack.be/…/werven…/article-opinion-1477709.html…&



  • HARTVERHEFFEND NIEUWS VAN HET BESTUUR VAN DE INTERNATIONALE VERENIGING VOOR NEERLANDISTIEK (IVN)  

    20 juni 2019

    De studie van het Nederlands in het buitenland is de laatste tijd herhaaldelijk in de media geweest.
    Het IVN-bestuur is blij u dat te kunnen meedelen met daarbij de verwijzing in koppelingen naar de verschillende artikelen die in de pers zijn verschenen.
    Ook ander nieuws komt aan de orde.
    Overloopt u het even op deze pagina?

    G.D.

    https://www.ivn.nu/mailer/newsletter/render…



  • GEGEVENS OVER DE VLAAMSE LERAREN IN HUN KLAS  

    19 juni 2019

    Bron: Belga

    Vlaamse leraren uit het lager onderwijs en de eerste graad secundair onderwijs staan met het nodige zelfvertrouwen en geloof in eigen kunnen voor de klas. Een grote meerderheid is ook tevreden met zijn job. Dat leidt ontslagnemend Vlaams minister van Onderwijs Hilde Crevits (CD&V) af uit het TALIS-onderzoek (Teaching and Learning International Survey) van de OESO.

    Toch bevat het rapport ook knipperlichten. Zo signaleren leerkrachten meer problemen met discipline en ordehandhaving in de klas en komt intimidatie en pesten onder leerlingen veel vaker voor dan het Europese gemiddelde.
    Lees het hele bericht

    https://www.standaard.be/cnt/dmf20190619_04468527…



  • TAALUNIE-RAPPORT: HOE ONDERSTEUNEN ANDERE EUROPESE LANDEN HUN EIGEN TAAL EN LITERATUUR IN HET BUITENLAND? EN HOE ZIT HET MET NEDERLANDS ALS VREEMDE TAAL?MANAGEMENTSAMENVATTING VAN EEN VERGELIJKEND ONDERZOEKSRAPPORT 

    18 juni 2019

    Titel: Taalbeleid in Europa   

    Annelies de Jonghe

    De samenvatting bevat een korte inleiding, het doel van het onderzoek, de conclusies en discussiepunten en verwijzingen.

    Bij de andere onderzochte landen maakt het onderwijs van taal en cultuur in het buitenland deel uit van het buitenlands beleid. In het Nederlandse taalgebied staat de Nederlandse Taalunie in voor dat beleid.

    Lees de hele managementsamenvatting
    http://taalunieversum.org/…/Factsheet%20Managementsamenvatt…



  • HABITUS’, BEKROONDE DICHTBUNDEL VAN RADNA FABIAS    

    17 juni  2019

    Recensie Remco Ekkers

    Poging om de chaos te overwinnen.

    ‘Habitus’ betekent verschijningsvorm. Pierre Bourdieu bedoelt er een duurzame manier van waarnemen, denken en handelen mee, waarmee mensen zich in een ‘maatschappelijk veld’ kunnen handhaven en verder kunnen komen.

    https://www.tzum.info/2018/06/recensie-radna-fabias-habitus/

 


 
Colofon
Bestuur van het Netwerk Didactiek Nederlands:
  • José Vandekerchove, voorzitter
  • Ghislain Duchâteau, vicevoorzitter
  • Carl Brüsewitz, secretaris
  • Nora Bogaert, bestuurslid
  • Tamara Bollaert, bestuurslid
  • Jan Lecocq, bestuurslid
  • André Mottart, bestuurslid

  • Hugo de Jonghe +, erevoorzitter
  • Frans Daems, erebestuurslid

Contributie

- Gewoon lid worden van het Netwerk Didactiek Nederlands kunt u door storting van 20
- Steunend lid zijn kunt u door storting van € 25
op rekening IBAN = BE05 0011 4997 1675; BIC = GEBABEBB van NDN, Wilrijk

Voor (onderwijs)instellingen en vakgroepen is een groepslidmaatschap mogelijk.
Dat houdt in:
- Om van een groepslidmaatschap te genieten moeten minimum drie (3) leden van een instelling toetreden.
- Per lid wordt binnen het groepslidmaatschap 2,5 euro korting gegeven, dus per lid wordt het dan 17,5 euro.
- Voor drie leden binnen het groepslidmaatschap betekent dat de storting van 17,5 euro x 3 = 52,5 euro
- Voor vijf leden binnen het groepslidmaatschap betekent dat 17,5 euro x 5 = 87,5 euro.

Het lidmaatschap loopt van 1 januari tot 31 december 2019.

Donaties zijn heel welkom

 
Redactie van de Nieuwsbrief van het NDN :
Ghislain Duchâteau
Tel. : 0032(0)11/22 86 25
E-post : info@netdidned.be
 
Afmelding
Wie deze nieuwsbrief liever niet ontvangt, kan zich afmelden met een berichtje naar info@netdidned.be