www.netdidned.be
Hoofdpagina
Bestuur
NDN-activiteiten
Bint
Agenda
Actuele berichten
Ideeën / reacties
Archief
Lidmaatschap
Publicaties
Koppelingen
NDN-Nieuwsbrief
 Zoek op de site van NDN:  
 Powered by freefind
 
 
 

Publicaties

Index:

- Boeken

Recent 2010-2017

- Geschiedenis van het talenonderwijs in Nederland - Onderwijs in de moderne talen van 1500 tot heden - Hans Hulshof, Erik Kwakernaak, Frans Wilhelm - Uitg. Passage Groningen 2015
- Uitdagend gedifferentieerd vakonderwijs
Praktisch gereedschap om je onderwijsrepertoire te blijven uitbreiden
Fred Janssen, Hans Hulshof, Klaas van Veen - maart 2016

- Het Boekenboek, een inspiratiegids
- Johan Slauerhoff opnieuw in de belangstelling door de publicatie van zijn Brieven
- 'Heruitvinding van het vak Nederlands - Schrijfonderwijs op weg naar 2032' Ad Bok
- Blog en boek over binnenklasdifferentiatie (jan.-april 2016)
- Geschiedenis van de Nederlandse literatuur
-
Bloed en rozen - Deel 6 van de Geschiedenis van de Nederlandse literatuur
- Een land van waan en wijs - Geschiedenis van de Nederlandse jeugdliteratuur - De publicatie overschouwd
- Onderwijs voor de 21ste eeuw. Een boek voor leerkrachten en ouders - Kris Van den Branden
- Floris ende Blancefloer, voluit opnieuw beschikbaar voor de les
- Genres in schoolvakken - Taalgerichte didactiek in het voortgezet onderwijs -Bart van der Leeuw, Theun Meestringa -15 november 2014
- Sprankelende verzen van Annie M.G. Schmidt 'DIE VAN DIE VAN U' - oktober 2014
- Over leraren en hun opleiding - Twee recente boeken
- Sprekend leren. Wanneer groepswerk écht rendeert in het lager onderwijs - Jan T'Sas (juni 2013)
- Handboek Taalbeleid Secundair Onderwijs - Kris van den Branden en Nora Bogaert (juni 2011)
- Ideeënboek Sociale media in het onderwijs - Erno Mijland (maart 2011)
- 'Naar taalkrachtige lerarenopleidingen. Bouwstenen voor taalbeleid' red. Dorothea Van Hoyweghen - uitg. Plantyn
- Het nieuwe "Groot Woordenboek Afrikaans en Nederlands (ANNA)"
- Taalbeleid in het hoger onderwijs: de hype voorbij? Elke Peters en Tine Van Houtven mei 2010
- Taal in het onderwijs. Van academicus tot zittenblijver - Peter Debrabandere uitg. Acco sept. 2010

Eerder

- 'Over grenzen - Oor grense - Een vergelijkende studie van Nederlandse, Vlaamse en Afrikaanse poëzie | 'n Vergelykende studie van Nederlandse, Vlaamse en Afrikaanse poësie' Ronel Foster, Yves T'Sjoen en Thomas Vaessens (red.) - uitg. Acco Leuven Den Haag 2009
- Literatuur leren lezen in dialoog - Tanja Janssen
- Taalbeleid in de praktijk. Een uitdaging voor elke school (rec.)
- Handboek Taalgericht Vakonderwijs 2e druk 2009
- Competent, een algemene didactiek in 100 lemma's (Van In, 2009)
- Een Vlaamse diplomaat schreef een boeiend boek over Zuid-Afrika.
“Verhalen van een vervelling. Zuid-Afrika zwart op wit” door Bart Pennewaert (Uitg. Manteau 2008)

- Het schoolvak Nederlands opnieuw onderzocht (dec. 2008)
- Het oog van de meester - Theo Witte
-
Literaire competenties: hoe bepaal je het leesniveau van je leerllingen?
-
Dyslectisch en dan...? - Bieke De Becker
- De leraar taalvaardig - René Berends
- Taalkunde voor de Tweede Fase van het VWO - Hans Hulshof, Maaike Rietmeijer en Arie Verhagen

- Andere publicaties

- Onderzoeksrapport Staat van het Nederlands (Taalunie, Meertens Instituut, UGent)

- IEDEREEN TAALCOMPETENT! Visie op de rol, de positie en de inhoud
van het onderwijs Nederlands in de 21ste eeuw   -   25 januari 2017

- Neerlandistiek.nl

- Literatuurplein

- Over taal gesproken - op Kennislink

- Lezen in het basisonderwijs opnieuw onderzocht
Een inventarisatie van empirisch onderzoek van 2004 tot 2015

- Leraars voor leraren Ontwikkelingsprofiel Vlaamse Lerarenopleiders - versie 2015

- Presentatie met powerpoint over de geschiedenis van de taalzorg en taaladvisering in Vlaanderen door Peter Debrabandere

- Blauwkruikje - maakt kant-tekeningen - website of webblog - van een Germaniste die teksten publiceert over haar lectuur, fictie en non-fictie vanaf 2010 en chronologisch of per jaartal gerangschikt

- VAKPORTAAL NEDERLANDS SLO

- Handboek Literatuuronderwijs 2015-2016 Lijst of Lezer

- Gewildste Afrikaanse gedichten - De 100 topgedichten in het Afrikaans

- Taalbeschouwing volgens de nieuwe eindtermen en het nieuwe leerplan Nederlands
voor de tweede graad - Jan Uyttendaele


- Beoordeling van en feedback op schrijfvaardigheid. Een handreiking voor de tweede fase voortgezet onderwijs, Tido Ekens en Theun Meestringa m.m.v. 4 docenten - SLO-brochure

- Kennisbasis ICT 2013 – een bewuste zijsprong

- Toolkit Breed Evalueren (TBE)
voor de competenties Nederlands in het secundair onderwijs


- Duurzaam onderwijs - blog van Kris Van den Branden

- Spellingonderwijs: Tijd voor een andere aanpak? Artikel in 'Leerrijk' van Jan Uyttendaele

- Themanummer Taal tijdschrift  VVL-Ideeën  
van de Vereniging Vlaamse Leerkrachten (VVL)

- Technisch lezen in het basisonderwijs. Een inventarisatie van het empirisch onderoek door Helge Bonset en Mariëtte Hoogeveen - SLO - nationaal expertisecentrum leerplanontwikkeling - december 2012

- Verkenningen een nieuwe publicatiereeks van de Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde (KANTL)

- HTNO: brug tussen onderzoek en onderwijs
Het Taalonderwijs Nederlands Onderzocht - Ed Olijkan en Hanneke de Weger/ Nederlandse Taalunie - mei 2012

- Advieslijst taalbeschouwelijke termen Nederlands 2012
Vlaams Ministerie van Onderwijs en Vorming - Agentschap voor Kwaliteitszorg in Onderwijs en Vorming

- Popular Linguistics Magazine op het internet

- Mondelinge taalvaardigheid in het basisonderwijs - Een inventarisatie van empirisch onderzoek
door Helge Bonset en Mariette Hogeveen - SLO - nationaal expertisecentrum leerplanontwikkeling - juli 2011

- Conceptnota 'Samen taalgrenzen verleggen' - talennota van het Ministerie van Onderwijs en Vorming -
versie 22 juli 2011

- Taalbeschouwing - Een inverntarisatie van empirisch onderzoek in basis- en voortgezet onderwijs
door Helge Bonset en Mariette Hogeveen - SLO - nationaal expertisecentrum leerplanontwikkeling - december 2010

- Woordenschatontwikkeling in het basisonderwijs - Een inventarisatie van empirisch onderzoek
door Helge Bonset en Mariette Hoogeveen - SLO – nationaal expertisecentrum leerplanontwikkeling – juni 2010

- Taalbeleid in de lerarenopleiding: percepties van studenten en docenten - verslag van een bevraging

- Taalkunde en het schoolvak Nederlands - special Levende Talen - 6 mei 2010

- Talige startcompetenties Hoger Onderwijs - Publicatie Nederlands/Vlaams Platform Taalbeleid Hoger Onderwijs - SLO van de hand van Helge Bonset en Hans de Vries - aug. 2009

- Kennisbasis voor Nederlands voor Nederlandse onderwijzersopleidingen

- De Technische Handleiding regels voor de officiële spelling van het Nederlands

- De conferentiebundels van de HSN-conferenties staan alle online op Taalunieversum

- Lezen in het basisonderwijs. Een inventarisatie van empirisch onderzoek naar begrijpend lezen, leesbevordering en fictie - Helge Bonset en Mariette Hoogeveen SLO 2009 (hier te downloaden)

- Taal centraal - Taalbeleid in het Nederlandse en Vlaamse onderwijs
Speciale uitgave van Levende Talen Magazine - 2009

- De cultuur van het lezen - Ronald Soetaert

- Aan het werk! Adviezen ter verbetering van functionele leesvaardigheid in het onderwijs - Publicatie van een Werkgroep van het Platform Onderwijs Nederlands van de Nederlandse Taalunie - 2008

- In de kijker bij de Nederlandse Taalunie - december 2008

- Eindrapport Expertgroep Doorlopende Leerlijnen Taal en Rekenen (H. Meijerink)

- Taalpeil 2012 en vorige

- Taalprof Plein

- Taalschrift

- Tijdschriftenoverzicht

- Tijdschrift voor leraren Fons

- Tijdschrift voor lerarenopleiders Velon

- Tijdschrift 'MeerTaal'

- Tijdschrift 'Onze Taal'

- Tijdschrift 'Over taal'

- Tijdschrift VakTaal (IVN)

- Taalunie : Bericht

- De vakcommunity Nederlands en de Nieuwsbrief

- Adviezen van de Raad voor Taal en Letteren van de Nederlandse Taalunie


Omhoog

Boeken

Recent 2010-2017

 

Geschiedenis van het talenonderwijs in Nederland - Onderwijs in de moderne talen van 1500 tot heden - Hans Hulshof, Erik Kwakernaak, Frans Wilhelm - Uitg. Passage Groningen 2015 - 468 blz.

ISBN: 9789054523154

Dit boek beschrijft de geschiedenis van het onderwijs in moderne talen (eerst Frans en Nederduits) in Nederland vanaf ongeveer 1500 tot heden. Zowel de maatschappelijke context als de educatieve context wordt belicht voor Nederlands en moderne vreemde talen afzonderlijk.

De auteurs-taaldidactici hebben de uitvoerige beschrijving (468 pagina's) opgedeeld in vijf hoofstukken, waarin de volgende periodes worden beschreven: 1500 - 1800; 1800 - 1860; 1860 - 1930; 1920 - 1970; 1970 - heden. Elk hoofdstuk kent een paragraaf Maatschappelijke context, waarin aandacht wordt besteed aan de economische, politieke, sociale en culturele context en aan het onderwijsstelsel in die periode, en een paragraaf Educatieve context, waarin ingegaan wordt op de pedagogisch-didactische context, het taalonderwijsaanbod, de taalleraren, het moedertaalonderwijs en het vreemdetalenonderwijs.

In het zesde en laatste hoofdstuk Hoofdlijnen, beschouwen de auteurs de ontwikkelingen in opvattingen en dilemma's, visies en trends en patronen. Het boek sluit af met een bibliografie en namenregister.

De tekst geeft antwoord op vragen als: Wat werd door de jaren heen binnen die vakken onderwezen? Hoe werd er onderwezen? Met wat voor leermiddelen en met welke didactische aanpak? Door wat voor onderwijzers en leraren? Wie waren de toonaangevers?

Recensie van Peter-Arno Coppen in het ts. Levende Talen 17e Jg. nr. 4 dec. 2016 blz. 47-51.

Zie ook de recensie in de NDN-NIeuwsbrief 29-2 jan. 2017

Omhoog

Uitdagend gedifferentieerd vakonderwijs
Praktisch gereedschap om je onderwijsrepertoire te blijven uitbreiden

Fred Janssen, Hans Hulshof, Klaas van Veen - maart 2016

Universiteit Leiden – Rijksuniversiteit Groningen


__________________


Voorwoord


Iedere docent zal met plezier terugkijken op de eigen lessen waarin de leerlingen werden uitgedaagd en zichzelf overtroffen. In dergelijke uitdagende lessen leren leerlingen niet alleen veel van jou, maar leer jij ook vaak weer iets nieuws over lesgeven. Je hebt dan immers vaak iets nieuws uitgeprobeerd dat goed uitpakte. In dit boek wordt een praktische toolkit aangereikt waarmee je je onderwijsrepertoire van gedifferentieerd uitdagende lessen bijna eindeloos kan uitbreiden. Daarbij bouw je telkens stapsgewijs voort op wat je wil en al kan, zodat je in flow blijft en zowel controleverlies als verveling wordt voorkomen. Kenmerkend voor onze benadering is dat voor elke stapsgewijze vernieuwing telkens jouw bestaande lesonderdelen als uitgangspunt worden genomen. We laten zien dat je door omdraaien en selectief weglaten van bestaande lesonderdelen iedere les snel en eenvoudig gedifferentieerd uitdagend kunt maken.

In Deel 1 van dit boek wordt de toolkit geïntroduceerd en geïllustreerd met voorbeelden van verschillende schoolvakken en worden de diverse gebruiksmogelijkheden praktisch besproken. Daarbij wordt de toolkit ook telkens uitgebreid met nieuwe bouwstenen waardoor de gebruiksmogelijkheden toenemen. We laten tevens zien dat de toolkit niet alleen kan worden gebruikt voor het uitbreiden van je eigen onderwijsrepertoire, maar dat leerlingen de toolkit in het kader van meer gepersonaliseerd onderwijs ook kunnen gebruiken voor het uitbreiden van hun leerrepertoire.

In Deel 2 van dit boek worden de theoretische achtergronden van deze toolkit uiteengezet. Ons uitgangspunt daarbij is dat bij goed algemeen vormend onderwijs de drie hoekpunten van de didactische driehoek (inhoud, leerling en docent) op elkaar zijn afgestemd. Kort gezegd: in goed onderwijs verwerven leerlingen waardevolle inhouden, op een wijze die voortbouwt op wat een leerling wil en kan (leerbaar) en praktisch uitvoerbaar is voor de docent. We bespreken achtereenvolgens theorievorming over de vragen wat waardevolle inhouden zijn, wat leerbaar is voor leerlingen en wat praktisch is voor docenten. Tevens laten we zien hoe de toolkit bijdraagt aan het vormgeven van goed algemeen vormend onderwijs.

Tot slot bevat Deel 3 vakkaternen met daarin voorbeelden en uitwerkingen van de toolkit voor de volgende vakken uit het basisonderwijs en het voortgezet onderwijs: Taal, Rekenen, Wereldoriëntatie, Moderne vreemde talen, Nederlands, Griekse en Latijnse taal en cultuur, Filosofie, Geschiedenis, Algemene Economie, Management & Organisatie, Maatschappijleer, Scheikunde, Biologie, Natuurkunde en Wiskunde.
De drie delen kunnen onafhankelijk van elkaar worden gelezen waardoor je als lezer ook zelf kan kiezen waarmee je zou willen beginnen. Als je meteen meer wilt weten over de olifant en de blinde mannetjes op de voorzijde van dit boek blader dan even door naar pagina 30.

Fred Janssen Hans Hulshof Klaas van Veen
(blz. 5-6)

Vakspecifieke uitwerking voor Nederlands (blz. 141-155)
Anneke Wurth, Ad van der Logt, Peter Arno Coppen en Hans Hulshof

Voorbeelden en uitwerkingen voor Nederlands van de praktische toolkit

- Nederlands: een artikel schrijven
- Nederlands: kromme zinnen
- Nederlands: synoniemen
- Nederlands: spreken voor publiek
- Nederlands: literatuuranalyse
- Nederlands: taalvarianten en het Koningslied (onderbouw)

Visie op het schoolvak Nederlands nu en in de nabije toekomst

De visie op het schoolvak Nederlands en zijn relatie met de neerlandistiek als wetenschapsgebied is door de jaren heen aan veel schommelingen onderhevig geweest. Er zijn tijden geweest waarin de neerlandistische inhoud een vanzelfsprekend onderdeel van het schoolvak Nederlands was, maar er waren ook lange perioden waarin het schoolvak weinig ophad met de wetenschappelijke inhoud. In het verleden hebben veel neerlandici zich uitgesproken over de inhoud van het schoolvak, van Van Ginneken tot Van den Toorn en van Kalff tot Bennis. Maar er zijn, vooral in de laatste decennia, nog meer neerlandici geweest die het schoolvak min of meer genegeerd hebben.

Anno 2015 wordt het contact tussen de geesteswetenschappen en de betreffende schoolvakken actief aangehaald om in het algemeen de positie van de vakdidactiek binnen de geesteswetenschappelijke faculteiten te versterken. Meesterschapsteams, expertisegroepen bestaande uit vertegenwoordigers uit de faculteiten moeten in nauw overleg met relevante betrokkenen uit het onderwijsveld de problematiek in kaart brengen en met een actieplan komen.
Visie op het schoolvak

Uit gesprekken over het Schoolvak Nederlands² kan worden vastgesteld dat er een grote mate van overeenstemming bestaat tussen de taalkundigen, taalbeheersers en letterkundigen, maar ook tussen de onderwijsmensen en de wetenschappers. Iedere groep beseft dat schoolvak en wetenschap op dit moment te ver van elkaar vandaan staan. Een nauwere relatie tussen de twee kan allerlei kansen bieden voor verdieping van de huidige inhoud van het schoolvak. Voor het probleem dat veel werkvormen en toetsen op dit moment blijven steken op een oppervlakkig niveau lijkt het versterken van de kenniscomponent van het schoolvak, gevoed door de neerlandistiek, in elk geval een deel van de oplossing.

Gezamenlijk vindt men dat de taalvaardigheid – breder nog: de geletterdheid- van de leerlingen het belangrijkste doel van het schoolvak Nederlands is. Alles in het schoolvak is gericht op, of wordt afgemeten aan het belang voor de ontwikkeling van de geletterdheid van de leerling. Het gaat hier niet om de ‘kale’ taalvaardigheid van de leerling. Het onderwijs zou nu juist gericht moeten zijn op de bewuste geletterdheid en dat geeft de ruimte voor de kennisinhouden van de neerlandistiek. Zowel wetenschappers als onderwijsmensen spreken zich negatief uit over de leerling met behulp van magische ezelsbruggetjes en vuistregels tot een onbewuste taalvaardigheid te brengen. De leerling zou minstens moeten begrijpen wat de theoretische achtergrond van die vaardigheid is. Het onderwijzen van bijvoorbeeld de kofschip-regel is zinloos zonder de theoretische achtergrond dat het om stemhebbende en stemloze medeklinkers gaat.

Gewenste ontwikkeling van het schoolvak Het Schoolvak Nederlands zal zich volgens de inhouds- en praktijkdeskundigen de komende jaren steeds meer moeten gaan ontwikkelen vanuit de volgende vier uitgangspunten:

1. Het schoolvak Nederlands moet gaan over het Nederlands. Dit is niet vanzelfsprekend, aangezien het doel de taalvaardigheid van de leerling is. Echter, de taalvaardigheid zelf is niet het onderwerp van het schoolvak, dat is het Nederlands: de Nederlandse taal, in diverse verschijningsvormen, en de Nederlandse cultuur (waaronder met name de literatuur);
2. Het onderwijs in het schoolvak Nederlands moet gericht zijn op een bewuste geletterdheid, ‘voorbij de training van (deel)vaardigheden inzicht in eigen kennis en vaardigheden’ (zoals gemeld in het Manifest, 2015);
3. Het onderwijs in het schoolvak Nederlands is daarmee ook in wezen denkvaardigheidsonderwijs: het gaat niet om het mechanisch toepassen van regeltjes of het aanwijzen van vormelementen, het gaat om het redeneren en argumenteren, kortom het kritisch denken binnen het domein van het schoolvak (i.c. de Nederlandse taal en cultuur);
4. Als gevolg hiervan zou in de toetsing ook het nadenken beloond moeten worden: er zou moeten worden gestreefd naar wijzen van toetsing waarbij de redenering of de afweging van argumenten zichtbaar wordt, en beoordeeld kan worden.

Uitdagend gedifferentieerd lesgeven en het Schoolvak Nederlands Uitdagend gedifferentieerd lesgeven kan in belangrijke mate bijdragen aan het in de praktijk brengen van deze vier uitgangspunten. Werken met echte, hele taken en hulp bieden op maat kan voor iedere leerling immers inhouden dat op eigen niveau en tempo wordt gewerkt aan de eigen bewuste taalvaardigheid. De uitwerkingen voor uitdagend gedifferentieerd lesgeven in deze brochure illustreren dit: ze stimuleren de leerlingen om de redenering op hun eigen niveau aan te gaan, en zich niet te beperken tot mechanische regeltoepassing. Leerlingen gaan met elkaar in discussie, niet om gelijk te krijgen in een debat, maar om een probleem te verkennen, gezamenlijk tot een oplossing te komen en te werken aan hun vaardigheden. Zo kan uitdagend gedifferentieerd lesgeven niet alleen hulp bieden op maat, maar zo worden leerlingen bij het Schoolvak Nederlands ook beter voorbereid op hun toekomst.

Uitdagend gedifferentieerd vakonderwijs – blz. 153-155


Tot slot

Dit boek kan worden beschouwd als een beknopte voortgangsrapportage van een langlopend ontwerponderzoek over onderwijsrepertoireontwikkeling van docenten. Dit onderzoek is 15 jaar geleden gestart en is nog zeker niet afgerond. Een zeer groot aantal cycli van theoretische verkenningen, ontwerpen, uitvoeren en beproeven heeft geresulteerd in een theoretisch en empirisch onderbouwde benadering die in dit boek wordt gepresenteerd. Aanvankelijk richtte het onderzoek zich op alleen op repertoireontwikkeling van biologiedocenten. Geleidelijk aan is de doelgroep verbreed naar docenten van andere schoolvakken in het VO en PO en experimenteren we nu met toepassingen voor MBO, HBO en WO. Uitbreiding van de doelgroep heeft ook geresulteerd in een dito uitbreiding van de groep van collega’s (docenten, opleiders en onderzoekers) waarmee wordt samengewerkt. Deze samenwerkingsverbanden hebben onder meer geresulteerd in een nieuwe veld van onderzoek ‘practicality studies’. Dit onderzoek heeft als doel inzicht te verwerven in het praktisch denken en handelen van docenten en op grond hiervan methoden te ontwikkelen voor het praktisch maken van onderwijsvernieuwingen. (blz. 308)

________________

Voetnoot:

2 In 2015 werden twee symposia belegd, één door het Meesterschapsteam Taalkunde en Taalbeheersing en één door het Meesterschapsteam Letterkunde. In deze symposia kwamen wetenschappers, onderwijsgevenden, lerarenopleiders en methodeschrijvers bij elkaar om te spreken over de stand van zaken van het Schoolvak Nederlands en de gewenste toekomst. Hieruit volgde een manifest dat werd besproken met onder meer docenten en vakdidactici. Het werd vervolgens met een brief aangeboden aan het Platform Onderwijs2032.

Het boek is online beschikbaar als pdf.

 

Omhoog

Het boekenboek, een inspiratiegids

Veerle Vanden Bosch en Mijam Noorduijn

Dit najaar verscheen een nieuw naslagwerk over de Nederlandse en Vlaamse jeugdliteratuur. Het boekenboek is een rijk geïllustreerde bladergids waarin een ontstellende hoeveelheid titels, schrijvers en tekenaars wordt gepresenteerd. Wie erin begint, blijft lezen.


Lees het artikel ‘Wat een mooie boeken allemaal!’
door Joukje Akveld

Podium voor het kinderboek

Het idee voor een boek over Nederlandse en Vlaamse jeugdliteratuur kwam van Bart Moeyaert, schrijver van fictie en poëzie voor kinderen en volwassenen, was in 2014 door het Nederlands Letterenfonds en het Vlaams Fonds voor de Letteren aangesteld als artistiek intendant van de gastlandpresentatie van beide landen op de Frankfurter Buchmesse, die dit jaar in oktober plaatsvond. ‘Bart wilde een podium voor het Nederlandstalige kinderboek,’ zegt Noorduijn. …


A la Steinz

Voor de opzet lieten ze zich inspireren door de ‘boekwebben’ van Pieter Steinz. Heldere schema’s rond titels en thema’s met suggesties om verder te lezen en lijntjes naar inspiratiebronnen. ‘Een netwerk van 1001 boeken uit binnen- en buitenland, voor jong en volwassen, waarin vijftig grensverleggende Nederlandstalige kinder- en jeugdboeken en hun schrijvers, vijfentwintig illustratoren en vijfentwintig thema’s centraal staan,’ schrijven de auteurs in hun voorwoord. Steinz zelf staat ook in het boek: bij Het sleutelkruid wordt als feitje vermeld dat het boek van Paul Biegel zijn favoriete kinderboek was.

‘Aanvankelijk wilden we honderd titels centraal stellen, maar dan zou het boek te dik en te duur worden,’ zegt Noorduijn. ‘Het zijn er vijftig geworden, want we wilden ook onze “grabbeltonnen” kwijt, themahoofdstukken rond series, boekverfilmingen, beroemde duo’s, zoekboeken. Voor de selectie van de kerntitels hebben we gekeken naar beschikbaarheid, maar ook naar populariteit in het buitenland. De Frankfurter Buchmesse was immers de eerste aanleiding voor het boek; het idee is dat het buitenlandse uitgevers nieuwsgierig maakt naar titels die nog niet in vertaling zijn verschenen. Daarom is er gelijktijdig een Engelse vertaling van Laura Watkinson verschenen. Van de beide fondsen kregen Veerle en ik lijsten met vertaalde titels sinds 1954. Dat is het jaar waarin de eerste Kinderboekenweek plaatsvond, het vertrekpunt van ons boek. Op basis daarvan hebben we allebei een top 50 samengesteld. Onze lijstjes bleken voor 95 procent overeen te komen.' …


Lofzangers

Aan het boek ging veel research vooraf, zegt Noorduijn, en ook de schrijvers en tekenaars zelf werden benaderd voor een bijdrage. Alle vijftig kernauteurs vertellen over hun kunstenaarschap en inspiratiebronnen. Daarnaast zijn er opvallende feitjes over leven en werk en werd voor elke schrijver een ‘lofzanger’ gezocht. …

Mede dankzij die lofzangen werd Het boekenboek een enthousiasmerend, aanstekelijk boek dat al het moois in de jeugdliteratuur viert. ‘Een boek zonder maar’ zoals Kinderboekenambassadeur Jan Paul Schutten op Facebook constateerde.


Geen doelgroepen

Het schrijven met de strakke deadline vanwege Frankfurt was een enorme klus, zegt Noorduijn. Maar boven alles was het boek een logistieke puzzel om zoveel en zo divers mogelijk titels aan te dragen. …

Over twee zaken waren Vanden Bosch en Noorduijn het direct eens: om de grens tussen Nederland en Vlaanderen niet verder te benadrukken wordt in de biografieën van de schrijvers en tekenaars wel hun geboorteplaats, maar niet het land van herkomst genoemd – tenzij dat niet Nederland of België is, zoals bij Marit Törnqvist bijvoorbeeld. En bij geen enkel boek wordt de doelgroep vermeld. ‘Zet je 10+ bij een boek van Gideon Samson, dan denkt een volwassen lezer dat het niet geschikt is voor zijn neefje van acht. Terwijl er altijd kinderen zijn die boven hun leeftijd lezen, zoals er ook zevenjarigen zijn die nog graag een rentenboek pakken. Het boekenboek is voor volwassen lezers. Het is een inspiratiegids voor ouders en grootouders, voor docenten en eigenlijk alle volwassenen met belangstelling voor jeugdliteratuur.  Birk  van Jaap Robben is uitgegeven als literaire roman. Maar het had net zo goed young adult kunnen zijn; niet voor niets kreeg het van jongeren de Dioraphte Literatour Publieksprijs. Robben denkt en schrijft grensoverschrijdend. Dat wil Het boekenboek ook zijn.

Met onze selectie zeggen we: kijk wat een mooie boeken allemaal! We hopen de lezer op nieuwe ideeën te brengen. Die mag vervolgens zelf bedenken wie al dat moois het beste kan lezen.’ Het is immers zoals Martha Heesen zegt: ‘Een boek kan ook gewoon zijn zoals het is. Voor een bepaald soort kinderen en volwassenen. Niet voor iedereen.’

Het boekenboek,  Mirjam Noorduijn en Veerle Vanden Bosch, Leopold, € 34,99

Verkorte versie van het artikel van Joukje Akveld ‘Wat een mooie boeken allemaal!’ in het tijdschrift Lezen,
jg. 11 nr. 4 dec. 2016, uitgave van Stichting Lezen – blz. 4-6

Lees het hele artikel in pdf


Omhoog

 

Johan Slauerhoff opnieuw in de belangstelling door de publicatie van zijn Brieven

Dat gebeurt naar aanleiding van de recente publicatie van zijn ‘Brieven’

met als boventitel ‘Een varend eiland’. Ze werden gekozen, bezorgd en

geannoteerd door Hein Aalders en bij de Arbeiderspers in

Amsterdam/Antwerpen uitgegeven in de reeks Privé-domein.


De inleiding is een functionele verkorte biografie van Slauerhoff (blz. 7-49). Ze situeert de geadresseerden van de auteur in zijn avontuurlijke levensloop, zodat ze de lectuur van de brieven zelf vergemakkelijkt. Zo weet de lezer precies waarover het gaat bij Slauerhoff.   

Hier volgen de eerste vier alinea’s van die inleiding.

‘Op 5 oktober 1936 blies Slauerhoff in een Goois rusthuis zijn laatste adem uit. Zijn vroege dood – hij werd maar 38 jaar – had hij al lang voorzien. Leven en werk wekken de indruk alsof de dood hem op de hielen zat. Roland Holst zag hem op z’n sterfbed liggen en hij werd getroffen door de aanblik van aangeschoten groot wild, dat door zichzelf was opgejaagd. Hij was zijn eigen jager geweest, z’n hele, korte leven lang. En nu was de grote jager gekomen.

Slauerhoff had haast. Je ziet het aan zijn werk, dat vaak als ‘onaf’ is omschreven. In plaats van een gedicht dat nog niet helemaal af was opzij te leggen, om het later met een andere blik nog wat bij te schaven, liet hij het zo. Omdat hij vond dat het juist zo, in zijn onvolmaaktheid, het teken van verval al in zich droeg. Bovendien waren er alweer tien nieuwe ideeën die om uitwerking vroegen, een verhaal, een gedicht, de opzet voor een nieuwe roman over de Russisch-Japanse oorlog, een dichtbundel die Al dwalend moest heten. De nalatenschap van Slauerhoff telt zoveel materiaal in statu nascendi dat op zijn werk wel het credo van Leopold, ‘o rijkdom van het onvoltooide’, geplakt kan worden.

Van eenzelfde haast getuigen de talloze brieven die hij in zijn leven heeft geschreven. Omdat hij niet stil kon zitten, een reizend beroep had en dus vaak onderweg was, bleef hij zoveel mogelijk per brief in contact met het thuisfront. Trouw onderhield hij het contact met familie, vrienden, vriendinnen, collega-schrijvers, uitgevers en tijdschriftredacteuren. Uit verre havens verstuurde hij steeds bericht van hoe het hem verging. Zijn opgejaagde aard geeft deze brieven de aanblik van een vaak moeilijk leesbaar handschrift – soms kon hij het zelf niet meer lezen. Ze hebben ook iets eentonigs in de terugkerende dilemma’s van werk en gezondheid. Arthur Lehning merkte op: ‘Het zijn variaties op hetzelfde grondthema, maar het zijn herhalingen die nooit tot routine worden omdat ze telkens opnieuw zijn doorleefd. Wat de grootheid van Slauerhoff als dichter uitmaakt en wat iedereen voelt die een affiniteit heeft met zijn poëzie, geldt ook voor zijn brieven: ook hier is hij tot in alle onbelangrijke details steeds met zijn gehele persoonlijkheid aanwezig. Elementair en echt, niet gepolijst en geen “literatuur”, hebben zijn brieven in iedere regel en ieder woord een onvervalst en authentiek slauerhoviaans accent.’

Ook hebben de brieven iets rafeligs. Ze springen vaak snel van het ene onderwerp op het andere. Een gedachte wordt meestal voortijdig afgebroken. Het is alsof er steeds iets ontbreekt. Daarover schreef Kees Fens: ‘Zelden wordt iets geheel uitgeschreven; plannen komen in flarden ter sprake; bij de eerste schets moet de schrijver al alle tegendelen gezien hebben. Beweging tussen alle mogelijkheden lijkt zijn enige reële kans tot leven. Men ontkomt niet aan de indruk, dat het schip-onderweg zijn enig mogelijke verblijfplaats is, het altijd onderweg moeten blijven, een varend eiland.’ (blz. 7-8)

Ook het einde van de inleiding is treffend.

‘Nu de dood nog maar een kwestie van dagen was werd Darja bij hem geroepen. Het was een bruuske en dramatische ontmoeting waarin hij haar confronteerde met zijn verval. De laatste dag waren broer Feije en zijn moeder nog aan zijn bed. Tot het eind toe was zijn geest helder, herinnerde de laatste zich. En Roland Holst kwam ook nog even langs. Hij sliep. Vlak nadat die vertrokken was, overleed Slauerhoff, op 5 oktober 1936. Hij was net 38.

Terug in de trein naar huis dichtte Roland Holst:

Soms kon de zachtheid die hij steeds verbeet
nog schuw een uitweg naar zijn ogen vinden:
een mild licht door die scherven, waarin leed
door wrok was stukgebroken tot ellenden.

[…]

Maar naar het lichter hart, dat niet genas,
zie ik die kamer weer, en buiten dwerelt

herfst in de welverzorgde tuin al. Stil
komt nu de zuster van het rusthuis binnen
omdat hij belde, en vraagt hem wat hij wil,
en schikt de dekens en het koele linnen.


En dank’bre zachtheid, die hij steeds verbeet,
komt nog een uitweg door zijn ogen vinden,
en heelt de ellendescheven weer tot leed,
het goede leed van wie vergeefs beminden.’

(blz. 46-47)

De neo-romantische persoonlijkheid van de schrijver Johan Slauerhoff blijft ook nu en altijd fascineren.

G.D.


Omhoog

'Heruitvinding van het vak Nederlands - Schrijfonderwijs op weg naar 2032' Ad Bok

GLOEDNIEUWE EN KNAPPE BOEKPUBLICATIE

Het boek van Ad Bok, binnen de Kerngroep Schrijven 32 is gepubliceerd op 2 december 2016.
Het is een uitgave van Kerngroep Schrijven32, Bveo, Rosmalen.

Dr. Ad Bok zelf over zijn werk.

‘Het boek wil een bijdrage zijn aan de grootste innovatie uit de Nederlandse onderwijsgeschiedenis
(Platform Onderwijs 2032).

Het boek geeft een indringende blik in de transitie naar het onderwijs van 2032:
- de spanning tussen onderwijs en (relevant) leereffect;
- de rolwisseling van kennisoverdrager naar coach/faciliteerder van leerprocessen;
- de toenemende invloed van neurodidactische inzichten;
- de rol van geavanceerde ICT van de vierde generatie.

Is de rigoureuze omslag naar 2032 realiseerbaar?

In januari 2016 hebben ruim dertig taaldocenten zich verenigd in de Kerngroep Schrijven32.
Zij werken op hun scholen met een digitaal programma (TiO-Taal), dat in hoge mate al voldoet aan de streefdoelen die door Platform 32 worden geformuleerd, zoals
- personalisering van leerprocessen met een accent op leervaardigheden;
- ontwikkeling van een constructief-kritische, onderzoekende houding;
- medeverantwoordelijkheid van de leerling voor zijn eigen inspanningen en vorderingen;
- aantoonbare taakverlichting voor de begeleidende docent.
Het nieuwe onderwijs blijkt dus realiseerbaar, sterker, het wὀrdt al gerealiseerd.

De valkuil van het hoe

Veel innovaties faalden, doordat men geen adequaat lesmateriaal aanleverde voor de werkvloer. Leraren, die niet zijn opgeleid om onderwijs te ontwerpen, vielen terug op hun vertrouwde methode. Exit innovatie. Landelijke instituten SLO, Nederlandse Taalunie buigen zich indringend over het ‘wat’, en laten het ‘hoe’ over aan de grote Educatieve Uitgeverijen. Exit innovatie.

Als de overheid, waaronder Platform32 en de landelijke instituten, niet uitdrukkelijk bijspringen om de beoogde omslag ook te vertalen naar realiseerbaar onderwijs, valt te vrezen dat alle inspanning opnieuw tevergeefs is.’

Wie het boek aan de orde wil stellen zal zeker ook de realisering van de beoogde innovatie willen beklemtonen.

Het boek is bijzonder kritisch ingesteld tegenover het vigerend onderwijs Nederlands van vandaag.
Die ingesteldheid moet de lezer voorbereiden om een reflectieve omslag te maken naar een onderwijs met ‘focus op de persoonlijkheidsontwikkeling van leerlingen en op fundamentele kennis en vaardigheden. Het taalonderwijs zal sterker dan vroeger zijn gericht op de communicatieve en cognitieve vaardigheden, zoals kritisch denken, bronnen integreren, creatief oplossen’ (blz. 9).

In vier hoofdstukken exploreert de auteur de huidige didactisch-methodologische onderwijssituatie gekoppeld aan zijn persoonlijke constructieve visies als creatieve specialist-onderwijsinnovator. Drie bijlagen sluiten het boek af. In bijlage A stelt Ad Bok zijn zelfontworpen schrijfvaardigheidsmethode TiO voor met de instrumenten voor de sturing van het leerproces, het jaarboek van de leerling, de registratie en evaluatie van de vorderingen, de ‘feedforward’ tijdens het schrijven en nog speciale vaardigheden.

Het werk is bijzonder knap geschreven met een formulering in de educatief-didactische vaktaal maar bijzonder bevattelijk, zodat een vlotte lectuur gegarandeerd wordt. Het is bedoeld voor ‘bestuurders, directeurs, hoogleraren, opleiders, docenten, journalisten, onderzoekers, studenten, ouders en betrokkenen’. Voor ieder van hen is deze aanbeveling  van de auteur: “De tekst zal soms onder of boven uw maat zijn, zal soms zelfs schuren met uw heden of verleden, maar bedenk dat leren een onbegrensd proces is, dat gedijt op wat eerder was.” (blz. 12)

Het boek ‘Heruitvinding van het vak Nederlands – Schrijfonderwijs op weg naar 2032’ omvat 144 bladzijden en kost € 18,50 exclusief verzendkosten.

Info@schrijven32.nl – Tel. +31 (0)73 521 9929.

Omhoog

Blog en boek over binnenklasdifferentiatie (jan. - april 2016)

De laatste tijd is er binnen het onderwijsveld heel veel te doen rond binnenklasdifferentiatie.
Het Centrum Nascholing Onderwijs UAntwerpen organiseert in het najaar een belangrijke studiedag rond dit thema. Het tijdschrift ‘Fons’ voor leraren Nederlands editie 2 speelt die thematiek in de aandacht van de Vlaamse leraren Nederlands:

4-5  Differentiatie. Hoe pak je dat aan?
6-7  Gewoon doen. De kracht van differentiatie in taalonderwijs Nederlands
8-9  Binnenklasdifferentiatie in taallessen realiseren
10   Binnenklasdifferentiatie in kleine en grote vormen

https://issuu.com/tijdschriftfons/docs/fons2_def

Kris Van den Branden schrijft begin april in zijn blog Duurzaam onderwijs de tekst
‘Differentiëren. Hoe doe je dat? (1). Hij beschrijft daarin beknopt zes vormen van binnenklasdifferentiatie
1. Licht moeilijke en nieuwe concepten op verschillende manieren toe
2. Ga bewust om met je beurtverdeling tijdens klassikale gesprekken
3. Geef leerlingen meer keuzes
4. Loop rond tijdens individuele, duo- en groepstaken
5. Geef feedback na een evaluatie of toets
6. Laat leerlingen meer vragen stellen

https://duurzaamonderwijs.com/

Onderaan verwijst hij naar het boek over binnenklasdifferentiatie dat in januari 2016 bij Acco werd gepubliceerd en waarvan hij mede-auteur is.

Binnenklasdifferentiatie, een beroepshouding, geen recept - Praktijkgids voor leraren, student-leraren en lerarenopleiders

door , , , , , ,

Acco – Leuven - € 19,95.

‘Onderwijsprofessionals zijn het er over eens dat binnenklasdifferentiatie een must is in het hedendaagse onderwijs. Maar hoe pak je dit aan in de praktijk? De auteurs reiken in deze praktijkgids concrete manieren aan om binnenklasdifferentiatie toe te passen in het leerplichtonderwijs en in de lerarenopleiding.

Het eerste hoofdstuk schetst een (conceptueel) kader voor binnenklasdifferentiatie dat je ook los in het boek terugvindt. De verschillende onderdelen van het kader worden daarna in afzonderlijke hoofdstukken dieper uitgewerkt. Het laatste hoofdstuk is gewijd aan de lerarenopleiding en hoe lerarenopleiders hun studenten vertrouwd kunnen maken met het thema. Het conceptueel kader van deze praktijkgids is bruikbaar zowel in het lager, middelbaar als in het hoger onderwijs. De vele praktijkvoorbeelden in het boek komen uit het middelbaar onderwijs en de lerarenopleiding voor middelbaar onderwijs.

Je hoeft deze gids niet noodzakelijk in chronologische volgorde te lezen. Laat je keer op keer leiden door die delen die je het meest inspireren!’

Voor elk wat wils!

Omhoog

Geschiedenis van de Nederlandse literatuur


Geschiedenis van de Nederlandse literauur
is een breed
overkoepelend overzicht van de geschiedenis van de Nederlandstalige literatuur in negen of tien delen. Een aantal vooraanstaande auteurs werken aan deze reeks. De verschillende delen beschrijven de literatuur uit Nederland en Vlaanderen van de middeleeuwen tot 2005. De reeks is nu in 2017 compleet.



Geschiedenis van de Nederlandse literatuur
is geschreven als doorlopend verhaal dat alle recente vondsten en de nieuwste wetenschappelijke inzichten bevat. De reeks is niet alleen bedoeld voor Neerlandici maar spreekt ook een breder publiek aan. De reeks wordt uitgegeven door Bert Bakker. Distributie in België wordt verzorgd door Standaard Uitgeverij.

Lees meer op de website van de Nederlandse Taalunie met een video (8'35") met de hoofdredacteurs en auteurs over het ontstaan van de nieuwe literatuurgeschiedenis.

Reeks

De Geschiedenis van de Nederlandse literatuur bestaat uit de volgende delen:

  • deel 1 (I): Frits van Oostrom - Stemmen op schrift (Middeleeuwen I tot 1300). Verschenen: voorjaar 2006.
  • deel 1 (II): Frits van Oostrom - Wereld in woorden (1300-1400). Verschenen: 5 februari 2013.
  • deel 2: Herman Pleij - Het gevleugelde woord (Middeleeuwen II, 15de en 16de eeuw). Verschenen: najaar 2007.
  • deel 3: Karel Porteman en Mieke Smits-Veldt - Een nieuw vaderland voor de muzen (1570-1700). Verschenen: voorjaar 2008.
  • deel 4 (I): Inger Leemans en Gert-Jan Johannes - Worm en Donder (1700-1800: de Republiek). Verschenen: 12 december 2013.
  • deel 4 (II): Tom Verschaffel - De weg naar het binnenland (1700-1800: de Zuidelijke Nederlanden). Verschenen: 10 december 2016.
  • deel 5: Wim van den Berg en Piet Couttenier - Alles is taal geworden (1800-1900). Verschenen: voorjaar 2009.
  • deel 6: Jacqueline Bel - Bloed en rozen (1900-1945). Verschenen: 30 november 2015.
  • deel 7: Hugo Brems - Altijd weer vogels die nesten beginnen (1945-2005). Verschenen: voorjaar 2006
  • deel 8: Anne Marie Musschoot en Arie Jan Gelderblom - Ongeziene blikken. Nabeschouwingen bij de reeks. Verschenen: 17 januari 2017.

    Alle informatie over de serie en ook over de afzonderlijke delen vindt u verder in het blogarchief van Ons Erfdeel.

  • Geschiedenis van de Nederlandse literatuur voltooid
    Verslag van de huldezitting in Den Haag van 17 januari 2017 - Tekst: Arno Kuipers/Literatuurplein

    Met het verschijnen van het achtste deel - de nabeschouwing Ongeziene blikken door de hoofdredacteuren Anne Marie Musschoot en Arie Jan Gelderblom - is het grote literatuurhistorische Vlaams-Nederlandse project Geschiedenis van de Nederlandse literatuur onder de hoede van de Nederlandse Taalunie na twintig jaar nu eindelijk compleet. Begin 2017 verscheen al het laatste historische deel ‘De weg naar het binnenland’ van Tom Verschaffel, over de literatuur in de achttiende eeuw in Vlaanderen.

    Het verslag

    De ongeziene blikken op de Geschiedenis van de Nederlandse literatuur

    n.a.v. het verschijnen van het laatste deel “Ongeziene blikken” van de hand van de beide hoofdredacteuren A.J. Gelderblom en A.M. Musschoot – 2e druk februari 2017.

    Het is een monumentaal werk geworden dat ruim twintig jaar geleden werd opgezet en nu in het deel “Ongeziene blikken – Nabeschouwing” een voltooiing heeft gekregen. Het geheel bevat 10 boekbanden en 9 inhoudelijke delen, die op basis van een eeuwindeling werden geconcipieerd. Een schare van literatuurwetenschappers en literatuurgeschiedkundigen van Frits van Oostrom voor het eerste deel tot Hugo Brems voor het laatste deel (dat echter eerst verscheen) hebben er hun beste krachten aan gewijd.
    Het resultaat mag er zijn. De tien boekbanden samen vullen een respectabel brede plank in de boekenkast.
    Het voorlaatste gepubliceerde boekdeel “De weg naar het binnenland” over de periode 1700-1800 De Zuidelijke Nederlanden” van historicus Tom Verschaffel verscheen helemaal in het begin van 2017. Het nabeschouwingsdeel van de beide hoofdredacteuren werd op 17 januari 2017 voorgesteld op een feestelijke academische afsluitingszitting in Den Haag (zie het Verslag hierboven).

    ‘Ongeziene blikken’ omvat slechts 96 pagina’s, maar biedt voor wie belangstelling heeft voor de geschiedenis van de literatuur ongemeen boeiende lectuur.

    ‘Welke concrete voorwaarden maakten de plannen voor een nieuwe literatuurgeschiedenis toch levensvatbaar, na jaren van aarzeling en scepsis? Welke wetenschappelijke uitgangspunten waren bepalend voor de aanpak, en hoe zijn die in de afzonderlijke delen gerealiseerd?

    De te volgen koers is al vroeg uitgezet, maar hoe werd die in praktijk gebracht? Deze nabeschouwing gaat over de theoretische aanloop tot de serie én over de concrete uitvoering; over inhoudelijke keuzes én over praktische resultaten; over gaandeweg veranderende inzichten én over internationale inbedding en uitstraling. Hoogtepunten én marginale verschijnselen worden vanuit verschillende invalshoeken belicht en in hun context geplaatst. Ongeziene blikken gaat over de achtergronden van deze monumentale serie, waarin de literaire cultuur van de Lage Landen in haar volle rijkdom tevoorschijn komt.’ Zo wordt dit afsluitend deel voorgesteld.

    We laten u proeven van begin, midden en einde van deze Nabeschouwing.

    ‘Begonnen in 1996, afgerond in 2017: na ruim twee decennia is de Geschiedenis van de Nederlandse literatuur voltooid. Halverwege die periode, in 2006, konden de eerste twee concrete resultaten worden gepresenteerd. Dat waren het eerste én het laatste deel van de chronologische reeks: twee stevige boekensteunen waartussen de andere banden geleidelijk aan hun plaats gevonden hebben. Deze nabeschouwingen – eerder als ‘Algemene verantwoording’ aangekondigd – bestrijken zowel de theoretische aanloop tot het project als de feitelijke voorbereiding; zowel de praktische resultaten als enkele belangrijke reacties en kritieken. Dit laatste aspect blijft noodzakelijkerwijs onaf. Hopelijk zullen de discussies rondom deze nieuwe literatuurgeschiedenis ook na de voltooiing niet verstommen.’ (blz. 7)

    De hoofdredacteuren korten bewust de naam van het werk in tot GNL met de verwachting dat die benaming voor dit standaardwerk bij de gebruikers ervan courant ingang kan vinden.

    Op het einde van het onderdeel ‘De canon anders bekeken’ hebben ze het over het sleutelbegrip ‘openheid’ die ze het geheel toeschrijven.

    ‘In alle delen van de GNL is ‘openheid’, al of niet uitdrukkelijk zo genoemd, een sleutelbegrip. Niet alleen is het corpus van behandelde teksten veel ruimer en minder canoniek gedefinieerd dan in vroegere literatuurgeschiedenissen, maar wie de rode draad door de hele reeks volgt van begin tot einde, ziet een letterkunde die zich steeds verder opent en ontplooit. Ze maakt zich vrij uit oudere instituties en zoekt nieuwe werelden waarin ze kan functioneren: uit de marges van Latijnse teksten naar het volle perkament, van klooster en kasteel naar de stad, van de stad naar de natiestaat, om ten slotte terecht te komen in mondiale ontwikkelingen waarin het boek als drager zijn ereplaats afstaat aan het digitale scherm, waarin de rapper, de blogger en de striptekenaar op het toneel verschijnen naast de eenzaam scheppende auteur en waarin de lezer een ruimere keuze aan teksten heeft dan ooit tevoren en kan kiezen uit allerlei schatkamers van alle wereldliteraturen, inclusief de Nederlandse.’ (blz. 38)

    In hun ‘Tot slot’ verantwoorden de beide hoofdredacteuren de keuze van de titel van hun nabeschouwingen. Ook dat is relevant voor het hele werk.

    ‘Wij hebben deze nabeschouwingen de titel Ongeziene blikken meegegeven. De woorden zijn ontleend aan een gedicht uit de laatste bundel van Karel van de Woestijne, Het berg-meer (1928), en leken ons toepasselijk op de hele reeks omdat ze de verrassende veelheid en diversiteit aangeven van de visies op het verleden die in de Geschiedenis van de Nederlandse literatuur werden ontwikkeld. Ongeziene blikken, omdat in de GNL wijzen van waarneming werden uitgewerkt die nog niet eerder bestonden. Ongeziene blikken, omdat de auteurs en de leden van de Raad van Advies hun visies ontwikkelden in volle onafhankelijkheid, zonder door iemand op de vingers te worden getikt of gekeken. Ongeziene, oftewel onwelgevallige blikken wellicht ook, omdat de resultaten onmogelijk bij iedereen volledig in de smaak kunnen vallen. De een mist dit, de ander dat. Het kan nu eenmaal niet anders. Geen literatuurgeschiedenis kan exhaustief zijn. Omvang, keuze en ordening stellen harde eisen die door anderen en door volgende generaties wellicht (en hopelijk) aangevuld en genuanceerd zullen worden. Maar op dit moment geven de keuzes die werden gemaakt wel de zienswijzen of de visie weer van de generatie neerlandici die de voorbije decennia toonaangevend was en tot vandaag is. (blz. 81)

    Het is nog van belang te weten dat
    - ‘de geschiedschrijver, vanuit zijn eigen hedendaags bewustzijn en kennis, de context reconstrueert waarin het literaire werk is ontstaan én functioneert. We hebben het dan over de functionalistische of functionele benadering, die een belangrijke methodologische basis van de GNL is geworden.’ (blz. 15)
    -  de literatuurgeschiedenis - op de beide delen van de achttiende eeuw na - de literatuur van Noord en Zuid, van Nederland en Vlaanderen, als geheel benadert. ‘Ze heeft juist speciale aandacht voor de literaire samenhang tussen het Noorden en het Zuiden. Anders gezegd: ze heeft gestreefd naar een gecombineerde of waar mogelijk geïntegreerde behandeling van Vlaanderen en Nederland.’ (blz. 53)
    - de realisering voor een groot deel te danken is aan de Nederlandse Taalunie. Zij ‘heeft de totstandkoming van de GNL financieel mogelijk gemaakt en het ontstaansproces gedurende ruim twintig jaar logistiek ondersteund.’ (blz. 73).

    Naar verhouding tot hun inzet en inspanningen mogen de auteurs van de GNL de belangstelling verwachten die het werk verdient vanwege de lezers en de gebruikers ervan. Niet alleen is het van fundamenteel belang voor de beoefening van de literatuurwetenschap en voor de literatuurliefhebber, maar evenzeer voor de popularisering van de literaire geschiedenis zowel in het secundair als in het tertiair onderwijs. Leerlingen en studenten kunnen zich laven aan deze bijna onuitputtelijke bron van kennis en literaire ‘wetenschap’.

    Ghislain Duchâteau

    11 februari 2017



Bloed en rozen - Deel 6 van de Geschiedenis van de Nederlandse literatuur

Cover van Bloed en rozen Jacqueline Bel, auteur van Bloed en rozen

Jacqueline Bel, universitair hoofddocent moderne Nederlandse letterkunde aan de Vrije Universiteit in Amsterdam, stelt in het Vooraf van Bloed en rozen haar boek als volgt voor.

'Dit boek is een geschiedenis van de literatuur in Nederland en Vlaanderen tussen 1900 en 1945: een periode die grote auteurs voortbracht als Louis Couperus, Martinus Nijhoff, Carry van Bruggen, Karel van de Woestijne, Paul van Ostaijen en Willem Elsschot. Een wervelende tijd met een watervlugge afwisseling van literaire generaties en hun tijdschriften, modes en stromingen. Die turbulentie had een rechtstreekse relatie met een nieuwe maatschappelijke dynamiek, met betere scholing, massificatie, versnelling en democratisering.

Maar allesbepalend waren in de eerste helft van de vorige eeuw de twee wereldoorlogen, die de status-quo van de negentiende eeuw vernitigden en die ook de manier waarop schrijvers en dichters in de Lage Landen naar de wereld keken voorgoed veranderden. De Eerste Wereldoorlog, onder tijdgenoten beter bekend als de Grote Oorlog, werd voor een deel op Belgisch grondgebied uitgevochten. Vlaamse dichters namen aanvankelijk vrijwillig de wapens op en trokken in euforie ten strijde 'in een dronkenschap van rozen en bloed', net als veel jonge kunstenaars in andere delen van Europa. Het enthousiasme duurde kort, werd gesmoord in de modder van de loopgraven en veranderde in ontgoocheling, verbijstereing of cynisme. Paul van Ostaijen verbeeldde de oorlog achteraf in Bezette stad (1921) op een geheel nieuwe, avant-gardistische manier. Hoewel het neutrale Nederland buiten de gevechtshandelingen bleef, drong ook daar de schroeilucht van de 'wereldbrand' door in de letteren.

De Duitse bezetting gedurende de Tweede Wereldoorlog en de daaruit voortvloeiende censuur maakten in Noord en Zuid een einde aan het letterkundige leven zoals men dat kende. Maar de literatuur ging door, getekend door repressie, collaboratie en verzet. Op een andere manier lieten ook de Anglo-Boerenoolog in Zuid-Afrika rond 1900 en de Spaanse Burgerloorlog in de jaren dertig hun littekens na op proza en poëzie. Hetzelfde gold voor de Russische Revolutie, die het letterkundige leven in de Lage Landen in twee kampen verdeelde: voor of tegen de bolsjewieken.

De grote, totalitaire ideologieën van de twintigste eeuw, zoals het communisme en fascisme, drongen door in proza en poëzie. Min of meer gelijktijdig en in scherp contrast tot ideologieën die een nieuwe orde proclameerden, groeide overal in het Westen, dus ook in de Lage Landen bij de zee, een behoefte aan vrijheid en gelijkwaardigheid. Emancipatie werd een sleutelwoord. Niet alleen arbeiders, ook vrouwen weigerden zich nog langer neer te leggen bij de onderschikking die zo lang vanzelfsprekend had geleken. Zo traden vrouwen als Henriette Roland Holst en Maria Belpaire op de voorgrond.

De contouren van de standenmaatschappij vervaagden, zoals in romans en gedichten zichtbaar werd. Feministische, socialistische en anarchistische tendensromans werden bestsellers rond 1900. In de jaren twintig zorgde de verzuiling voor een bloei van de nieuwe katholieke literatuur en de economische crisis in de jaren dertig baarde een nieuw genre: de crisisroman. Kortom, de hele eerste helft van de twintigste eeuw bevochten nieuwe ideologieën en maatschappelijke kwesties hun plaats in proza en poëzie. Maar niet alleen het 'bloed', de strijd en het engagement, ook de 'rozen' wordt een van de tegenstellingen zichtbaar die in het letterkundige leven van de eerste helft van de twintigste eeuw telekns de kop opsteken - die tussen engagement en esthetiek.'

- Feestelijke presentatie van Bloed en rozen

- 'Had ik een hoed, Jacqueline Bel, ik nam hem voor u af' toespraak van prof. Kris Humbeeck UAntwerpen tijdens de feestelijke presentatie

- Toen alles anders moest worden - recensie in de NRC van Yra van Dijk

Deel 6 verscheen bij Uitgeverij Bert Bakker en kost tot februari 2016 € 59,95.

Omhoog


 

Een land van waan en wijs - Geschiedenis van de Nederlandse jeugdliteratuur - De publicatie overschouwd

Redactie: Rita Ghesquière, Vanessa Joosen, Helma Van Lierop-Debrauwer

Atlas Contact Amsterdam 2014 576 p.
€ 34,99
   

Rita Ghesquière deed als hoogleraar aan de Katholieke Universiteit Leuven onderzoek naar kinderen, jeugdliteratuur en religie

   
Vanessa Joosen is onderzoeker en docent jeugdliteratuur aan de universiteiten van Tilburg en Antwerpen
   
Helma van Lierop Debrauwer is hoogleraar kinder- en jeugdliteratuur aan de Universiteit van Tilburg


‘Een land van waan en wijs – Een geschiedenis van de Nederlandse jeugdliteratuur’ is voor een aantal recensenten een standaardwerk. Het bestrijkt Nederland, Vlaanderen en Friesland. De meeste recensenten zijn Nederlanders. Opvallend is dat Vlaamse recensenten er zich blijkbaar niet aan waagden om over de publicatie begin december 2014 hun zegje te doen. Twee van de redactieleden zijn Vlamingen, de derde is Nederlandse en alle drie zijn het competente specialisten die de jeugdliteratuur op universitair niveau tot hun studiedomein rekenen. Vlaamse en Nederlandse auteurs stofferen de bijdragen in de respectieve hoofdstukken. De titel is ontleend aan het boek van Paul Biegel, De kleine kapitein in het Land van Waan en Wijs (1973).

Voor de lerarenopleiders Nederlands in Nederland en Vlaanderen van de hogescholen is deze geschiedenis een werk waar ze echt niet omheen kunnen, zowel voor hun eigen documentatie als voor hun onderwijs aan de aankomende leerkrachten. Coen Peppelenbos is er alleszins bijzonder enthousiast over en voert het in zijn opleiding in.

‘Naast Tzummer ben ik ook nog docent aan een hogeschool. Toen ik Een land van waan en wijs in handen kreeg heb ik een dubbele radslag gemaakt, want tot voor kort was er geen enkel boek dat geschikt was voor mijn studenten die in de bachelor worden opgeleid. Alle boeken over jeugdliteratuur (zoals Jeugdliteratuur voor de beroepspraktijk) werden afgestemd op de Pabo, maar dit boek behandelt naast de kinderboeken ook de jeugdboeken en boeken voor adolescenten. Het boek neemt, zonder de teksten al te zwaar te maken, wel de wetenschappelijke benaderingen van jeugdliteratuur mee. Het is kortom een boek dat wij volgend jaar gaan voorschrijven voor onze studenten. En, mag ik de uitgeverij meteen verzoeken: kan dit boek de komende twintig jaar in druk blijven? Met om de vijf jaar een kleine update? Desnoods als paperback of als pod-uitgave? Als het maar beschikbaar blijft. Dan weten we zeker dat we de komende jaren goed zitten.

Voor mensen die geen opleiding volgen maar gewoon geïnteresseerd zijn in een goed boek over jeugdliteratuur: zoek niet langer, dit is het standaardwerk.’

De Nederlandse Taalunie, die het project ondersteunde, stelt in zijn taal.unie bericht – editie februari 2015
"
Een standaardwerk waar geen onderzoeker omheen kan" en speelt enkele recensies onder de aandacht.

  • Lees de recensie van Jürgen Peeters op Cutting Edge.
  • Lees de recensie op het blog van Ted van Lieshout - (Van Lieshout is schrijver van romans, verhalen en gedichten en werkt als illustrator en grafisch ontwerper.  Hij schreef meer dan vijftig kinderboeken. Daarnaast heeft hij de nodige prijzen gewonnen, o.m. de Theo Thijssen-prijs, en was hij genomineerd voor de Hans Christiaan Andersenprijs).
  • Lees de recensie op de blog ‘Over lezen en schrijven’. (Dit is een blog over zaken die (soms wat losjes) met lezen en schrijven te maken hebben. Met nieuws en recensies, vooral over jeugdliteratuur.)
  • Lees de recensie van Toin Duijx in het Friesch Dagblad. (Duijx is verbonden aan de Universiteit Tilburg (master jeugdliteratuur) en aan de universiteit Leiden. Daarnaast is hij secretaris van IBBY-Nederland en ‘Aussenlektor’ aan de Internationale Jugendbibliothek München.)

'Met de L van Literatuur. Een geschiedenis van de Nederlandse jeugdliteratuur' - Jen de Groeve

Recensie in Ons Erfdeel november 2015 nr. 4 - pp. 145-147.


Hiervoor kunnen we enkel gebruik maken van de gedrukte tekst. We halen er de belangrijkste inzichten over het boek van de recensent uit.

Jeugdliteratuur dient niet alleen een artistiek doel: in haar ontwikkelingsgeschiedenis valt op dat ze “steeds balanceert tussen drie functies” (p. 53): opvoeding, ontspanning en esthetiek. Ook moet rekening worden gehouden met de canon van de volwassenen (critici en mediatoren) en met die van de kinderen zelf. De verschillen in waardering zijn soms aanzienlijk.

De wisselwerking tussen de drie functies loopt als een rode draad doorheen het boek. De drie redacteurs hebben de duidelijke ambitie om voor deze geschiedenis een coherent en onderbouwd werk tot stand te brengen. Het neemt als uitgangspunt een functionalistische benadering van literatuur: de literaire productie wordt beschouwd binnen de historische, culturele en maatschappelijke kaders.

De bedoeling van deze literatuurgeschiedenis moet duidelijk zijn: “de rijkdom van de jeugdliteratuur laten zien”.  In de inleiding wordt een jeugdliteraire geschiedenis in vogelvlucht geschetst sinds de grote denkers uit de Oudheid. De opbouw voor de verschillende periodes vanaf de 18de eeuw kent een vast patroon: 1 ‘Denken over kinderen’ waarin de invloed van het mens- en kindbeeld op de literatuur; 2 ‘Kinderboeken op de markt’ met het aanbod in de context van de volledige literaire productie; 3 ‘Verandering en vernieuwing’. Telkens wordt de literaire evolutie getoond in een internationaal maatschappelijk-cultureel kader met ruime aandacht voor de wijzigende visies op kinderen.

De meeste ruimte wordt besteed aan de tweede helft van de 20ste eeuw, toen de emancipatie van jeugdliteratuur geleidelijk realiteit werd. De inleiding toont hoe tendensen soms met wisselende kracht doorwerken en naast elkaar bestaan. Ze is inzichtelijk en levert in haar geheel een overtuigend en fijn genuanceerd betoog op dat een degelijke basislectuur vormt voor de zestien hoofdstukken die daarop volgen.

Daarin bespreken experts de belangrijkste genres: o.m. historische jeugdboeken, poëzie, prentenboeken, beeldverhalen, sprookjes, adolescentenromans maar ook gaat het over non-fictie, kindertijdschriften, theater, verfilmde boeken, games en apps. Telkens wordt gewerkt rond basisgegevens: de literaire teksten zelf, het kindbeeld in de periodes, de relatie tussen jeugd- en volwassenenliteratuur en het internationale perspectief.

In ‘Zoektocht zonder wegwijzers’, over adolescentenliteratuur maken Helma van Lierop-Debrauwer en Peter van den Hoven in een heldere beschouwing zichtbaar hoe de grenzen tussen jeugd- en volwassenenliteratuur geleidelijk worden opgeheven. De gekozen tekstfragmenten zijn daarbij boeiend en prettig om lezen.

Ook in het hoofdstuk over kinderpoëzie zijn er die raakvlakken. Jan van Coillie maakt die duidelijk door zijn systematische aandacht voor het literaire karakter van kindergedichten.

Het boek is met veel zorg en wetenschappelijke nauwkeurigheid geschreven. Daarbij staat de academische insteek nergens de vlotte leesbaarheid in de weg.

Het belang van deze jeugdliteratuurgeschiedenis is nauwelijks te overschatten. Het overkoepelend concept en de duidelijk omschreven theoretische uitgangspunten laten toe dit werk te beschouwen als eerste geschiedenis van de Nederlandse jeugdliteratuur die op basis van zijn grondslag en uitwerking goed inpast in het groter geheel van de literaire geschiedschrijving.


Op de Nederlandse Radio 1 in het programma Nieuwsshow liet Helma van Lierop-Debrauwer zich interviewen over jeugdliteratuur en de nieuwe jeugdliteratuurgeschiedenis:

http://www.radio1.nl/item/246953-   10’01”


Ghesquière, R., V. Joosen en H. van Lierop Debrauwer (red.) (2014)
Een land van waan en wijs : Geschiedenis van de Nederlandse jeugdliteratuur.
Amsterdam: Atlas Contact, 576 p., € 34,99
Signatuur bibliotheek: 15-009

http://www.atlascontact.nl/boek/een-land-van-waan-en-wijs/

Omhoog


 

Onderwijs voor de 21ste eeuw. Een boek voor leerkrachten en ouders -
Kris Van den Branden

Welke competenties moeten jongeren in het onderwijs van de 21ste eeuw verwerven?
Hoe kunnen we ervoor zorgen dat onderwijs voor alle leerlingen uitstekend is?
Wat is de rol van de leerkracht in het onderwijs van de 21ste eeuw?
Wat is de rol van ouders en buurt? 
Wat is de impact van toetsen, examens en rapporten op leerprocessen?
En moeten we nu massaal computers en tablets in ons onderwijs invoeren?

Dit boek biedt een antwoord op de grote vragen over het onderwijs van de 21ste eeuw. 
Het boek is een must voor iedereen die betrokken is bij het onderwijs van onze hedendaagse jeugd. Iedereen dus...

Uitg. Acco - prijs € 22,5.

Meer info?
https://www.acco.be/nl-be/items/9789462922853/Onderwijs-voor-de-21ste-eeuw

Omhoog


 

Floris ende Blancefloer, voluit opnieuw beschikbaar voor de les

Recensie

‘‘[...] Laet Blancefloere leven, edel here,
Si es onsculdich, die scout es mijn,
Doet becopen dies die sculde sijn.’
‘Here’, sprac Blancefloer, ‘an dese woort
En hout u niet, die ghi hebt ghehoort.
Ic ben die sake, die scout es mijn;
En haddic inden tor niet ghesijn,
Sone waer myn lief niet comen daer”

Bovenstaande verzen (v. 3657-3664) vormen een hoogtepunt in het middeleeuwse verhaal van Floris ende Blancefloer. Elk van de protagonisten wenst immers op het geciteerde moment door de emir te worden vermoord, als daarmee het leven van de ander kan worden gered. Het getuigt van een sterk staaltje opofferingskracht van de beide geliefden, die na een lange periode van scheiding dachten opnieuw het geluk te hebben gevonden. Maar wat ging er aan deze penibele situatie vooraf?”

Citaat recensie Ine Kiekens van

van Jozef Janssens, Adrie de Kraker, Jan Uyttendaele en Veerle Uyttersprot, Floris ende Blancefloer. Liefde in het graafschap Vlaanderen van de dertiende eeuw. Uitgeverij Davidsfonds,  Leuven, 2015. ISBN: 978-90-5908-679-1. Prijs: € 49,99.


Deze boekpublicatie omvat drie delen met de zoektocht in het Midden-Oosten naar de plaats van handeling, het landschap en het bestuur van Diederik van Assenede, die het verhaal in het Middelnederlands verdichtte en een deel met lesvoorbereidingen en een verantwoording waarom Floris ende Blancefloer zowel in het middelbaar als in het hoger onderwijs volstrekt legitiem kan worden behandeld.

In dat laatste verband citeren we graag wat Ine Kiekens in haar recensie ten beste geeft.

“Het derde deel betreft een samenwerking tussen Jan Uyttendaele en Veerle Uyttersprot. Zij bekijken hoe Floris ende Blancefloer, en bij uitbreiding historische literatuur, in het onderwijs aan bod kan komen. Uyttendaele bespreekt eerst de vraag waarom historische teksten nog in het secundair onderwijs behandeld moeten worden. Zelfrelativering, cultuuroverdracht, literair-esthetische vorming, individuele ontplooiing en wereldoriëntatie zijn volgens hem de voornaamste redenen waarom historische teksten voor scholieren van vandaag nog steeds bruikbaar zijn. Nadien werkt hij volgens de principes van historiseren en actualiseren lesvoorbeelden uit waarin het Egidiuslied en Floris ende Blancefloer centraal staan. Uyttersprot vervolgt met een uiteenzetting over historische literatuur in het hoger onderwijs. Voor studenten Nederlands uit het hoger onderwijs moet het eigenlijk als een evidentie worden beschouwd dat ze met alle aspecten – en alle historische perioden – van het Nederlandstalige literaire erfgoed te maken krijgen. Daarnaast stelt Uyttersprot dat een aantal historische teksten in die mate universeel zijn dat ze zonder probleem in onze tijd begrepen kunnen worden. Bovendien kan het tegendeel ook tot verrijkende resultaten leiden: wanneer in een verhaal een ons vreemde wereld wordt geschetst, is het immers eveneens interessant om het hoe en waarom van die afwijkingen na te gaan. De tijd staat bovendien niet stil en Uyttersprot wijst dan ook op het bestaan van digitale en interactieve hulpmiddelen die studenten kunnen helpen bij het leren kennismaken en appreciëren van middeleeuwse teksten. Tot slot werkt ze twee mogelijke lesvoorbeelden uit. In de ene casus bespreekt ze vroegmoderne geuzenliederen, in de andere behandelt ze Floris ende Blancefloer.”

In haar besluit voegt Ine Kiekens daaraan nog toe:

“De uiteenzettingen door Jan Uyttendaele en Veerle Uyttersprot illustreren dan weer hoe goed Floris ende Blancefloer  en historische teksten in het algemeen in het onderwijs (zouden) kunnen functioneren. Het is dan ook te hopen dat hun pleidooi niet in dovemansoren valt en dat hun lesvoorbereidingen daadwerkelijk in de praktijk zullen worden gebruikt.”

Klik op recensie Ine Kiekens om haar hele tekst Een nieuwe Disneyfilm in de maak? te lezen op Neder-L.



Omhoog


 

Genres in schoolvakken -
Taalgerichte didactiek in het voortgezet onderwijs

Bart van der Leeuw, Theun Meestringa - 15 novermber 2014

Dit nieuw didactiekboek verdiept het begrip taalgericht vakonderwijs.

Het concept genre volgens de auteurs

  • Een genre is een doelgericht, gefaseerd en sociaal proces, dat o.a. via teksten tot uitdrukking wordt gebracht
  • doelgericht: we gebruiken genres om iets gedaan te krijgen;
  • gefaseerd: er zijn stadia nodig om die doelen te bereiken;
  • sociaal: genres 'doen' we met anderen

Beschrijving van het didactiekboek
Elk schoolvak is onlosmakelijk verbonden met zijn eigen vaktaal. Een vak inhoudelijk leren én zich de bijbehorende taal eigen maken, is voor veel leerlingen echter lastig. Hoe pakken leraren dat aan, wanneer deze vaktaal voor hen juist heel vanzelfsprekend is? Dit boek helpt je als leraar (in opleiding) op tekstniveau te kijken naar je eigen vaktaal en taalgericht onderwijs te geven.

Genres in schoolvakken biedt een uniek, helder en beproefd concept: genredidactiek. Er zijn negen genres die een cruciale rol spelen bij alle schoolvakken: het verslag, de beschrijving, de procedure, het betoog, de vertelling, het verhaal, de respons, de verklaring en de beschouwing.
Die komen stuk voor stuk aan bod
in deel 1, de praktische introductie
in deel 2, een theoretische verdieping van de taalkundige basis
in deel 3, het specifieke vaktaalgebruik van diverse schoolvakken en de rol van de genres in die vakken.

De vele tekstvoorbeelden, oefeningen en aanbevelingen maken Genres in schoolvakken een praktisch naslagwerk.

Voor wie
Genres in schoolvakken is geschreven voor studenten aan eerste- en tweedegraads lerarenopleidingen in alle vakken en voor leraren voortgezet onderwijs.

Inkijk 1-18

Website

Oefentekst: tekst 29 (H18 - Nederlands)

Uitg. Coutinho - 240 bladzijden - € 27,50

Omhoog


 

Sprankelende verzen van Annie M.G. Schmidt
'DIE VAN DIE VAN U' - oktober 2014

De titel van deze bloemlezing uit de poëzie van Annie M.G. Schmidt is raak gekozen: de muziek, de eigenzinnigheid en het taalspel die Schmidts beste verzen zo sprankelend maken, zitten erin vervat. Dit chique gedundrukte boekje bevat 147 gedichten, geordend in chronologische blokjes, zonder onderscheid tussen genres: kindergedichten, liedjes en ‘grotemensengedichten’ staan kriskras door elkaar. Zo zie je des te beter de constante in haar werk: non-conformisme, humor met een soms gevaarlijk scherpe rand, spelen met hooggestemde en banale registers, en dat heerlijke jongleren met taal.

In het openingsgedicht spreekt Schmidt een klein meisje aan:

Aan een klein meisje

Dit is het land, waar grote mensen wonen.
Je hoeft er nog niet in: het is er boos.
Er zijn geen feeën meer, er zijn hormonen,
en altijd weer is er wel wat anders loos.

En in dit land zijn alle avonturen
hetzelfde, van een man en van een vrouw.
En achter elke muur zijn and’re muren
en nooit een eenhoorn of een bietebauw.

En alle dingen hebben hier twee kanten
en alle teddyberen zijn hier dood.
En boze stukken staan in boze kranten
en dat doen boze mannen voor hun brood.

Een bos is hier alleen maar een boel bomen
en de soldaten zijn niet meer van tin.
Dit is het land waar grote mensen wonen…
Wees maar niet bang. Je hoeft er nog niet in.

Het zet de toon voor de hele bloemlezing. Schmidt bekijkt de grotemensenwereld met de kritische blik van een volwassene die nog volop in contact staat met het kind in zichzelf. Niets of niemand is veilig voor haar humor en haar fileermes, of het nu gaat om de burgerdames in het kapsalon van Monsieur Maurice of om de zinledigheid van tv-interviews.

In het gedicht ‘Zondag’ verwoordt ze op onnavolgbare manier een druilerig zondagmiddaggevoel. 

Zondag

Geen plaats ter wereld is zo godverlaten
en zo fatsoenlijk als het Scheldeplein,
bij avond als het regent en de straten
langer en glimmender en leger zijn.

Dit is een stad met veel te weinig moorden.
Het regent gluiperig in het plantsoen.
De tramrails wijzen koppig naar het noorden
en dat is dan ook alles wat zij doen.

Die man zou het waarschijnlijk niet begrijpen,
die man daar op de hoek, wat ik bedoel,
wanneer ik plotseling zijn hand zou grijpen
en zeggen zou, hoe eenzaam ik me voel.

Ik ga naar huis. Daar wachten me twee ramen,
een beddensprei (gehaakt), en aan de muur
een plaatje van een veel te mooie dame.
En dan de wekker nog. Op zeven uur.

Niet dat Schmidts poëzie altijd hetzelfde niveau haalt. Er zitten ook zwakkere gedichten tussen, sommige verzen zijn wat voorspelbaar, andere gaan gebukt onder rijmdwang of een stokkend ritme. Maar dat doet niets af aan het feit dat er heel veel te genieten valt. Laat die tv-interviews dus maar even wat ze zijn om te grasduinen in Die van die van u: u wordt er een blijer mens van.

(Naar Veerle Vanden Bosch in DS Letteren 5-12-14)

ANNIE M.G. SCHMIDT
Die van die van u
Van Oorschot, 256 blz., 24,90 euro

INKIJK IN DE BLOEMLEZING– blz. 1-20

MEER IN BOEKEN OVER BOEKEN

TV – Op 2 oktober 2014 werd in DWDD aandacht besteed aan dit boek en werden gedichten van Annie M.G. Schmidt voorgelezen door Koos Postema, Dieuwertje Blok, Marcel Hensema en Connie Palmen.

Video 13’52”


Omhoog



Over leraren en hun opleiding - Twee recente boeken

Twee recente boeken over de lerarenopleiding verdienen onze aandacht.

Het eerste is “Essays over de leraar en de toekomst van de lerarenopleiding” (red. Ruben Vanderlinde, Isabel Rots, Melissa Tuytens, Kris Rutten, Ilse Ruys, Ronald Soetaert, Martin Valcke). Het bevat een aantal essays die geschreven en samengebracht werden door de vakgroep Onderwijskunde van de Universiteit Gent.


De redactiegroep deed dat naar aanleiding van het afscheid van professor Antonia Aelterman van de Gentse universiteit op 1 oktober 2013. De auteurs willen met hun bijdrage aan dit boek prof. Aelterman danken voor haar langdurige inzet voor het beleid, het onderzoek en de praktijk van de Vlaamse lerarenopleidingen.

Die worden nu vooral als “problematisch” voorgesteld.  Dit boek behandelt zeven thema’s die ruim aanzetten tot reflecteren over de toekomst van de lerarenopleidingen:
1. Identiteit van leraren en hun basiscompetenties
2. Werkplekleren en professionalisering
3. Onderzoek in de lerarenopleiding
4. Vakdidactisch onderzoek
5. Professionalisering van lerarenopleiders
6. Diversiteit in de lerarenopleiding
7. Lerarenopleiding: verleden en toekomst

Niet minder dan 35 auteurs stemden toe om in 21 essayteksten te reflecteren op de lerarenopleiding en ontwikkelingen daarbinnen. De zeven thema’s weerspiegelen het academische curriculum en de persoonlijke betrokkenheid en engagement van prof. Aelterman: de leraar en zijn of haar opleiding.
De auteurs willen met hun bijdrage op basis van hun ervaringen en hun expertise de lezer aanzetten tot reflectie, maar ook verwachten ze dat hun bijdragen het maatschappelijk debat voeden rond de toekomst van de leraar en de lerarenopleidingen.

Specifiek voor het vak Nederlands is er de bijdrage van André Mottart “Literatuurleraren opleiden in tijden van ‘ontlezing’ en ‘onwetendheid’ (pp. 151-159).

Het is een publicatie van Academia Press, Gent, 213, viii+286 pp. - € 20

Het tweede boek draagt als titel
Laat leraren schitteren – Inspiratiegids voor leraren en lerarenopleidingen van morgen”.
Het is in de eerste plaats bedoeld voor lerarenopleiders. De auteurs zijn Ruth Wouters, Rudi Haven, Annemie Winters, Bieke De Fraine, Bregt Henkens m.m.v. Bart Boelen, Lotte Brants, Willy Brion, Tanja Ceux e.a. De publicatie sproot voort uit het tweejarig kernproject ‘Leraren doen schitteren’ van de School of Education met docenten van de KU Leuven, KH Leuven en CVO-HIK.


Dit boek wil een constructieve bijdrage leveren aan het maatschappelijk debat over de nabije hervorming van het secundair onderwijs met daarbij de implicaties voor de lerarenopleiding. De auteurs bundelen hun bevindingen uit literatuur, interviews met experts en gesprekken met lerarenopleiders en schoolleiders. Zij reiken gereedschappen aan die lerarenopleidingen contextspecifiek kunnen inzetten in hun curriculum om te focussen op de hervorming van het secundair onderwijs die eraan komt.

Hoofdstukken 1 en 2 schetsen de achtergrond van de hervorming van het secundair onderwijs en de relatie met een mogelijke innovatie van de lerarenopleiding. Hoofdstukken 3 tot 6 belichten met vier thema’s telkens de vorming van een aspect van de leraar. Zo is de leraar van de toekomst meer dan enkel kennisoverdrager en treedt hij/zij ook op als competentieontwikkelaar, diversiteitsbegeleider, maatschappelijk geëngageerd vakdeskundige en leer- en keuzebegeleider. Hoofdstuk 7 behandelt verder expliciet de rol van een lerende lerarenopleiding en lerende scholen. Vanaf hoofdstuk 3 worden telkens een aantal fiches bij elk hoofdstuk gevoegd met recente voorbeelden van goede praktijken in de verschillende lerarenopleidingen in Vlaanderen. Het zijn literatuurfiches en praktijkfiches. Elk van die hoofdstukken eindigt met telkens een paar methodieken om met het hoofdstukthema aan het werk te gaan: eentje voor een vakgroep, opleidingsteam of werkgroep en eentje voor de individuele lerarenopleider, student onderwijskunde of pedagogisch begeleider. Die methodieken zijn aanzetten om de grote uitdaging aan te gaan tot reflectie-, ontwikkel- en innovatiewerk (pp. 13-14).

Het is een publicatie van Lannoo Campus, Tielt, 212 pp. - € 24,99.

Het boek inkijken: http://www.lannoo.be/laat-leraren-schitteren
Nog informatie: http://laatlerarenschitteren.weebly.com/

Omhoog



Sprekend leren. Wanneer groepswerk écht rendeert in het lager onderwijs -
Jan T'Sas (juni 2013)


Dit is de titel van het boek dat Jan T’Sas bij Die Keure publiceert.
Hij stuurt ons de volgende informatie toe over zijn publicatie.


Vorige week is een boek verschenen waar ik met veel plezier aan gewerkt heb. Het gaat over groepswerk en spitst zich toe op een tot nu toe zwaar onderbelicht aspect daarvan, namelijk sprekend leren. Daar is vooral in Engeland al heel wat onderzoek naar gevoerd en daar haal ik ook de mosterd. Na een aantal erg positieve reacties op nascholingen die ik hierover gaf bij CNO en in scholen, is het uiteindelijk tot een publicatie gekomen. Meer dan waarschijnlijk ga ik er op mijn beurt evidence-based onderzoek naar doen, maar het boek ligt er alvast. Doelgroep zijn leraren(opleiders) lager onderwijs en pedagogisch begeleiders, al is veel van het gedachtegoed transferabel naar alle onderwijsniveaus.

Kort gezegd zoemt ‘Sprekend leren. Wanneer groepswerk écht rendeert in het lager onderwijs’ in op de gekende aspecten van groepswerk: opdrachten, organisatie, structuur, evaluatie. Een apart hoofdstuk is gewijd aan sprekend leren en daar zit ook concreet lesmateriaal bij.

Ik stuur je als bijlage meer informatie:  een korte tekst ‘waarom schreef je dit boek’…

Alvast bedankt voor je interesse. …

Groeten

Jan T’Sas

Waarom en hoe en een paar reacties

Waarom schreef je dit boek?

Over sprekend leren bestaat heel weinig literatuur in het Nederlandse taalgebied. Dat vind ik erg verwonderlijk, zeker als je weet hoeveel zowel kinderen als volwassenen via taal van elkaar leren. Dat wordt ook aangegeven door de overheersende leertheorieën: kennis opbouwen doe je niet alleen. De meeste kansen om sprekend te leren in de klas krijgen leerlingen tijdens groepswerk. Redenen genoeg dus om daarop in te zoomen. Er bestaan al heel wat uitstekende boeken over groepswerk en coöperatief leren, maar het aspect spreken krijgt daarin weinig of geen aandacht.

Waarom is er behoefte aan een dergelijk boek?

Al jaren doe ik met leraren, studenten en leerlingen twee discussie-experimenten. Bij het eerste ervaren ze wat er gebeurt als niemand naar elkaar luistert, geen argumenten gebruikt, niet doorvraagt of geen positieve feedback geeft. Bij het tweede ondervinden ze hoe een gesprek tot niets leidt als iedereen het gauw-gauw met elkaar eens is. De experimenten zijn erg leuk om te doen en te observeren, maar leraren herkennen daarin ook heel goed hoe hun leerlingen tijdens groepswerk gesprekken voeren met soms heel weinig kwaliteit. Blijkbaar missen kinderen en jongeren een aantal cruciale basisregels om gesprekken te voeren waaruit ze echt van elkaar leren. Met dit boek breek ik een lans voor een gespreksdidactiek toegepast op groepswerk.

Hoe kwam het boek tot stand?

Enkele jaren geleden volgde ik een workshop bij prof. Neil Mercer en zijn vrouw Lyn Dawes, beiden van de universiteit van Cambridge. Zij hebben de didactiek van sprekend leren uitgewerkt op basis van onderzoek en ook al heel veel boeiend lesmateriaal ontwikkeld. Hun verhaal betekende voor mij de missing link in de didactiek spreken en luisteren, die ik in de lerarenopleiding aan de Universiteit Antwerpen behandel. Aansluitend verwerkte ik de materie in workshops voor leraren. Maar daaruit leerde ik dat leraren niet enkel het verhaal van sprekend leren willen horen, ze hebben ook vragen over andere aspecten van groepswerk. Wat begon als een syllabus voor studenten en leraren moest dus wel een boek worden.

Reacties uit de omgeving die je kreeg:

“Hoe boeiend! Sprekend leren, zoals jij dit opvat, herkennen we en daar werkten we in onze lerarenopleiding ook gedeeltelijk naar. Maar jij slaagt erin om dit samenvattend en didactisch analyserend uit te werken. Hier krijgen leraren een waardevol instrument in handen!”
(Riet Jeurissen, lerarenopleider, Xios hogeschool Hasselt)

“Een schitterend geheel dat samenvat wat nu her en der ‘los vliegt’.”
(Hilde Van den Bossche, lerarenopleider, KAHO Sint-Lieven Campus Waas)


Meer informatie o.m. de inhoudsopgave vindt u op

http://www.educatief.diekeure.be/leesleerleef/?ID=2109

Het boek kost 27,50 euro en kan worden besteld bij uitgeverij die Keure, via website www.educatief.diekeure.be of www.leesleerleef.diekeure.be, telefonisch 050 47 12 62 of via mail educatieve.uitgaven@diekeure.be. Het boek is ook verkrijgbaar via elke boekhandel.

Lees ook wat didacticus Kris Van den Branden schreef op zijn blog "Duurzaam onderwijs"
De kracht van interactie (3): Sprekend leren tijdens groepswerk

Omhoog


 

Handboek Taalbeleid Secundair Onderwijs - Kris van den Branden en Nora Bogaert (juni 2011)

Uitgeverij Acco publiceert in juni 2011 het ‘Handboek Taalbeleid Secundair Onderwijs’ van de hand van  Kris van den Branden en Nora Bogaert. Het verschijnt na het ‘Handboek Taalbeleid basisonderwijs’, na 'Taalbeleid in het hoger onderwijs: de hype voorbij?' beide Acco-uitgaven en na ‘ Naar taalkrachtige lerarenopleidingen: Bouwstenen voor taalbeleid’ bij Plantyn. Taalbeleid staat dus nog volop in de belangstelling bij uitgeverijen en onderwijsverstrekkers.

De auteurs brengen in dit boek alle belangrijke informatie over taalbeleid op de secundaire school bijeen. Hoe kan je de taalontwikkeling van leerlingen in de verschillende studierichtingen stimuleren? Hoe omgaan met taal in alle vakken? Hoe taalcompetenties opvolgen en evalueren? Hoe schrijf je een taalbeleidsplan? En hoe werk je met een team dat taalbeleid uit?

Zie de Inhoudsopgave [PDF]

Bij de presentatie van hun boek brengen de auteurs alvast de volgende boodschap over dat taalbeleid op school:

“Alle leerkrachten gaan van ’s morgens vroeg tot laat in de namiddag met taal aan de slag: ze gebruiken taal om hun leerlingen te onderwijzen, om met hen een band te smeden, om hen te evalueren, om hen huistaken te geven, enzovoort. En leerkrachten vragen ook de hele dag dat leerlingen taal gebruiken: dat ze luisteren, praten, schrijven en lezen in allerlei uiteenlopende situaties. In alle vakken gebeurt dat, niet alleen tijdens de taalactiviteiten. Elke leerkracht zal daarbij, bewust en onbewust, zijn taalgebruik en taaleisen aanpassen aan de leerlingen die hij voor zich heeft. De vraag is dan: wanneer wordt dat dagelijks omgaan met taal een echt 'strategisch' en 'structureel' taalbeleid op school?

Taalbeleid krijgt op een secundaire school systematisch vorm als een schoolteam:
- bewust stilstaat bij wat alle leden van het team concreet met taal doen en zich afvraagt hoe effectief en efficiënt dat is voor de ontwikkeling van de leerlingen;
- beslist aan welke problemen en zwaktes prioritair aandacht moet worden geschonken;
- voor die prioritaire aandachtspunten doelstellingen bepaalt en aan die doelstellingen gepaste acties verbindt;
- die acties met alle betrokkenen probeert uit te voeren;
- het effect van die acties evalueert en waar nodig bijstuurt.

Een taalbeleid begint en eindigt bij de leerlingen. Het komt tot leven in de dagdagelijkse preventieve acties op het vlak van taal die alle leerkrachten in de klas nemen ten behoeve van het leerproces van de leerlingen. Het moet staan voor de gezamenlijke inspanning van alle schoolteamleden om het gebruik van taal in het onderwijs zo goed mogelijk aan te passen aan de noden van de leerlingen, zonder bepaalde kwaliteitsnormen in het gedrang te laten komen. De ultieme toetssteen voor een geslaagd taalbeleid is dus niet hoe tevreden de leerkrachten of de directie erover zijn maar of de leerlingen, dankzij de uitvoering van het taalbeleid, sterker tot ontwikkeling komen.

Van deze basisboodschap is het hele handboek doordrongen. De vele praktijkvoorbeelden, ideeën en argumenten die in dit boek werden beschreven, wapenen de lezer hopelijk om in hun school een echt taalbeleid tot leven te brengen.”

Uitgave Acco, Leuven
ISBN: 978-903348075-1 – 280 blz. – prijs: € 30.

Recensies

In Les, Nederlands Tijdschrift voor het onderwijs aan anderstaligen nr. 175 van februari 2012 zijn gelijktijdig twee recensies verschenen over het handboek. De eerste onder de titel "Handboek taalbeleid secundair onderwijs deel I - Taal is de zuurstof van het onderwijs" is van de hand van de Vlaamse recensent Dirk Eggermont. Hij is over de hele lijn vol lof over het handboek. We citeren zijn besluit. 'Als besluit mogen we stellen dat dit handboek een heel volledig en nauwkeurig gestructureerd beeld schept van het Vlaamse secundaire onderwijs. Het is een handig en functioneel service instrument voor zowel studenten vakdidactiek in de lerarenopleidingen, als voor ervaren docenten. De praktijkvoorbeelden en suggesties voor werkvormen, lessen en projecten zijn uitermate inspirerend voor wie bewust stil wil staan bij de taalontwikkeling van alle leerlingen op school.'

Daarop volgt de bespreking "Handboek taalbeleid secundair onderwijs, deel 2" van de Nederlandse didactica Christel Kuijpers. Zij gaat na in hoeverre de beschreven Vlaamse ervaringen ook bruikbaar zijn voor wie in Nederland taalbeleid binnen het vo (zullen) formuleren, uitvoeren, begeleiden en/of evalueren. Zij volgt grotendeels de beschouwingen van haar collega Dirk Eggermont, maar zij vindt het werk niet echt geschikt om te gebruiken in de lerarenopleidingen in Nederland. Dat is wel het geval voor haar Nederlandse collega's-didactici. Het boek biedt volgens haar een compleet overzicht van bouwstenen en procesbeschrijvingen van fasen van taalbeleid, dat ook te koppelen is aan het vo en het mbo in Nederland.

In Levende talen, tijdschrift 13e jg. nr. 1 van april 2012 onder GESIGNALEERD blz. 45-47 recenseert Teun Meestringa het Handboek Taalbeleid Secundair Onderwijs.
De recensent vertrekt van de brede definitie van taalbeleid uit het eerste hoofdstuk van waaruit in het handboek wordt gewerkt: “de structurele en strategische poging van een schoolteam om de onderwijspraktijk aan te passen aan de taalleerbehoeften van de leerlingen met het oog op het bevorderen van hun schoolresultaten”.  Verder geeft hij een volwaardige beschrijving van de hoofdstukken in de twee delen “Bouwstenen van taalbeleid” en “Processen van taalbeleid” van de inhoud van dit handboek.  
Graag citeren we hier de afrondende beoordeling van Teun Meestringa van het werk van beide Leuvense didactici:
“Bogaert en Van den Branden hebben een omvattend handboek opgeleverd dat rijk is aan voorbeelden met talloze bruikbare tips en suggesties, die ook voor de Nederlandse situatie relevant kunnen zijn. Vooral het tweede deel over het proces van taalbeleid voorziet m.i. in een behoefte. En als naslagwerk is het zeker een aanwinst. De bruikbaarheid in Nederlandse begeleidings- en scholingssituaties wordt echter enerzijds beperkt door de Vlaamse insteek (Vlaamse eindtermen en – logisch – geen aandacht voor het referentiekader taal), en anderzijds door de opbouw van het boek die wat mij betreft wel wat strakker en systematischer had gemogen. De drieslag van leerlingen, klas, en school ook doortrekken in de andere hoofdstukken van deel I, en een helder onderscheid maken tussen de bijdrage van het schoolvak Nederlands, eventuele steunlessen en de andere vakken, was mij lief geweest. Maar het is een rijk boek, dat zijn weg ook in Nederland wel zal weten te vinden.”

Omhoog



Ideeënboek Sociale media in het onderwijs - Erno Mijland (maart 2011)

Enkel digitaal in pdf-formaat beschikbaar.
Met ideeën voor Nederlands en voor andere onderwijsdomeinen.

Inleiding

Sociale media zijn internettoepassingen, waarmee mensen online met elkaar in contact
kunnen komen. Je kunt ze op een informele manier en voor je plezier gebruiken, maar ook voor samenwerking op afstand én om met en van elkaar te leren. Voor het onderwijs is met name dat laatste van belang.


Op vrijdag 18 februari 2011 verzorgde ik in opdracht van SchoolnetBrabant.nl een workshop over sociale media in het onderwijs. Na een introductie op het thema gingen de deelnemers aan de slag met het bedenken en beschrijven van een praktische toepassing van sociale media in het onderwijs.

Een van de kenmerken van sociale media is dat je tijd- en plaatsonafhankelijk kennis kunt delen en kunt samenwerken. Om die invalshoek te illustreren, leek het me een mooi experiment de buitenwereld bij de workshop te betrekken. Voor wie er niet bij kon zijn, maar wel mee wilde doen, bood ik op mijn weblog een artikel aan met de samenvatting van mijn introductie en een beschrijving van het praktijkgedeelte. Om het aantal deelnemers zo groot mogelijk te maken, postte ik aankondigingen van deze activiteit in een aantal LinkedIngroepen en op Twitter (hashtag: #smiho).

Voor het verzamelen van de lesideeën gebruikten we de formulier-functie van Google Docs. Het formulier dat de deelnemers in moesten vullen, correspondeerde met het format dat ik had opgesteld voor het beschrijven van het lesidee. De ingevulde gegevens kwamen binnen in een online spreadsheet, waar ik ze vervolgens uithaalde om ze te verwerken en redigeren in deze verzamelbundel.

Op maandagochtend, 21 februari, 8.30 uur was de deadline. Ik was aangenaam verrast door de creatieve energie die vrij was gekomen op één vrijdagmiddag en in één weekend. Wat een mooie, diverse oogst! En wat een toewijding: er kwam zelfs een inzending binnen om half een in de nacht van zaterdag op zondag. Aan iedereen die heeft bijgedragen daarom een ‘thumbs up’ en veel dank voor de inspiratie!

Het resultaat is een deze bundel met ideeën. Sommige gaan over een heel specifiek onderwerp, andere zijn breed inzetbaar. Met een aantal kun je direct aan de slag, andere zul je nog moeten vertalen naar je eigen praktijk. Volg de instructies nauwgezet of ga er losjes mee om, schaaf bij op basis van ervaring, vraag feedback aan je leerlingen of studenten en... deel je inzichten met je netwerken.

Erno Mijland


onderwijsjournalist/schrijver, trainer en adviseur
auteur ‘Nu leren voor morgen’
mede-auteur en -eindredacteur leergang ‘Slimmerkunde’ [www.slimmerkunde.nl]
www.ernomijland.com




Inhoud

Learning apart together 4

Over het format 7

1 Overhoringen delen met Wrts 8
2 Een klassenblog met Blogger 9
3 Een Guyku gedichtenbundel met Google Docs 10
4 Een opdracht visualiseren met Scribblar 11
5 School2School met Blogger 12
6 Een online enquête maken met Google Docs 13
7 Droombaan 14
8 Skype Discovery 15
9 Hoe wonen de mensen in... 16
10 Online imago 17
11 Psychofarmacologie database met PB Works 18
12 Voedselweb met Scribblar 19
13 Stelopdracht/instructiefilmpje met Screencast-O-Matic 20
14 Oriëntatie op de sector Zorg en Welzijn 21
15 Mindmappen met Mindmeister 22
16 Kennisdatabase maken met Evernote 23
17 Online leerstrategieën bij afwezigheid docent 24

Hall of Fame: de makers van deze bundel 25

Overzicht besproken online tools 26

Twee commerciële oplossingen 27

Een gratis workshop op uw school? 27


Het ideeënboek sociale media in pdf

 

Omhoog


 

'Naar taalkrachtige lerarenopleidingen. Bouwstenen voor taalbeleid'
red. Dorothea Van Hoyweghen - uitg. Plantyn

Algemene presentatie

Om de grote diversiteit in startcompetenties op te vangen, moeten de lerarenopleidingen niet alleen over kijkwijzers en over geschikte screenings- en toetsingsinstrumenten beschikken. Zij moeten ook hun talige eisen expliciteren en gepaste remediëringsroutes opzetten. Efficiënte leertrajectbegeleiding of monitoraat op maat vergen een grondige analyse van de startcompetenties, maar ook van de academische en professionele taalcompetenties die de studenten op het einde van hun studieloopbaan verworven moeten hebben.
Alleen een didactiek die rekening houdt met meervoudige multiculturele en multimediale geletterdheid, biedt een afdoend antwoord op de huidige diverse instroom en op de eisen van onze maatschappij.
Professionalisering van het corps is onvermijdelijk, als de lerarenopleidingen het principe 'Teach what you preach' willen huldigen en willen overschakelen op taalontwikkelend onderwijs en op de inzet van geschikt taalondersteuningsmateriaal.

Dit boek:
-  wijst op de grootste taalstruikelblokken bij beginnende studenten en op de taalnoden die docenten ervaren,
-  reikt een specifiek referentiekader aan om te komen tot een kwaliteitsvol eindproduct,
-  bevat praktijkvoorbeelden die aantonen hoe gelijke uitgangspunten kunnen leiden tot verschillende resultaten.
Het boek biedt een 'blended learning solution', een multimediaal pakket met oog voor parallellen en verschillen in het taalbeleid van universiteiten, hogescholen en cvo's. Bij de verschillende fasen die de universiteit, de hogeschool en het cvo doorlopen van noodzakelijke startcompetentie, over academische tot professionele taalcompetentie, dient de uitgave zich aan als de geschikte gids.

* Frank Vandenbroucke, voormalig onderwijsminister, schreef het woord vooraf: klik hier (pdf)
* Beschrijving van de inhoud met de krachtlijnen van elk hoofdstuk: klik hier (pdf)
* Auteurs: Frans Daems, Jeroen Lievens, Nora Bogaert, Tine Van Houtven, Elke Peters, Guido Cajot, Joke Vrijders, Tom Venstermans, Lieve Verheyden, Riet Jeurissen, Elly Quanten, Hilde Van den Bossche, Carine Steverlynck, Dirk Berckmoes, Hilde Rombouts, Véronique Minnebo, Jan Loosveld, Wouter Schelfhout, Roger Van den Borre, William Vroonen, José Vandekerckhove, Ingrid Evers, Piet-Hein van de Ven, Bart Van der Leeuw, Mieke Lafleur, Johanna van der Borden, Jo Van den Hauwe, Bart Horemans, An De Moor.

Recensie

Dit boek sluit aan bij de reflectie rond taalbeleid in het hoger onderwijs dat onder impuls van de vorige onderwijsminister werd ingezet en het is in feite een gerijpte en gediversifieerde voortzetting daarvan.

Visie

De inleiding van onderwijsminister Frank Vandenbroucke geeft al heel duidelijk aan wat de opzet, de zin en de effectiviteit kan zijn van dit bij uitstek belangrijk didactisch werk voor de hogere onderwijsopleidingen. Naast remediale aanpakvormen inzake taalbeleid lijkt de idee van taalontwikkelend lesgeven een vernieuwende dominante te zijn in dit boek. De idee wordt gelanceerd, ze wordt al toegepast in enkele lerarenopleidingen en ze biedt perspectieven op grotere efficiëntie en meer kansen voor meer studenten in de lerarenopleidingen. Het loont alvast de moeite voor lerarenopleiders er zich op toe te leggen, de idee mee te nemen in de eigen praxis en ze ruimer ook uit te dragen naar de aankomende leraren.

In het eerste deel rond visieontwikkeling treffen we het vlot leesbaar en uitstekend gestoffeerd ‘Elke leraar is taalleraar. Een referentiekader voor taalbeleid in de lerarenopleiding’ van Frans Daems. Het begrip taalbeleid in zijn smalle en brede opzet wordt in herinnering gebracht en de drie vormen van taalbeheersing voor het hoger onderwijs krijgen hier als concept hun volle invulling: de starttaalcompetentie om de studies aan te vatten, de academische taalcompetentie die nodig is om het curriculum succesvol te doorlopen en de professionele taalcompetentie die op het einde van de studie verworven moet zijn om de aankomende leraar in staat te stellen zijn rol te spelen in het opzetten en uitvoeren van het taalbeleid in de school waar hij zijn lerarenfunctie opneemt.

Uit een heel ander vaatje tapt communicatiedocent Jeroen Lievens in een tweede visieartikel ‘Meervoudige geletterdheid als gewenste hoeksteen van een krachtig, hedendaags en sociaal inclusief hogeschooltaalbeleid. Dit streven naar meervoudige geletterdheid, waarbij de studenten actief en creatief leren omgaan met de eigentijdse gemediatiseerde en gedigitaliseerde communicatievormen, is baanbrekend voor het onderwijsontwikkelend leren. Het vergt wel een hele ommezwaai in het denken van de doorsnee lerarenopleiders en de stap naar deze pedagogie van meervoudige geletterdheid als daartoe beslist wordt, zal een bijzondere inspanning vergen om die op effectieve wijze te leren beheersen om ze in praktijk te brengen. Wellicht is het die inspanning en dat engagement waard.

Noden

In het tweede deel wordt getast naar de taalnoden in de lerarenopleidingen. In elk van de drie bijdragen blijkt dat taalontwikkelend tewerk gaan veel verkieselijker is dan de gebruikelijke praktijk van de instaptoetsen die remediërend bedoeld zijn maar die het veruit moeten afleggen tegenover gedegen behoefteanalyses. Die laatste laten toe de reële noden aan te wijzen en voor het geheel van de studentengroepen taalondersteunend te werken met gebruikmaking van het passende materiaal. In ‘Taalnoden in de lerarenopleiding’ van het expertisenetwerk van de Associatie K.U. Leuven werd in vijf hogescholen een digitale bevraging uitgevoerd om de noden te kennen zowel voor de starttaalcompetentie als voor de academische en professionele taalcompetenties van de aspirant-leraren. Hierin wordt dieper en concreter ingegaan dan in het referentiekader van Frans Daems op die drie vormen van taalvaardigheid. Daaraan hebben lerarenopleiders alvast een beter inzicht in wat zij binnen het curriculum als taalontwikkelende gegevens moeten meenemen. Het was de bedoeling om aansluitend bij dat onderzoek het nodige materiaal en de strategieën te ontwikkelen. Wij zijn benieuwd naar de (publicatie van) de resultaten. In een 3e bijdrage ‘Taalbeleid uit de startblokken. Een taaltest of een behoefteanalyse als startschot?’beantwoorden Tine Van Houtven, Elke Peeters en Guido Cajot of een taaltest of een behoefteanalyse de beste aanpak is. Zij steunen zich op een behoeftenanalyse leesvaardigheid in de lerarenopleiding bachelors en op een zesdelig taalvaardigheidsonderzoek. Gewone screening blijkt veruit inferieur tegenover een volwaardige behoeftenanalyse.

Fundamenteel voor de opzet van een taalbeleid in het hoger onderwijs zoals dat beoogd wordt in het hele boek is wel het 2e hoofdstuk van Nora Bogaert ‘Instaptoetsen volgens de regels van de kunst’. In enkele bladzijden herhaalt de auteur nog eens duidelijk en indringend welke de criteria zijn voor adequate toetsen: ze moeten fair, valide en betrouwbaar zijn. Ze toont ook de complexiteit aan van de opzet van toetsing en pleit voor gebruik ervan voor taalontwikkelend lesgeven. In kort bestek en overzichtelijk kunnen hier lectorenteams vinden wat en hoe ze het voor elkaar moeten krijgen.

Taalbeleid

Drie lerarenopleidingen beschrijven in dit deel hoe ze elk op zijn eigen manier taalbeleid organiseren in de praktijk. In een vierde bijdrage geeft de onderwijsinspectie haar bevindingen over het taalbeleid in de specifieke lerarenopleidingen in het volwassenenonderwijs.

In ‘Taalbeleid werkt, maar niet vanzelf’ brengt Joke Vrijders verslag uit van de organisatie en de bevindingen gedurende al drie academiejaren van het taalbeleid in de Arteveldehogeschool in Gent op het niveau van de bacheloropleiding Secundair onderwijs bij zowat 2.000 studenten. Dat gaat van screening naar remediëring met zelfstudie, taalworkshops met studenten als taalcoach en individuele begeleiding op maat, maar ook naar professionalisering van docenten, die studenten moeten kunnen doorverwijzen, feedback geven via kijkwijzers en een modelfunctie moeten kunnen uitstralen. Voor de professionele taalcompetentie van de studenten krijgen de collega’s de vaardigheid om hun studenten taalgericht vakonderwijs te leren vormgeven om de studenten weerbaar te maken een taalbeleid op schoolniveau te helpen ontwikkelen. In deze hogeschool wordt gewerkt met een flankerende taalbeleidslijn met o.m. breed ontwikkeld ondersteuningsmateriaal.

Vanuit een andere invalshoek schetst Tom Venstermans het taalbeleid op de Karel de Grotehogeschool in ‘Van screening naar onderwijs op maat’. Hier voeren screenings en beginassesments van startcompetenties naar aangepaste leerroutes waarbij individuele studenten bijgestaan worden door een leertrajectbegeleider nog verder geassisteerd door een taalvaardigheidslector. Ook begeleidingsintrumenten en –instanties helpen naar behoefte de taalvaardigheid van de studenten te verbeteren. Een geïndividualiseerde volgfiche voor mondelinge en schriftelijke taalvaardigheid houdt de vorderingen bij tijdens de leerroute. Dat alles moet de slaagkansen vanuit een toenemende taalbeheersing bevorderen.
Dan brengen drie lerarenopleidingen hun praktijkverhaal met parallellen en verschillen onder de beeldende titel ‘Mol, uil of libel… drie stadia in een taalbeleidsproces’: de Xioshogeschool in Hasselt met Riet Jeurissen en Elly Quanten (bachelor basisonderwijs),  de K.H. Leuven met Lieven Verheyden (bachelor KO), de KaHo Sint-Lieven Campus Waas met Hilde Van den Bossche (bachelor basisonderwijs)..
De verhaallijn in Xios loopt van veel aandacht voor taal naar taalvaardigheidsonderwijs gekoppeld aan taalleerstrategieën, naar een reëel taalbeleid met aanvankelijk geïsoleerde initiatieven vanuit lectoren Nederlands en de vakgroep Nederlands naar een integraal taalbeleid van het volledige opleidingsteam aan de hand van een taalbeleidsplan. Het verhaal loopt steeds verder met nu heel veel aandacht voor de ontwikkeling van kernleertaken met een leerlijn. Daarbij viseert het team als teksttypen gesprekken – vragen, instructies, werkbundels – informatieve teksten – verslagen – presentaties gekoppeld telkens aan de daarbij passende taalhandelingen. Voor de K.H. Leuven loopt het verhaal nagenoeg parallel met dien verstande dat de basis van het taalontwikkelend leren gevormd wordt door de Kijkwijzer Mondelinge Communicatie en de Kijkwijzer Schriftelijke Communicatie die afdelingsbreed worden gehanteerd. Waar de K.H. Leuven zich inzette voor de bevordering van de academische taalcompetentie, richt de KaHo Sint-Lieven zich krachtig op de professionele taalvaardigheid van haar studenten. Daarbij wordt vooral gemikt op de realisering van de NTU-taaldoelen. Ook hier pogen de docenten van een integrerend taalbeleid naar een integraal taalbeleid door te stoten wat niet zonder knelpunten en hindernissen verloopt.

Uit de drie verhalen blijkt hoe complex en dynamisch een taalbeleidssysteem is. In het conclusief gedeelte van deze bijdrage worden in dat perspectief belangrijke gevolgtrekkingen afgeleid die relevant kunnen zijn voor andere lerarenopleidingen, beleidscoördinatoren en –medewerkers. De factoren die een taalbeleidssysteem in beweging brengen worden opgesomd. De combinaties van acties die een taalbeleidsproces vooruit helpen worden aangegeven. Zeker belangrijk in die conclusie zijn de hefbomen voor taalbeleid: een stevig doordacht curriculum dat rekening houdt met een taalleertraject met daarbij een stevige verankering van het vak communicatieve vaardigheden in het totale opleidingsgebeuren, een stagegerichte insteek inzake professionele taal met de impact van de dertien doelen in het dozijn, een stevige vakgroep Nederlands, de passende professionalisering van de betrokken docenten, de student als aankomende leerkracht, de structurele inbedding van een taalbeleids(coördinatie)opdracht in het takenpakket van een of meer docenten.

Onderwijsinspecteur Carine Steverlynck geeft in haar bijdrage ‘Een ‘aparte’ taalkracht? Taalbeleid binnen de specifieke lerarenopleiding in het volwassenenonderwijs’ het relaas van de resultaten van haar onderzoek op de websites van de CVO’s en via een uitgebreide bevraging met een bevragingsformulier. Die resultaten geven aan dat zowat 75 % zich bekommert en zich inspant voor taalbeleid, maar dat er buiten enkele opmerkelijk goede opzetten nog weinig sprake is van een systematisch, coherent en doeltreffend taalbeleid. Het is in die onderwijssector in ontwikkeling zonder dat er al van evaluatie van resultaten sprake kan zijn. De auteur meent dat dit boek ,Naar taalkrachtige lerarenopleidingen’ dan ook bijzonder inspirerend zou kunnen zijn voor die specifieke lerarenopleidingen.

Taalcompetentie

In haar bijdrage ‘Wijzer kijken met kijkwijzers? Over een tussentijds product van taalbeleid’ geeft Lieve Verheyden de resultaten weer van haar kritisch onderzoek van negen erg verschillende kijkwijzers of observatielijsten. Zij puurt daaruit 13 tips voor een optimaliserende aanpak bij de constructie van kijkwijzers en voegt er ter voltooiing nog haar eigen ‘Kijkwijzer voor kijkwijzers voor communicatieve competenties’, haar ‘checklist waarmee kijkwijzers voor communicatieve competenties doorgelicht en bijgestuurd kunnen worden’.

Treffend is de titel van de bijdrage van Hilde Rombouts en Dirk Berckmoes van het ‘Monitoraat op maat’ van de Universiteit Antwerpen ‘Academische taalvaardigheid voor elke student. De meerwaarde van een taalmonitoraat op maat’. Op basis van vrijwilligheid en persoonlijke aanmelding kunnen de studenten uit alle faculteiten van de universiteit die aanvoelen dat zij bepaalde noden hebben inzake taalvaardigheid op een bepaald ogenblik van het academiejaar naast een aanpak binnen hun opleiding een extracurriculaire begeleiding aanvragen bij het monitoraat. De intentie “Ik wil academisch taalvaardiger worden”  voert tot een concreet individueel taalbegeleidingstraject met (een combinatie van) groepslessen, individuele ondersteuning en begeleide zelfstudie. De klemtoon in dit hoofdstuk ligt bij de voorstelling van drie casussen op de prominente rol van de taalbegeleider voor de betrokken student.
Een andere maar bijzonder boeiende invalshoek biedt de bijdrage van Véronique Minnebo, taalbeleidscoördinator in het Departement Sociaal-Agogisch werk van de Plantijn Hogeschool in Antwerpen. Ze is getiteld ‘Alle studenten taalvaardig! Taalbeleid, taalbegeleiding en taalontwikkelend lesgeven in een niet-taalgerichte opleiding’. De titel houdt de twee vormen van taalbeleid in die in haar departement gecultiveerd worden. Het taalbeleid omvat taalbegeleiding van alle studenten enerzijds en taalontwikkelend lesgeven anderzijds. Alle klemtonen in Minnebo’s hoofdstuk liggen op het cruciale thema taalontwikkelend lesgeven waarbij de professionalisering van de andervakdocenten o.l.v. de taalbeleidscoördinator in die richting nagenoeg alle aandacht krijgt. Aspecten daarvan zijn bijscholing van de collega’s in een paar workshops, individuele coaching, de beschikking over een materialenbank voor de docenten en studenten, de uitwerking van hulpmiddelen, regelmatig overleg en bijkomend een studententutoraat voor taalbegeleiding van hogerejaarsstudenten naar eerstejaars toe. Bij de beslissing om vooral taalontwikkelend les te geven blijken de verwachte valkuilen en struikelblokken maar ook voorstellen tot aanpak van die hindernissen.
Ook de onderwijsinspectie presenteert haar kijkwijzer voor taalbeleid. Vier onderwijsinspecteurs reiken die aan de lerarenopleidingen aan in hun bijdrage ‘Talenbeleid in dienst van de leerling. Voorstelling en duiding van de Kijkwijzer Talenbeleid van de onderwijsinspectie’. Hij is ontworpen ten behoeve van de inspectie zelf die een onderzoek uitvoert naar de manier waarop scholen van het leerplichtonderwijs aan talenbeleid gestalte geven. De inspecteurs menen dat in het licht van de verwerving van de professionele taalvaardigheidscompetentie van aspirant-leraren dit observatiemodel dienstig en nuttig kan zijn. Ons vallen daarbij als aandachtspunten op de aspecten van het Nederlands als vak, het Nederlands als instructietaal en het gebruik ervan voor de communicatie.

Taalkrachtig vormen

In een kortere bijdrage brengt José Vandekerckhove in zijn hoofdstuk vanuit zijn ervaringen als lerarenopleider slo K.U. Leuven en als pedagogisch begeleider enkele lossere ideeën samen in ‘De lerarenopleiding: een hefboom voor het taalbeleid in het secundair onderwijs’. Van groot belang vindt hij in de opleiding van aspirant-leraren hun competentie om taalgericht vakonderwijs te kunnen geven in hun stages en in de beginperiode van hun leraarschap. Vermetel is wel zijn relativering van de verankering van de standaardtaal in de basiscompetenties voor de leraar s.o... voor ruimte voor taalvariatie in navolging van de relativering van de betekenis van de standaardtaal in de geschriften van Joop van der Horst. In dat verband verwijzen we van in zijn referentiekader graag naar de genuanceerde visie van Frans Daems rond "Taal in de klas” op p. 16 van dit boek.

Een substantiële bijdrage leveren Ingrid Evers en Piet-Hein van de Ven van de Radboud Universiteit Nijmegen met ‘Taalbeleid ook op de universitaire lerarenopleiding’.  Daar wordt de module Vakspecifiek leren en taal aan de leraren-in-opleiding voor alle schoolvakken aangeboden. Een 2e module is die rond de NT2-problematiek over schooltaal en thuistaal, taalverwerving en woordenschatontwikkeling, plurilingualiteit en multiculturaliteit. De module Vakspecifiek leren en taal omvat vier sessies van anderhalf uur. Elke sessie vertrekt vanuit praktijksituaties en kent een eigen thema en een onderzoeksopdracht op dat thema geënt. Nauwkeurige interactieanalyse van getranscribeerde klasgesprekken, bewustmaking van de verschillende referentiekaders bij docenten en leerlingen rond een opdracht, het leren van vakspecifieke concepten en begrippen, een geoptimaliseerde formulering van een schrijftaak opende verrassende taalinzichten en perspectieven voor de lio’s, inzetbaar bij klassikale interacties in de bovenbouw. Daaruit ontstond vanwege de auteurs omwille van de positieve perspectieven een pleidooi voor institutionalisering van de module aan de eigen universiteit en naar veralgemening naar de andere universitaire lerarenopleidingen gericht op alle docenten van alle vakken. Bijzondere waardering kwam er ook voor het digitale kennisplatform van LEONED met zijn Kennisbasis Nederlands.

Van daaruit krijgen we in de bijdrage van Bart van der Leeuw, Johanna van der Borden en Mieke Lafleur ‘Kennisbasis Nederlands voor de lerarenopleiding’ een ruim overzicht van inhouden en een helder inzicht in de ordening van de beide kennisbases Nederlands enerzijds voor de pabo en anderzijds voor de tweedegraadsopleiding. Ze dateren van 2009. Die kennisbases stimuleren een bijzonder fundamentele omslag in de aanpak van de lerarenopleidingen in Nederland. Die worden nu wel bepaald competentiegericht. De te verwerven competenties worden onderbouwd met de nu voorliggende kennisbasis. Met die kennisbasis komt vast te liggen wat aankomende leraren moeten kennen op het ogenblik dat zij de lerarenopleiding verlaten. De relevante beroepscompetenties moeten dan worden aangetoond en daarbij wordt geconstateerd of de afstudeerstudenten de vastgestelde kennis paraat hebben. Voor alle studenten  wordt dan dezelfde norm gebruikt. In de hogeschool Utrecht wordt nu al in de tweedegraadsopleiding de kennisbasis op een eigen doordachte wijze gehanteerd als instrument voor curriculumverbetering.
Aansluitend bij de voorstelling van de kennisbasis brengt Jo van den Hauwe een laatste bijdrage ‘De betekenis van de Kennisbasis Nederlands (pabo) voor Vlaanderen’. Voor hem gaat het in de kennisbasis om declaratieve kennis waarbij geen handelingsrepertoire aanwezig is en ze heeft dan ook vooral een encyclopedische waarde voor de Vlaamse lerarenopleidingen. Voor de ontwikkeling van de professionele taalvaardigheid van de studenten lerarenopleiding is er voor de auteur dan ook een eigen instrument gewenst dat onderliggende kennis beschrijft. Niettemin beschouwt hij de Kennisbasis Nederlands van Van der Leeuw e. a. als een waardevol document voor studenten en lerarenopleiders in Vlaanderen...

Knooppunt*


Merkwaardig, maar zin- en beloftevol is Deel 6 Taalkoppelingen zoeken. An De Moor verzorgde dit afsluitend zesde deel. Het is enkel voor bezitters van het boek alleen maar online beschikbaar. Zij moeten surfen naar www.knooppunt.net - zich registreren, hun persoonlijke gegevens invullen en hun licentie activeren met behulp van de code die ze bovenaan pagina 2 van het boek vinden. Mogelijk komen later nog digitale aanvullingen daarbij.


Deel 6 bevat de volgende hoofdstukken
1. Een lerend netwerk. Samenwerking tussen de lerarenopleidingen in de cvo's van het GO!
2. Inventaris e-platformen voor lerarenopleiders
3. Taalkoppelingen.


Tot slot

Als je het boek op je bureautafel legt, krijg je meteen op het voorplat de grote bol met vele kleine bolletjes daarop geënt in het vizier. Het is het vergrote facetoog van de libel. Het staat symbool voor de veelzijdige kijk op taalbeleid dat dit werk te bieden heeft en het verwijst naar de beeldrijke presentatie van de bijdrage van drie hogescholen die hun taalbeleid verbeelden met de mol, de uil en de libel.  
Met de visie op taalbeleid en met de praktische uitwerking in aanzet of in uitvoering bij vele lerarenopleidingen kunnen wij ons volmondig aansluiten. Wellicht  kon er wat meer nadruk worden gelegd op attitudevorming binnen het taalbeleid. Hoe moeilijk ook te vatten en te realiseren is het taalontwikkelend lesgeven als uitvloeisel van de didactiek van het taalgericht vakonderwijs de dominante stimulans in dit werk. Taalvaardigheid functioneel verwerven gelijktijdig met en verankerd in de leerinhouden kan op termijn een substantiële kwaliteitsverbetering en meer slaagkansen van aspiranten maar ook meer taalcompetente leraren opleveren in het onderwijs.

Het boek is ook aangenaam om te hanteren. Het bevat de nodige geraadpleegde lectuur. Het is keurig en leuk geïllustreerd met samenvattende of toelichtende tabellen en zeker is het prettig om tussendoor ook even te toeven bij de toepasselijke en puntige tekeningetjes van oud-collega Ides Callebaut. Het is ook degelijk gestructureerd in delen en hoofdstukken met telkens voor elk hoofdstuk de oriënterende en synthetiserende krachtlijnen ervan. De NTU-doelen en de basiscompetenties zijn als bijlagen toegevoegd.

Met veel belangstelling hebben we uitgekeken naar de publicatie van ‘Naar taalkrachtige lerarenopleidingen – BOUWSTENEN VOOR TAALBELEID. Na de aandachtige lectuur ervan zijn we niet ontgoocheld. Integendeel. We beseffen nu maar al te goed hoe belangrijk taalbeleid is in de lerarenopleidingen voor alle leraren. We begrijpen nu ook hoe stevig aan dat taalbeleid in het tertiair onderwijs wordt gewerkt. Dit boek is rijk aan relevante ideeën, geeft de diversiteit weer waarmee opleiders taalbeleid bekijken en bewerken. Het is inspirerend voor andere niveaus van onderwijs, maar evenzeer is het een visie- en ideeënuitwisseling van lerarenopleidingen onderling. We willen dit boek bij alle beleidsmensen, bij alle lerarenopleiders en leraren betrokken bij de lerarenopleiding en bij alle studenten die een lerarenopleiding hebben gekozen met veel genoegen aanbevelen: om het boek te lezen, te raadplegen en er op passende momenten naar terug te grijpen, om ondersteuning te vinden bij de eigen aanpak van zoveel wat thuis te brengen is onder dat taalbeleid. Wij zijn er dan ook zeker van dat het zijn weg, zijn lectuur en zijn gebruik in het werkveld van de lerarenopleidingen in Vlaanderen zal vinden. Wij bevelen het evenzeer aan voor de Nederlandse lerarenopleiders op elk niveau. Ook zij kunnen er enorm voordeel aan hebben.

Zovele toegewijde lerarenopleiders in Vlaanderen hebben een grote inzet opgebracht om hun bijdragen aan te leveren in een samenwerkingsbestek gestuurd door een coördinerende redactie en bezield en geleid door didactica Nederlands Dorothea Van Hoyweghen. Aan allen een hartelijke proficiat met deze prestatie.

Ghislain Duchâteau
Netwerk Didactiek Nederlands

*Knooppunt is de realisatie van een online portaal voor digitale leermiddelen. Met één login en paswoord krijgen leerlingen en leerkrachten toegang tot alle digitale leerinhouden die ze aangekocht hebben bij uitgevers van leerboeken die lid zijn van de vereniging.
Knooppunt werd opgestart door de educatieve uitgeverijen Van In en Plantyn en werd overgenomen door de groep Educatieve en Wetenschappelijke uitgevers (GEWU), een subgeleding van de Vlaamse Uitgeversvereniging (VUV) vzw.
________________________________


Uitgeverij Plantyn

Omhoog



Het nieuwe “Groot Woordenboek Afrikaans en Nederlands (ANNA)”


 

Em. prof. dr. Willy Martin, lexicoloog en lexicograaf, is de ontwerper van een nieuw woordenboekmodel: het amalgatiemodel waarin de twee talen samengevoegd of in elkaar geschoven zijn in één boekdeel voor beide talen. In het woordenboek worden de Nederlandse woorden in gewone drukletter, in romein, weergegeven, de Afrikaanse in cursiefletter, zodat de talen binnen een artikel perfect van elkaar te onderscheiden zijn. Dat amalgatiemodel kan worden toegepast, omdat de talen zo verwant zijn in betekenis en vorm dat ze samen beschreven kunnen worden.

In een interview zegt hij over het project:
“Voor zo’n aparte situatie heb je een bijzonder woordenboek nodig en op een gegeven moment zag ik heel duidelijk in hoe we het zouden gaan doen: om de overeenkomsten en de verschillen in één oogopslag duidelijk te maken, staan de Nederlandse en Afrikaanse trefwoorden door elkaar in plaats van in twee afzonderlijke delen. ANNA is daarmee het enige echte contrastieve, geamalgameerde woordenboek. Dat amalgamatiemodel was nog nooit eerder toegepast en ik had best wat koudwatervrees maar kijk, het is goed uitgedraaid... Het model is ook perfect bruikbaar voor andere talen die dicht bij elkaar liggen, zoals de zwarte talen in Zuid-Afrika.” Martin bedoelt hier o.m. de Afrikaanse talen uit de Nguni-familie met Xhosa, Zoeloe, Ndebele en Swati en de Sotho-familie met Sesotho sa Leboa, Sesotho en Setswana. Ook Slavische talen vertonen grote verwantschap: Servisch, Kroatisch, Sloveens, Tsjechisch, Slovaaks. Dat geldt beslist ook voor de Scandinavische talen. In een ruimer perspectief zou dat de harmonisering van verschillende culturen kunnen bevorderen. Het hele project voor ANNA duurde elf jaar, een normale termijn voor een woordenboek.

Bron: Campuskrant Tijdschrift van de K.U. Leuven – nr. 9 van  25 mei 2011.

Tekening van Willy Martin van de hand van
Anne Van Herreweghen

Het Groot Woordenboek Afrikaans en Nederlands – ANNA – bevat één boekdeel, maar naar de inhoud is het tweedelig. In een eerste deel worden de lexicale woorden uit de twee talen beschreven. Dat zijn zelfstandige naamwoorden, bijvoeglijke naamwoorden, werkwoorden, bijwoorden en tussenwerpsels. Het beslaat met inleiding 2177 bladzijden. In het tweede deel, het ‘Nawerk’, komen in aparte onderdelen respectievelijk de functiewoorden (in woordgroep of zin) in een grammaticaal compendium, de lijst met de onregelmatige Nederlandse werkwoorden, de geografische namen en de afkortingen.  Het grammaticaal compendium bevat enkel de functiewoorden met voorzetsels, telwoorden, voegwoorden, voornaamwoorden en lidwoorden van bladzijde 2180 tot 2212.

Het geamalgameerd woordenboek is in de eerste plaats een vertaalwoordenboek, in de tweede plaats is het ook contrastief: aan de gebruiker worden verschillen en gelijkenissen tussen woorden en de betekenissen in de twee talen op een overzichtelijke en systematische wijze getoond. En prettig N grasduinen / A rondsnuffel in het woordenboek is uiteraard ook mogelijk.

Ere wie ere toekomt.
Naast hoofdredacteur Willy Martin vormden de redactie:
Else Boekkooi, Rufus Gouws, Isa Maks en Luc Renders en werkten mee aan de redactie:
Karlien Cillié, Adri van Eeden, Daniël Hugo en Martien Schrama.

G. D.

Lees ook "Woordfeest voor een grappige taal - Groot woordenboek Afrikaans en Nederlands" auteur Lennie Stinissen


‘Groot Woordenboek Afrikaans en Nederlands’, Het Spectrum, 2.228 blz., 69,99 euro

Dit artikel is ook verschenen in de NDN-Nieuwsbrief 23-4 van juli-augustus-september 2011

Omhoog


Taalbeleid in het hoger onderwijs: de hype voorbij? Elke Peters en Tine Van Houtven mei 2010

Taalbeleid inzake Nederlands staat al een tijd op de agenda in het hoger onderwijs en in de politiek. Veel hogeronderwijsinstellingen zijn intussen op verschillende manieren aan de slag gegaan. Vaak werd gestart met aparte bijspijkercursussen en/of taaltoetsen maar geleidelijk aan evolueren veel instellingen naar een taalbeleid dat in de opleiding geïntegreerd is. Maar werpt het ook vruchten af? Of is taalbeleid al de hype voorbij?

Het boek bestaat uit drie delen: taaltesten in het hoger onderwijs, taalbeleid in het hoger onderwijs in de praktijk en ten slotte kritische reflecties bij taalbeleid in het hoger onderwijs. In 15 hoofdstukken biedt dit boek een uitgebreid overzicht van wat er de laatste jaren inzake taalbeleid in het hoger onderwijs in Vlaanderen en Nederland gerealiseerd is maar plaatst er ook kritische kanttekeningen bij. Verschillende thema’s komen aan bod: ontwikkeling van taaltoetsen, het nut van oriënterende en diagnostische taaltoetsen, het uitvoeren van een behoefteanalyse, ontwikkeling van taalondersteuningsmateriaal, het opstarten van taalgericht vakonderwijs of taalonderwijs geïntegreerd in het curriculum en taalbeleid in de lerarenopleiding. Naast een stand-van-zaken werpt het boek ook een blik op de toekomst.

Het boek biedt beleidsmensen, taalcoördinatoren, docenten en lectoren concrete tips om zelf met taalbeleid aan de slag te gaan of nieuwe ideeën op te doen.

Inhoudsopgave [PDF] zie Uitg. Acco

Over de auteurs:

ELKE PETERS is stafmedewerker onderwijs en docente aan de Lessius Hogeschool in Antwerpen. Ze doceert Engels in de opleiding Handelswetenschappen. Haar onderzoeksinteresses gaan uit naar taalvaardigheidsonderzoek, taalbeleid, woordenschatverwerving en taaltesten. Ze is coördinator van de cel taal en leren op CODE, expertisecentrum aan de Lessius Hogeschool.

TINE VAN HOUTVEN werkt momenteel als projectmedewerker aan de Lessius Hogeschool in Antwerpen en is onderzoeks-medewerkster binnen de cel taal en leren op CODE, expertisecentrum aan de Lessius Hogeschool.

Het werk is een uitgave van uitgeverij Acco, het omvat 240 pagina's, ISBN: 9789033479298 en het kost € 30.

Omhoog



Taal in het onderwijs. Van academicus tot zittenblijver
- Peter Debrabandere

Zijn zowel monitoraat als mentoraat bruikbaar in de Nederlandse standaardtaal? Wat is tutoraat? Hebben leerlingen en studenten een lesrooster, een lessenrooster of een uurrooster? Kun je ook aan de middelbare school afstuderen? Wat is het verschil tussen atelier, werkplaats, practicum en praktijklokaal? Is het meervoud van kopie kopies of kopieën? Moeten leerlingen prenten in hun schrift plakken of kleven? Kunnen woorden uit de informele studententaal als gebuisd en (studenten)kot ook gewoon in de standaardtaal gebruikt worden? Moet je een leerling of student vragen om aan het bord te komen of om voor het bord te komen? Is er een verschil tussen corrigeren en verbeteren? Op die en nog veel meer andere vragen geeft dit boek het antwoord.

Taal in het onderwijs. Van academicus tot zittenblijver is een normatief naslagwerk over het Nederlands in het onderwijs. Het is bedoeld voor onderwijzend en administratief personeel (van de kleuterschool tot de universiteit), directies, schoolbesturen, coördinatoren, studiebegeleiders, surveillanten, opvoeders, lerarenopleiders, pedagogen, onderwijskundigen, ambtenaren van het Vlaams Ministerie van Onderwijs en Vorming en iedereen die beroepshalve met Nederlandstalig onderwijs in Vlaanderen te maken heeft. Het kan in het bijzonder dienstig zijn in de lerarenopleiding, zowel aan de universiteit als aan de hogescholen.

Heldere betekenisomschrijvingen, gebruiksvoorbeelden, synoniemen, antoniemen, verwante termen, verwijzingen naar andere trefwoorden, toelichtingen en expliciete markering met een asterisk (*) van wat niet tot de standaardtaal behoort, zorgen ervoor dat de gebruiker van dit woordenboek duidelijke en direct bruikbare taaladviezen krijgt.

Over de auteur:
Peter Debrabandere is docent Nederlands en Duits aan het departement lerarenopleiding en het departement handelswetenschappen en bedrijfskunde van de Katholieke Hogeschool Brugge-Oostende (KHBO). Hij is sinds 1995 hoofdredacteur van het tijdschrift Nederlands van Nu en sinds 2009 van het fusietijdschrift Neerlandia/Nederlands van Nu, waarin hij regelmatig publiceert. Hij is samen met Siegfried Theissen auteur van het Woordenboek voor correct taalgebruik. Zijn specialisaties en interesses zijn: Belgisch-Nederlands, Standaardnederlands, taalnormen, taalzorg, taalpolitiek.

(Meegedeeld)

Boekgegevens:
ISBN: 9789033480386  - 152 bladzijden - prijs € 24,50
Bestellen: http://www.acco.be/

Omhoog



Eerder

'Over grenzen - Oor grense - Een vergelijkende studie van Nederlandse, Vlaamse en Afrikaanse poëzie | 'n Vergelykende studie van Nederlandse, Vlaamse en Afrikaanse poësie' Ronel Foster, Yves T'Sjoen en Thomas Vaessens (red.) - uitg. Acco Leuven Den Haag 2009


De flaptekst geeft een goede beknopte karakterisering van dit belangwekkende boek.

‘Deze tweetalige bundel Over grenzen / Oor grense is het eerste resultaat van een jarenlange samenwerking tussen letterkundige onderzoekers van de Afrikaanse en de Nederlandstalige poëzie na 1945. Het boek biedt niet alleen een staalkaart van lopend onderzoek, maar wil ook een aanzet zijn voor nieuw onderzoek dat het vakgebied bredere perspectieven aanreikt.

Het boek presenteert zestien gevallenstudies waarin ontwikkelingen, auteurs en publicaties in de naoorlogse literatuur van Zuid-Afrika (Afrikaans), Nederland en Vlaanderen centraal staan. Academici verbonden aan universiteiten in Zuid-Afrika en in het Nederlandse taalgebied hebben met het oog op deze vergelijkende studies van moderne poëzie bijdragen geleverd die speuren naar raakvlakken en verschillen tussen literaire velden. De interactie tussen literaire actoren is nog maar zelden supranationaal, grens- en taaloverschrijdend onderzocht. In comparatistische deelstudies wordt ingegaan op de wijze waarop teksten interageren, hoe schrijvers elkaar inspireerden en konden beïnvloeden, en in welke mate vormen van samenwerking en uitwisseling van ideeën heeft plaatsgevonden in de respectieve literaire systemen.

Zestien verhalen. Verhalen over Anna Enquist en Antjie Krog, Karel Jonckheere en N.P. van Wyk Louw, M. Vasalis en Elisabeth Eybers, Annie M.G. Schmidt en Philip de Vos, J. Slauerhoff en C. Louis Leipoldt, Mustafa Stitou en Sydda Essop, performances en smartlappoëzie. De auteurs kijken ook hoe poëzie in de Afrikaanse kritiek en de Nederlandse/Vlaamse kritiek toen en nu wordt gelezen, hoe literaire thema’s andere invullingen krijgen en schrijvers toch verwant maken.

RONEL FOSTER (Universiteit van Stellenbosch), YVES T’SJOEN (Universiteit Gent) en THOMAS VAESSENS (Universiteit van Amsterdam) zijn de samenstellers van de bundel.’

Uitgave Acco Leuven | Den Haag 2009
D/2009/0543/79  NUR 610        ISN 978-90-334-7355-5
Prijs: € 37

Uitgeverij Acco, Blijde Inkomststraat 22, 3000 Leuven (België)
E-mail: uitgeverij@acco.be – Website: www.uitgeverijacco.be

Het Woord vooraf (blz. 9-17) van de drie samenstellers geeft een uitgebreidere rake karakterisering van de inhoud van het werk met weergave wat elk van de 16 studies behandelt.  Het is zoals de flaptekst in het Nederlands gesteld. Hoofdstuk 7 van de hand van Yves T’Sjoen over de maidentrip van Vlaams literair ambassadeur Karel Jonckheere in Zuid-Afrika is ook in het Nederlands geschreven. De andere studies zijn in het Afrikaans.

Inhoudsopgave [PDF]

Een eerste verkenning van het werk levert het inzicht op dat het voor belangstellenden en professionelen voor de moderne poëtische thematiek in Zuid-Afrika en Nederland/Vlaanderen bijzonder boeiende materie oplevert, die vooral bij het onderwijs waarbij het Afrikaans en het Nederlands betrokken zijn bijna onmisbaar lijkt. Dit bericht is een warme aanbeveling voor het boek

Omhoog



Literatuur leren lezen in dialoog

Lezersvragen als hulpmiddel bij het leren interpreteren van korte verhalen

Omschrijving

In dit boekje presenteert Tanja Janssen een didactische aanpak, gebaseerd op het principe van 'dialogisch leren'. De methode omvat twee stappen: de dialoog met de tekst, waarbij de leerling zichzelf vragen stelt tijden het lezen, en de dialoog met anderen, waarbij leerlingen vragen en hypotheses uitwisselen en ze met elkaar bespreken. De didactische aanpak bestond deels al. Nieuw is dat wij het effect ervan in de praktijk op scholen hebben vastgesteld . Twee experimenten zijn uitgevoerd in het vierde leerjaar van havo/vwo. Door middel van voor- en nametingen onderzochten we de invloed van de aanpak op het leesproces, verhaalinterpretatie en verhaalwaardering van leerlingen. Daarnaast hebben we ervaringen van docenten en leerlingen verzameld en in kaart gebracht met behulp van lesobservaties, logboekjes, interviews en vragenlijsten.

Het onderzoek wees uit dat de methode het literaire leesgedrag positief beïnvloedde: bij de nameting stelden leerlingen meer vragen tijdens het lezen, hun verhaalinterpretaties vertoonden meer diepgang en zij hadden na afloop meer waardering voor complexe korte verhalen. Ook hadden zij meer oog gekregen voor de meerduidigheid en openheid van literatuur.

De docenten waren unaniem positief over de literatuurdidactische aanpak. Niettemin signaleerden zij enkele problemen in de praktijk, die samenhangen met het feit dat vragen in deze aanpak een andere functie hebben dan in 'gewone' lessen, en met de veranderde rol van docent en leerlingen in het onderwijsleerproces. Deze problemen komen in dit boekje aan de orde, met suggesties voor mogelijke oplossingen.

Ten slotte presenteert Janssen enkele varianten op de didactische aanpak: met andere literaire genres, in andere leerjaren en bij andere schoolvakken dan het schoolvak Nederlands.

Een presentatie van het boek door de auteur Tanja Janssen:

klik hier

Advies van Helge Bonset - didacticus Nederlands SLO

Iedereen kan ik het inspirerende boekje van Tanja Janssen aanbevelen, Literatuur leren lezen in dialoog (Kohnstamm Kennisreeks, Vossiuspers UvA, Amsterdam 2009). Tanja Janssen heeft een aanpak ontwikkeld waardoor
leerlingen leren zelf vragen te stellen en met elkaar te beantwoorden over korte verhalen.

Haar aanpak heeft ze ook onderzocht: het bleek dat die positief effect had op de waardering van verhalen bij alle leerlingen, en positief effect op het verhaalbegrip bij leerlingen die (vrijwel) nooit lazen.

Haar aanpak en onderzoek vind ik een belangrijke aanvulling op het momenteel veel besproken onderzoek van Theo Witte, omdat het ook een oplossing vormt voor de naar mijn indruk steeds toenemende "verschriftelijking" (ook een
term van Janssen) van het literatuuronderwijs: leerlingen krijgen een tekst (in het gunstigste geval op hun niveau), krijgen een opdracht (idem), en moeten dan individueel aan de slag en hun opdracht inleveren bij de docent.
Daarmee blijven kansen liggen op ontwikkeling van begrip en waardering voor fictie (via praten erover, net zoals je doet na een film; reflectie zogezegd!) die met Janssens aanpak wel worden benut.

Bron: Bericht op de Mailinglist Nederlands Kennisnet 17-11-2009 - 10 u.

Boekgegevens:

Reeks Kohnstamm kennisreeks
Uitgever Amsterdam University Press
bestellingen@aup.nl
tel 020-420 00 50
fax 020-420 32 14
ISBN 9789056295714
ISBN10 9056295713
Bindwijze Paperback
Productsoort boek
Verschijningsdatum juli 2009
Categorie Literatuurwetenschap
Leeftijd Volwassenen
Prijs 9,50


Omhoog


Een uitdaging voor elke school: Taalbeleid in de praktijk




Eind 2008 verscheen bij uitgeverij Plantyn “Taalbeleid in de praktijk - Een uitdaging voor elke secundaire school ” met als redacteur Wilfred De Hert - 278 bladzijden -  € 29.

Na het Woord vooraf van de redacteur volgen 16 bijdragen van voornamelijk Vlaamse didactici en praktijkmensen rond diverse aspecten van taalbeleid in het onderwijs zoals die nu in de praktijk gebracht worden of zoals die gewenst toegepast worden.

 

We kunnen de essays in drie categorieën indelen:

  1. de achtergrondbijdragen die meer een theoretisch kader beschrijven
  2. de praktijkvoorbeelden
  3. korte blikvangers waarbij dieper wordt ingegaan op bepaalde toepassingen, wetenswaardigheden of realisaties.

We stellen hier in het kort enkele belangrijke essays voor, hoewel ook de andere teksten hun waarde hebben en bijdragen aan de volwaardigheid van het boek als geheel.

Het boek zet in op p. 9 met een opmerkenswaardige bijdrage van prof. em. Frans Daems met als titel “Van droom naar werkelijkheid: taalbeleid in het onderwijs”. Daarin schetst de auteur het theoretisch kader waarin taalbeleid gesitueerd wordt. Hij zorgt voor een duidelijke omschrijving en afbakening van de meest gebruikelijke concepten die aan de orde zijn als over taalbeleid gesproken of geschreven wordt. Wat is taalbeleid op school? Er zijn de domeinen van de communicatie en de instructie - met het taalprobleem bij de instructie: de schooltaal, de communicatievormen voor onderwijzen en leren, de contextualisering en cognitieve complexiteit, de instructietaal Nederlands en taalvaardigheid als deel van taalbeleid. Ook geeft de auteur in nauwelijks twee bladzijden precies en helder de beleidsvisie over talenbeleid van de onderwijsminister weer.

Vanaf p. 69 vinden we de bijdrage van inspectrice Els Vermeire over de “Rol van de inspectie bij de controle van taal-/talenbeleid.” In deze boeiende tekst constateert de inspectie dat de eindtermen en ontwikkelingsdoelen niet bereikt worden bij leerlingen, omdat ze de schooltaal onvoldoende beheersen. De invoering van het instrument taalbeleid in doorlichtingen sinds 2002 was een enorme stimulans voor scholen om echt beginnen te werken aan een taalbeleid. Vanaf september 2008 hanteert de inspectie bij de controle van taal-/talenbeleid een nieuw doorlichtingsconcept.

Een derde belangrijke bijdrage is die van Maaike Hajer “De lat hoog voor vakonderwijs: taalbeleid in de klas via taalgerichte vakdidactiek” (ab p. 107). De auteur, die het Platform Taalgericht Vakonderwijs in Nederland voorzit, heeft samen met Teun Meestringa het “Handboek taalgericht vakonderwijs”, waarvan sinds 2004 al een drietal steeds bijgewerkte uitgaven zijn verschenen, op haar naam staan. In een kort bestek beschrijft en omschrijft ze hier wat taalgericht vakonderwijs inhoudt met de essentialia die leraren moeten onthouden als ze zelf die didactiek willen praktiseren en als ze zich daarin willen bekwamen. Zij stelt dat leren en taal onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn en dat het hier gaat om een didactiek die de taalontwikkeling van de leerlingen in de zaakvakken wil bevorderen door contextrijk interactief onderwijs aan te bieden mét taalsteun. Dat alles rendeert slechts binnen het ruimere kader van een schooltaalbeleid, waarin de schoolleiding een stimulerende en coördinerende functie heeft. Naast die bevattelijke beschrijving van wat taalgericht vakonderwijs inhoudt en hoe het optimaal functioneert stelt Maaike Hajer op het einde van haar bijdrage een aantal concrete hulpmiddelen voor het werken eraan voor, die de laatste tijd ontwikkeld werden en die via publicaties op schrift of via het internet ter beschikking staan van schoolleiders en docenten die TVO in de praktijk brengen. Om slechts één hulpmiddel te noemen o.m. zijn er de lessenseries die werden uitgewerkt binnen een project van het Platform Taalgericht Vakonderwijs op basis van het computerprogramma “Lesfabriek voor taalrijk onderwijs”.

“Taalgericht vakonderwijs in de praktijk. Drie vakleerkrachten over hun ervaringen als trainer in een TVO-project” (ab. p. 127) voert een lerares wiskunde, een lerares muziek en een leraar houtbewerking op die in interviewvorm getuigen van hun eigen lesgeven met de TVO-didactiek. Ze vertellen daarbij hoe ze twee nascholingssessies gaven binnen het prioritaire nascholingsproject. Daaruit blijkt niet enkel hun enthousiasme maar ook hun genuanceerde kijk op de reactie van hun collega’s bij hun vernieuwende aanpak en aanbod van het TVO.

“Taalgericht vakonderwijs in het Imelda-Instituut in Brussel: van atelier naar taalwerkplaats” (ab p. 145). Het Imelda-Instituut is een Nederlandstalige school met TSO- en BSO-leerlingen. De instroom van leerlingen wordt gekarakteriseerd door taalzwakte en taalachterstand bij het merendeel van de leerlingen. Bij de doorlichting worden de eindtermen Nederlands niet behaald. Door een grondige ingreep van de schooldirectie in samenwerking met BROSO, het Brussels Ondersteuningscentrum Secundair Onderwijs, werd een optimalisering tot stand gebracht in de leersituatie van de leerlingen door implementering van geschakeld taal/vakonderwijs. Daarbij werken  een vakleerkracht en een taalleerkracht die tegelijk aanwezig zijn, samen aan taal- en vakdoelen. Het leerrendement voor begrijpend lezen en woordenschat vanaf schooljaar 2004-2005 naar schooljaar 2007-2008 werd opgedreven met voor begrijpend lezen wat meer dan 4 % en voor woordenschat met een kleine 9 %, wat voor begrijpend lezen tot een effectuering komt van zowat 50% en voor woordenschat tot 53,7 %. De positieve resultaten werden gerealiseerd in een integraal zorgtraject, de atelierwerking, dat geïntroduceerd werd naast de basiswerking. De school veranderde, de veranderingsprocessen werden begeleid en de leerkrachten werden geprofessionaliseerd.

Als korte blikvanger (pp. 168-169) signaleren we hier graag Luc Wyns’ ‘Focus op geletterdheid’, waarin hij het begrip geletterdheid definieert vanuit een OESO-definitie en waarbij hij ook de resultaten van een IALS-onderzoek kort voorstelt. Uit de cijfers vernemen we dat 16,8% van de bevolking in Vlaanderen onvoldoende geletterd is om optimaal te functioneren in onze maatschappij.

Wij blijven ook even stilstaan bij “Het meten van taalvaardigheid en het opstellen van een begeleidingstraject via taaltoetsen” (ab p. 203). Hoewel de confrontatie met het nogal technisch beschouwen van taaltoetsen wel even wat terughoudendheid kan opwekken, bevelen we de lectuur toch echt aan. Voor elke vakdidacticus en vakleraar die bekommerd is om onderwijsefficiëntie, is de kennismaking met de beschikbare (genormeerde) taaltoetsen  beslist relevant. De taaltoetsen dragen bij tot het opzetten van een effectief begeleidingstraject van leerlingengroepen.

In de slotbijdrage (ab p. 264) “Met vereende (leer)krachten! Taalbeleid in scholen met anderstalige ‘nieuwkomers’ en anderstalgie ‘eindkomers’” introduceert Kris Van den Branden de taalproblematiek in de onthaalklas met anderstalige ‘nieuwkomers’. Duidelijk blijkt dat ondanks alle goed opgezette inspanningen dat overgangsjaartje naar het regulier onderwijs voor die leerlingen ontoereikend is om hun een geslaagde schoolcarrière te garanderen. Hij toont manifest aan dat ondersteuning van die leerlingen blijvend nodig is in de vervolgjaren soms door het hele schoolteam, soms door een vervolgcoach.

Het boek “Taalbeleid in de praktijk. Een uitdaging voor elke secundaire school” bezorgt ons een heldere en vaak concrete kijk op de problematiek en de praktijk van het taalbeleid in de Vlaamse secundaire onderwijsinstellingen zoals die zich in de actualiteit voltrekt en evolueert. Het is geen gewoon leesboek geworden. Het is wel degelijk opgevat als een studieboek. Dat blijkt uit de inhoudelijke diversiteit van de bijdragen, maar ook uit de vormgeving. Bij de achtergrondbijdragen en bij de praktijkvoorbeelden zitten telkens de synthetiserende “Krachtlijnen” van de tekst. Die bijdragen worden ook ingeleid met het schema van de inhoudsstructuur van de tekst. De lees- en bestudeerbaarheid wordt dan nog verhoogd door in cursief de tekstthema’s links op de bladspiegel weer te geven. Zo krijgt de aandachtige lezer alles overzichtelijk voorgesteld om effectief indringend en studerend te lezen.

We verheugen er ons met Frans Daems over dat een jarenlange gekoesterde droom van echt en effectief taalbeleid moeizaam en geleidelijk aan maar gedragen met veel enthousiasme en inzet werkelijkheid wordt in onze scholen. Dit boek levert aan de verwezenlijking daarvan een substantiële bijdrage.

Ghislain Duchâteau

21 april 2009

 

Omhoog


Handboek taalgericht vakonderwijs
(tweede, herziene druk)

11 februari 2009, door TGVO Admin



Handboek taalgericht vakonderwijs

Maaike Hajer & Theun Meestringa




Docenten die vakonderwijs verzorgen, hebben tegelijk te maken met de taalontwikkeling van de leerlingen. Op school worden leerlingen geconfronteerd met het speciale taalgebruik en de denkwijzen van de verschillende vakken. Als zich in een groep grote verschillen in taalvaardigheid voordoen, worden leerresultaten beter wanneer docenten bewust die vaktaal opbouwen.

Het boek bestaat uit drie delen.

- In het eerste deel komt het hoe en waarom van taalgericht vakonderwijs aan de orde. Het draait om context, taalsteun en interactie in de lessen.
* hoofdstuk 1 inleiding.
* hoofdstuk 2 geeft een kenmerkende schets van taalgericht vakonderwijs en bespreekt de basis voor deze didactische aanpak.
- In het tweede deel van het boek worden suggesties en vuistregels gegeven waarmee docenten deze drie aspecten in hun werk kunnen opnemen.
* hoofdstuk 3 bespreekt wat er met de klas in de oriëntatie op een nieuw thema kan gebeuren rond de items voorkennis activeren, richten van aandacht en ruimte geven voor interactie
* hoofdstuk 4 geeft aan hoe in de verwerking van de leerstof aan taalsteun, contextuele steun en interactie gewerkt kan worden
* hoofdstuk 5 laat zien hoe ook in de toetsing en beoordeling, aandacht voor taalvaardigheid en voor vakdoelen in samenhang bekeken kunnen worden.
- De auteurs gaan in het derde deel in op het schoolbreed inzetten van taalgericht vakonderwijs. Aan de hand van voorbeelden uit diverse leergebieden en kenmerken van verschillende vakken laten de auteurs zien wat de uitwerking is van taalgericht vakonderwijs.
* hoofdstuk 6 beschrijft hoe docenten samen aan de ontwikkeling van taalgericht vakonderwijs in hun school kunnen werken. Daarbij komen ook de rol van de schoolleiding en relevante verschillen tussen de vakken aan bod.

Deze opbouw maakt het mogelijk het boek op verschillende manieren te gebruiken:

  • Docenten en studenten die ideeën zoeken voor de start van een lessenserie, voor de verwerking van de leerstof en voor de beoordeling van het resultaat van de lessenreeks, kunnen die in repsectievelijk hoofdstuk 3,4 en 5 vinden.
  • Docenten die met hun collega's willen besrpeken of ze gericht aan taalgericht vakonderwijs willen gaan werken, vinden argumenten in hoofdstuk 2.
  • Studenten die meer willen weten over de achtergronden van taalgericht vakonderwijs, kunnen beginnen bij hoofdstuk 2 en vooral aan de slag met hoofdstukken 3,4 en 5. Vooral ook voor hen zijn in de literatuurlijst meer bruikbare bronnen opgenomen.
  • Schoolleiders en taalcoördinatoren die een impuls willen geven aan de invoering van taalgericht vakonderwijs, kunnen hiervoor terecht in hoofdstuk 6.
  • Opleiders, begeleiders en nascholers - en hun studenten - kunnen putten uit de informatie, suggesties doen en daarbij voorbeelden uit de hoofdstukken en verewerkingsopdrachten geven. De aanwijzingen in hoofdstuk 6 kunnen hen daarbij mogelijk inspireren.

Handboek taalgericht vakonderwijs wil leraren in opleiding ondersteunen, maar is tevens een praktisch hulpmiddel voor iedereen die zich in het voortgezet onderwijs richt op het versterken van vakonderwijs via een taalgerichte didactiek.

In deze tweede, herziene druk is vooral de structuur van het boek verbeterd.
Handboek taalgericht vakonderwijs door Maaike Hajer & Theun Meestringa
ca. 248 pp. /  € 24,50 / isbn 978 90 469 0136 6 / tweede, herziene druk / januari 2009
Uitgeverij Coutinho.

Bron: http://www.taalgerichtvakonderwijs.nl/nieuws/nieuws/00035/

Maaike Hajer is lector Lesgeven in de multiculturele school aan de Hogeschool Utrecht. Van haar verschenen bij Uitgeverij Coutinho eveneens Open ogen in een kleurrijke klas en Leraar in een kleurrijke school.
Theun Meestringa werkt voor Nederlands en Nederlands als tweede taal in het voortgezet onderwijs bij SLO, nationaal expertisecentrum voor leerplanontwikkeling te Enschede. Hij is tevens medeauteur van het bij Uitgeverij Coutinho verschenen praktische didactiekboek Nederlands in de tweede fase.

Omhoog


Competent, een algemene didactiek in 100 lemma's (Van In, 2009)



Algemene didactiek: wat mag je van een leraar verwachten? – José Vandekerckhove, e.a. [SECUNDAIR ONDERWIJS & VOLWASSENENONDERWIJS]





Dat je van een leraar heel wat mag verwachten, blijkt uit de beschrijving van de ‘basiscompetenties van de leraar’ die op 5 oktober 2007 door de Vlaamse regering werden goedgekeurd en op 17 januari 2008 in het Belgisch Staatsblad verschenen. Het boek ‘Competent, een algemene didactiek in 101 lemma’s’ vertrekt van de tien basiscompetenties en geeft uitleg, voorbeelden en tips bij een zeer uiteenlopend gamma van didactische begrippen en vaardigheden. De auteurs onder wie projectleider José Vandekerckhove – vice-voorzitter NDN,  pedagogisch begeleider Nederlands, lerarenopleider KULeuven en talenleraar - zoomen in op een aantal aspecten die belangrijk zijn voor talendidactiek in het bijzonder en vakoverschrijdende didactiek in het algemeen.

Recensie

Van een leraar wordt veel verwacht. Dat besef je ten volle als je het beroepsprofiel van de leraar leest en de basiscompetenties waarover hij geacht wordt te beschikken. Er is ook ontzettend veel gepubliceerd voor de leraar, een zomervakantie volstaat nauwelijks om je te verdiepen in een aspect van het onderwijs.

Een synthese van de beschikbare kennis is dus welkom. Het boek Competent biedt die kennis in 101 lemma’s, met een sortering en categorisering in functie van de basiscompetenties.

Een naslagwerk en inspiratiebron in een eigentijdse en handige 'format'

Verscheidene lemma’s vatten op een duidelijke manier nuttige achtergrondkennis voor het onderwijs samen. Enkele voorbeelden: meervoudige intelligentie, intelligentie en hoogbegaafdheid, leerstijlen, communicatiecriteria, attributiegedrag, dyslexie, de nieuwe evaluatie, het probleem van de schooltaal enzovoort.

Andere lemma’s staan dichter bij de klaspraktijk en kunnen inspireren om onderwerpen eens op een andere manier aan te pakken. Enkele voorbeelden: werken met schrijfkaders, schematiseren, studerend lezen, vraagvormen, begeleid zelfstandig leren en studiewijzers enzovoort.

Je vindt ook basisinformatie om in schoolteams te gebruiken bij overleg en bij het nemen van beslissingen. Bijvoorbeeld: spelling en onderwijs, leren leren, projectonderwijs, hoe kies je een leerboek enzovoort.

Het boek is een algemene didactiek, maar vertaalt de theorie en de kennis ook naar de praktijk. Zo vind je bij de meeste lemma’s tips voor de leraar, bijvoorbeeld bij didactische werkvormen zoals het debat en de discussie of bij groepswerk. En wie toch nog dieper wil gaan, vindt verwijzingen naar andere publicaties in Verder lezen.

Het ‘format’ waarbij de informatie in lemma’s onderverdeeld is, sluit goed aan bij  het hedendaagse internetlezen: niet van de eerste pagina tot de laatste, maar grasduinend volgens de eigen interesse en focus en hoppend van het ene lemma naar het andere via verwijzingen.

Kortom, een nuttig boek voor de leraar en het schoolteam en een prima remediëringsmiddel voor studenten in de lerarenopleiding.

De auteurs

José Vandekerckhove (lector aan de Specifieke Lerarenopleiding van de K.U.Leuven en pedagogisch begeleider Nederlands), Bert Cruysweegs (lector Nederlands), Fons Vandergraesen (hoofdlector Nederlands) en Ludo Sollie.

Bea Claeys

Bron: Klascement - 18 juni 2010

Omhoog


Een Vlaamse diplomaat schreef een boeiend boek over Zuid-Afrika.
“Verhalen van een vervelling. Zuid-Afrika zwart op wit” door Bart Pennewaert (Uitg. Manteau 2008)


De auteur verbleef er een vijftal jaren als beginnend diplomaat vanaf eind 2002-begin 2003. Hij wisselt persoonlijke notities af met het relaas en zijn bedenkingen bij de eigentijdse geschiedenis van het land.

In zijn Mijmeringen in het leegland (p. 255 e.v.) maakt hij op de N1 een autoreis doorheen de bijna  eindeloze Karoo, van Pretoria naar Kaapstad. Merkwaardig genoeg stopt hij in Matjiesfontein, ‘ een gehucht van twee straten en een treinspoor dat op een drietal uur rijden van Kaapstad ligt’. Hij komt er ook terecht in het hotel-restaurant Lord Milner. Die plek komt mij bijzonder bekend voor. Daar speelt zich het belangrijkste gedeelte af van de merkwaardige roman “In de plaats van liefde” (‘In stede van die liefde’) van Etienne van Heerden uit 2005.



Tijdens zijn tocht is hij wat weemoedig, omdat zijn Afrikaner vriend Johannes naar Londen gaat emigreren. Dat brengt hem tot de overweging “Ik heb te doen met de Afrikaners” (p. 256). Het landschap roept bij hem ook de herinnering op aan de westernfilms die hij ooit heeft gezien. En even later roept hij voor zichzelf uit “Wat doet zo’n landschap met een taal?” En dan volgen een drietal bladzijden reminiscenties over het Afrikaans, heel de moeite waard om ze even na te lezen.

“Wat doet zo’n landschap met een taal?

Het beent die taal uit. Het dwingt ze tot een nieuwe cadans, een nieuw geluid. Van zeventiende-eeuws Nederlands naar Afrikaans.

In de wildernis, zo beeld ik me in, kon zo’n Boer niet anders dan zijn imperfectum, zijn beschrijvende wijs, laten vallen. Zo vormloos waren de tijd en ruimte waarin hij vertoefde, dat hij ze wel moest opdelen in feiten, verwerkte geschiedenis, voltooide deelwoorden. Alleen zo slaagde hij erin zijn greep op de werkelijkheid te behouden. Als zijn dag erop zat, zei de boer niet: ‘Het koren wuifde in de wind vandaag. En toen ik mijn rode akker overschouwde, ging de zon onder’. Maar wel: ‘die koring het in die wind gewaai. Terwyl ek my rooi veld kyk, het die son in die aarde gesak.’

In het onophoudelijke beuken tegen de elementen sleep de Boer zijn taal als een hakmes. Al het overbodige moest weg. Dus kliefde hij zijn lidwoorden weg (alleen ‘die’ bleef over), liet hij zijn vervoegingen voor wat ze waren (bijvoorbeeld ‘ek werk, jy werk, hy werk, ons werk, jullie werk, hulle werk’) en gooide hij de onregelmatige werkwoordsvormen overboord. Zelfs aan het naakte woord houwde hij tot het goed was. Zo moest de intersyllabische v of g eraan geloven (oral in plaats van ‘overal’, hoër in plaats van ‘hoger’) en verviel de doffe e in zwak beklemtoonde voorvoegsels (‘glo in plaats van ‘geloven’, vrek in plaats van ‘verrekt’).

Wat hield hij van het woord! Hij benoemde de dingen vaak lichtjes anders, alsof ze door het harde Afrikaanse licht een aparte glinstering hadden gekregen. Hij delfde in de woordenschat van de volkeren die hem omringden, de Khoi-khoi, de Xhosa en zelfs de Maleise slaven. Hij zwolg op wat hem mooi of handig leek (gogga in plaats van ‘ongedierte’, baaie in plaats van ‘veel’). Zo volkseigen werd zijn taal, zo’n perfecte ‘vertaling’ van zijn Afrikanerschap, dat ze hem later zou wapenen tegen het oprukkende Engels, nochtans de officiële taal van de Zuid-Afrikaanse Unie sinds 1910 (het Afrikaans kreeg pas in 1925 eenzelfde statuut) en later de taal van handel en technologie. De Afrikaner had tegen die tijd genoeg zelfvertrouwen ontwikkeld om vast te houden aan zijn eigen klanken en woorden.

Mijn persoonlijke top tien:

10. sleephut (caravan)
9. moltrein (metro)
8. rekenaar (computer)
7. kookwater (een opvliegend karakter)
6. wielbek (fig. een grote mond)
5. babalaas (kater na een drinkgelag)
4. gemorskos (fastfood)
3. skoenlapper (vlinder)
2. donsdosies (tienermeisjes)
1. spookasem (suikerspin)

Het resultaat is tot vandaag een beeldend en lichtvoetig idioom, dat voortdurend flirt met het poëtische. Zelfs een verloren (verkeers)berichtje midden in de krant wordt al gauw een versje om in te lijsten. ‘Verkeersmanne het gister blitsig ’n stokkie gesteek voor die dolle gejaag van ’n spoedvraat wat teen 179 km/h op die N 3  voortgesnel het.’ Nog eens:

Verkeersmanne het gister
blitsig ’n stokkie gesteek
voor die dolle gejaag
van ’n spoedvraat wat teen
179 km/h
op die N 3 voortgesnel het.

Een zin zo zoet als spookasem!

Niet iedereen deelt dit enthousiasme. Nederlanders, zo is me in de loop der jaren opgevallen, zijn minder opgetogen met ‘die taal’. Daar zit hun nuchtere koopmansgeest voor een groot deel tussen, maar meer nog de schande van apartheid – door Hollands zonen ingevoerd en nog steeds de bekendste Nederlandse term wereldwijd. De schaamte daarover lijkt nog niet verteerd.

Ik had daar ooit woorden over met een Nederlandse vriendin. ‘Als de wereld ooit een bastaardtaal heeft gebaard, dan wel het Afrikaans’, verklaarde ze met het aplomb van een pilaarbijtster. ‘Het is simpel, grappig, kinderlijk. En in het nieuwe Zuid-Afrika wat mij betreft ook overbodig. Het verdient geen voorkeursbehandeling meer. Dit land heeft een eenheidstaal. Het Engels. Eigenlijk zou het beter zijn als Die Taal een stille dood sterft. De wereld zal er geen traan om laten.’

‘Maar hoe kun je zoiets zeggen?’ reageerde ik geprikkeld. ‘Taal is toch het penseel van ieders gedachten? Het is alles wat ons tot subtiele mensen maakt. Bovendien is het complexe niet noodzakelijk superieur aan het eenvoudige. Dat zullen taalwetenschappers je bevestigen. Geleidelijke simplificatie is de weg die alle talen bewandelen. Kijk maar naar het Sanskriet of het klassiek Latijn. Die zijn stukken complexer dan de moderne talen die ervan zijn afgeleid. En allemaal liggen ze op het kerkhof. Welke variant is er dan superieur?’

‘Je reageert emotioneel’, merkte ze geamuseerd op. ‘Maar jij bent natuurlijk een Belg. Dat verklaart een en ander. Hebben jullie Belgen zelf geen taalstrijd meegemaakt? Ja toch? Dan hoor je net te weten dat taal politiek is, en dat het behoud van het Afrikaans gelijkstaat aan verborgen ambities om machtsbehoud’. Aangezien het gesprek nergens naartoe ging, vroeg ik of ze Afrikaners als vrienden had.

‘Ja, natuurlijk. Maar dat soort discussies vermijd ik’, zei ze. ‘Trouwens, we spreken Engels met elkaar. Waarom zou ik Afrikaans spreken? Zij spreken toch ook geen Nederlands? Really, it’s no big deal’.

‘Doe me een plezier’, zei ik zo luchtig mogelijk. ‘Volgende keer als je naar de Kaap trekt, ga eens met de auto. Neem je tijd. Kijk eens naar het landschap. Stop eens in Matjiesfontein. Wie weet wat je daar allemaal ziet, wat voor klanken er opborrelen.’

Ze haalde de schouders op. ‘Jezus, wat ben jij in een rare bui, zeg.’ “

Mijn slotbedenking: Deze tekst behoeft geen commentaar. Hij spreekt voor zichzelf.

Een naklank na het heerlijke Seminarie Afrikaanse taalkunde van 5 tot 11 juli 2009 in de Universiteit Hasselt met de professoren Alfred Jenkinson en Frank Hendricks en o.l.v. prof. Luc Renders.

Ghislain Duchâteau

Hasselt, 15 juli 2009.

- Recensie van "Verhalen van een vervelling"
- Beluister deel 1 van het Radio 2 - gesprek met Bart Pennewaert 5'18"
- Beluister deel 2 van het Radio 2 - gesprek met Bart Pennewaert 4'06"
- Beluister het Radio 1 - gesprek met Bart Pennewaert 9'54"

Omhoog


Het schoolvak Nederlands opnieuw onderzocht (dec. 2008)

SLO • nationaal expertisecentrum leerplanontwikkeling

door Helge Bonset en Martine Braaksma

Een inventarisatie van onderzoek van 1997 tot en met 2007

In samenwerking met: Instituut voor de Lerarenopleiding van de Universiteit van Amsterdam, Nederlandse Taalunie, Stichting Lezen

Het onderzoek is ingedeeld in domeinen van het vak Nederlands die per hoofdstuk aan de orde komen:

- Onderzoek naar literatuuronderwijs
- Onderzoek naar leesonderwijs
- Onderzoek naar schrijfonderwijs

Onderzoek naar onderwijs in mondelinge taalvaardigheid
Onderzoek naar onderwijs in taalbeschouwing en argumentatie
- Domeinoverschrijdend onderzoek

Uit de inleiding noteren we:

“Dit boek wil voor het vak Nederlands de kloof tussen wetenschap en onderwijspraktijk helpen dichten, ten behoeve van docenten maar ook van anderen in en om het onderwijs: opleiders, ontwikkelaars, onderzoekers, (taal)beleidsmakers op scholen en op landelijk niveau. We hebben een praktijkgerichte rapportage gemaakt waarin het onderzoek naar het vak Nederlands uit het afgelopen decennium wordt beschreven, en waarin wordt nagegaan wat we nu wel en niet weten over het onderwijs in dat vak. Dat levert kennis op over effectieve aanpakken, maar ook kennis over wat er gebeurt in lessen Nederlands, over de manier waarop leerlingen het vak waarnemen, of over beoordelingsinstrumenten voor het vak.

Het boek is een vervolg op en een actualisering van Het Schoolvak Nederlands onderzocht
(Hoogeveen & Bonset, 1998), waarin het onderzoek naar het vak Nederlands van 1969-1997 is beschreven. In grote lijnen hebben we dezelfde werkwijze gevolgd als in die publicatie.”  Blz. 9-10.

Wij bevelen van harte deze rapportage aan.

U kunt de versie in pdf-formaat bereiken onder de titel  
Het schoolvak Nederlands opnieuw onderzocht

Omhoog


Het oog van de meester

Een onderzoek naar de literaire ontwikkeling van havo- en vwo-leerlingen in de tweede fase van het voortgezet onderwijs

Theo Witte

gepubliceerd proefschrift  2008 – Delft: Eburon.
ISBN 9789059722460 (Stichting Lezen Deel 12).

Paperback 612 blz. ISBN: 9789059722460 - € 39,95.


Dit werk is een bijzonder stevige publicatie rond de actuele literatuurdidactiek binnen het Nederlandse taalgebied.  Het is gericht op het literatuuronderwijs Nederlands in havo en vwo. De basisbedoeling is een handreiking te verstrekken aan leraren om leerlingen literair competent te laten worden, waarbij die leerlingen in staat zijn om over literaire teksten zinvol te reflecteren en daarover ook betekenisvolle uitspraken te doen. De uitgangspositie van die leerlingen met elk zijn eigen literair referentiekader is ongelijk en ook de uitkomsten van het onderwijsproces zijn gedifferentieerd. Het beschrijvingsinstrument waaraan die literaire competentie gemeten kan worden omvat zes niveaus van literaire competentie van beperkt naar uitgebreid. Welke teksten kan een leerling aan? Welke opdrachten kan hij bij teksten uitvoeren? Hoe leest de leerling?

De zes niveaus kunnen als volgt getypeerd worden:

  1. Belevend: de leerling ervaart het lezen van de tekst als een louter genoegen met spanning, met dramatiek
  2. Herkennend: de leerling herkent de gebeurtenissen, de personages en de verhaalstructuur
  3. Reflecterend: hij dialogeert met de tekst en beseft dat hij wat aan de tekst heeft
  4. Interpreterend: hij realiseert zich dat de tekst geconstrueerd is en dat interpretatie nodig is
  5. Letterkundig: hij wil de tekst in verband brengen met de schrijver en met de context waarin hij geschreven werd
  6. Academisch: hij neemt een metapositie in en beoordeelt gefundeerd het gelezen werk desgevallend vanuit een literair-wetenschappelijke invalshoek.

In zijn wijze van lezen evolueert de leerling van lezen omdat het bij de opleiding hoort, naar het ontdekken van verscheidene functies van literatuur en bewustwording van behoeftes: het lezen is leuk ( 1), het lezen geeft herkenning van eigen leefwereld en zelfbevestiging (2), verbreding van eigen horizon (3). In teksten worden diepere betekenissen herkend en het lezen verschaft esthetisch genoegen (4). Letterkundig en cultuurhistorisch kan je je erin verdiepen (5) en je kan je er intellectueel mee voeden (6). De lezende leerling breidt zijn repertoire van leesmanieren uit en ontdekt verscheidene functies van literatuur. Daardoor breidt hij zijn waarderingsschema uit met nieuwe typen waardeoordelen: pragmatische en emotieve criteria (1), realistische criteria (2), cognitieve en morele criteria (3), structurele en esthetische criteria (4), intentionele en cultuurhistorische criteria (5) en stilistische en vernieuwingscriteria (6). (blz. 436-437).

Uitgaande van de (h)erkenning van het probleem dat er ontoereikende empirisch gefundeerde vakdidactische kennis aanwezig is over de literaire ontwikkeling van leerlingen in de context van het literatuuronderwijs in de tweede fase baseert de auteur zijn bevindingen op grond van drie sturende onderzoeksvragen:

  1. Welke niveaus van literaire competentie onderscheiden docenten in de bovenbouw van het havo en vwo?
  2. Wat is het verloop van de literaire ontwikkeling van leerlingen met verschillende beginsituaties in de bovenbouw van het havo en vwo?
  3. Welke didactische factoren en omstandigheden stimuleren de literaire ontwikkeling van leerlingen in de bovenbouw van het havo en vwo?

Daarbij heeft de auteur de volgende doelen voor ogen: inzicht in de literaire socialisatie van leerlingen van 15 tot 19 jaar, inzicht in factoren die de ontwikkeling van literaire competentie bevorderen of belemmeren, een empirisch gefundeerde basis tot stand brengen voor een goed gestructureerd curriculum voor dat  literatuuronderwijs, een literatuurdidactische kennisbasis ontwikkelen om een bijdrage te leveren aan de oplossing van het differentiatieprobleem. (blz. 54-57).

Hoewel de auteur zelf onderzoekstechnische beperkingen onderkent, slaagt hij erin een representatief  en betrouwbaar instrument te ontwikkelen waarmee literaire competentie kan worden beschreven. Hij koppelt daaraan de relevante en nuttige consequenties voor een veel doeltreffender aanpak van het literatuuronderwijs voor adolescenten.

Zo bezorgen zijn competentieprofielen (deel II) en zijn handelingsoriëntaties (deel III) de docent ‘een gevarieerde gereedschapskist’. Differentiatie wordt mogelijk aan de hand van de dimensies en indicatoren van literaire competentie. De gedragskenmerken als lezer staan  beschreven op de verschillende niveaus. Bij een boek kunnen opdrachten worden gegeven op verschillende niveaus of bij boeken kan een opdracht worden gezocht voor verschillende niveaus (blz. 459).

In hoofdstuk 4 wordt een dataverzameling van boeken aangereikt met daarbij de analyse van die verzameling voor de verschillende niveaus. Dat kan een aanzet zijn voor een vakdidactische catalogus voor het literatuuronderwijs op het internet en toegankelijk voor docenten en leerlingen (blz. 472). *

De auteur pleit in opvolging van zijn bevindingen ook voor de vervanging van kerndoelen en eindtermen fictie en literatuur door een doorlopende leerlijn waarin de verschillende niveaus zijn onderscheiden. Hierin zit wel stof voor discussie.

Over de kwaliteit van het huidige literatuuronderwijs kan worden gesteld dat de ontwikkelingsresultaten uit het onderzoek van Theo Witte te wensen overlaten. Het beginniveau van nagenoeg de helft van de leerlingen is ontoereikend. Het eindniveau van de VWO-leerlingen is dat ook. De overgang naar niveau 4 vormt een probleem. Leerlingen in het VWO met een lage en een hoge startcompetentie komen onvoldoende aan hun trekken. Daartegenover verlaten 87 % van de leerlingen het havo en vwo met een positieve attitude en het eindniveau van 73 % van de leerlingen van het havo voldoet aan de norm. (blz. 517).

Met de inhouden die Theo Witte ons aanbiedt, kan zeker de literaire socialisatie van adolescenten worden bevorderd. Beslist kan met Wittes didactisch instrument de literaire ontwikkeling van leerlingen optimaal worden gestimuleerd. Volgens de auteur moeten de docenten die de literaire ontwikkeling van alle leerlingen tot doel hebben “niet alleen de beperkingen en mogelijkheden van leerlingen in een bepaalde ontwikkelingsfase kunnen doorzien, zij moeten ook weten wat de didactische beperkingen en mogelijkheden van boeken en opdrachten in die fase zijn. Daarin schuilt het meesterschap van de docent” (slotzin blz. 476). “Het oog van de meester.”

Alle geëngageerde literatuurdocenten met leerlingen van 15 tot 19 jaar en zeker alle literatuurdidactici en ook literatuurdocenten van de Nederlandstalige universiteiten in Nederland en Vlaanderen hebben aan “Het oog van de meester” een waardevolle handreiking voor optimalisering van het literatuuronderwijs nu en in de toekomst. De verwachtingen van Theo Witte zijn in dat opzicht hoog gespannen, maar we beseffen dat er nog veel werk moet worden verzet om die in te lossen. Het adequaat instrument daartoe is wel beschikbaar.

Ghislain Duchâteau

* Op 30 januari 2009 werd tijdens de Dag van Taal, Kunsten en Cultuur in Groningen de website lezenvoordelijst.nl op het internet gepubliceerd. Een selectie van 100 titels kan je er vinden. De docenten worden verzocht op de lijst te reageren en zelf aanvullingen aan te reiken. De catalogus die daaruit uiteindelijk wordt samengeseld wordt een gids voor leerlingen en docenten bij de keuze van het juiste boek op het juiste ogenblik. Daarbij is het een letterkundige en didactische vraagbaak voor docenten en een hulp voor mediathecarissen bij de samenstelling en actualisering van hun boekencollectie. In deze fase wordt Nederlands proza gepresenteerd. Later komt literatuur uit vreemde talen en mogelijk ook poëzie. De site wordt geproduceerd door het Universitair Onderwijscentrum van de Rijksuniversiteit Groningen. Ze wordt financieel ondersteund door Stichting Lezen.

http://www.lezenvoordelijst.nl


Het is de publicatie van de doctoraatsthesis die Theo Witte verdedigde 29 mei 2008 aan de Rijksuniversiteit Groningen.

Theo Witte (1952) studeerde Nederlands in Groningen. Hij is werkzaam als onderzoeker en vakdidacticus bij het Universitair Onderwijscentrum van de Rijksuniversiteit Groningen.

Hij was lid van de Vakontwikkelgroep Nederlands en projectleider van het netwerk Geïntegreerd Literatuuronderwijs. Op dit moment is hij betrokken bij de ontwikkeling van de doorlopende leerlijn Taal. Hij publiceerde onder andere over de kwaliteit van schoolboeken, de integratie van moedertaal- en NT2-onderwijs, schrijfvaardigheidsdidactiek, het literatuuronderwijs en de literaire ontwikkeling van adolescenten.


Correspondentieadres: Universitair Onderwijscentrum Groningen (UOCG), Rijksuniversiteit Groningen, Landleven 1, 9747 AD  Groningen
E-mail: t.c.h.witte[at]rug.nl

Omhoog

Literaire competenties - Leesniveau bepalen

Het leesniveau van je leerling bepalen kan aan de hand van korte gesprekjes.
Deze video die 6'02" duurt toont je hoe je dat doet:

http://www.leraar24.nl/video/2549

 

Dyslectisch… en dan? Bieke De Becker
 

Over het boek:

Dyslexie hebben hoeft helemaal niet zo’n onoverkomelijk probleem te zijn. Dat ondervond Bieke De Becker aan den lijve. Het komt erop aan in je eigenheid bevestigd te worden. Wanneer je weet wat je goede kanten zijn, dan neem je er je moeilijkere kanten makkelijker bij, zoals dyslexie.

Eerst legt zij uit welke leerstoornissen er bestaan en wat dyslexie precies is. Ze geeft vele voorbeelden uit het dagelijkse leven, anekdotes en tips.


Maar dyslexie hebben heeft niet alleen nadelen. Vooral voor kinderen is het erg belangrijk dat hun omgeving hun pluspunten bekrachtigt, ook wanneer het om ‘buitenschoolse’ talenten gaat. Tot slot volgt een overzicht van zeer eenvoudige maar afdoende hulpmiddelen voor in de klas, thuis en daarbuiten.

Rode draad door het hele boek zijn de concrete tips, de vaak humoristische verhalen en de korte doe-momenten. Mensen met dyslexie, van welke leeftijd ook, zullen zich gesteund voelen door het aanstekelijke optimisme van de auteur en zullen baat hebben bij alle inside tips.
Leerkrachten en ouders horen uit eerste hand wat het is om dyslexie te hebben en hoe ze het best kunnen helpen.

Over de auteur:

Bieke De Becker is leerkracht lichamelijke opvoeding aan Scholengemeenschap De Kraal in Herent. Voor Joker begeleidt ze (jongeren)reizen in Afrika.  Zij heeft zelf dyslexie.

ISBN: 9789085750208
Aantal Pagina's: 258
Status: Verschenen - bestelbaar - leverbaar
Prijs: € 29,00
Uitgever : Cyclus
B.De Becker

Omhoog


Persbericht

De leraar taalvaardig
13 praktische taaldoelen voor studenten aan de pabo

14 mei 2007

 

De leraar taalvaardig

13 praktische taaldoelen voor studenten aan de pabo

René Berends  

2007. 176 p. € 26,50 - ISBN 978 90 232 4318 2

 

 


Een leraar basisonderwijs staat voortdurend in interactie met zijn leerlingen. Hij voert gesprekken met kinderen, hij vertelt verhalen, leest voor, geeft mondelinge opdrachten en instructies, vaak met een schriftelijke ondersteuning. Hij beoordeelt ook teksten, herschrijft ze soms zelfs om ze toegankelijk te maken voor zijn leerlingen. Hij formuleert schriftelijke vragen en opdrachten en schrijft commentaren en evaluaties bij het werk van kinderen. Een moderne leraar basisonderwijs communiceert ook veel met volwassenen in en rond de school. Hij voert gesprekken met ouders, collega’s en externen, kan een presentatie houden op een ouderavond of op een studiedag voor collega’s. Hij moet artikelen, rapporten, notulen kunnen schrijven en zal ook regelmatig teksten die over de school of zijn beroep gaan, moeten lezen. De snelle ontwikkelingen in het beroep vereisen dat een leraar basisonderwijs zich op het gebied van de taalvaardigheid voortdurend ontwikkelt en professionaliseert.

Studenten die leraar basisonderwijs willen worden, moeten kennis en vaardigheden ontwikkelen om de taalontwikkeling van leerlingen te begeleiden. Ze worden daarvoor geschoold in taaldidactiek. Daarnaast vergroten studenten in hun opleiding hun eigen taalvaardigheid, tot op het niveau dat voor het beroep vereist is. De leraar taalvaardig is bedoeld als opleidingsboek voor pabostudenten die zich dit voor het beroep vereiste niveau van eigen taalvaardigheid eigen willen maken.  

In De leraar taalvaardig worden dertien taalvaardigheidsdoelen onderscheiden, verdeeld over drie domeinen: de leraar in interactie met zijn leerlingen, de leraar in interactie met volwassenen en de leraar als lerende. Voor elk taaldoel worden informatie en praktische opdrachten gegeven die studenten kunnen gebruiken om hun eigen kennis en vaardigheden verder te ontwikkelen. Daarbij kan gebruik gemaakt worden van het boek, maar ook van filmfragmenten, uitwerkingen en voorbeelden die op internet beschikbaar zijn. Bovendien worden studenten in de gelegenheid gesteld hun ontwikkelingen in een portfolio bij te houden.

De leraar taalvaardig

1 Inleiding: Hoe dit boek te gebruiken?

2 Welke taalvaardigheden heeft de leraar?

3 Een plan van aanpak voor het werken aan de taaldoelen

4 De taaldoelen onder de loep
Domein 1: de leraar in interactie met zijn leerlingen
Domein 2: de leraar in interactie met volwassenen in en rond de school
Domein 3: de leraar als lerende

Bijlagen: De reflectielijsten

Literatuur

Contactpersoon

Hilly Udding

 Koninklijke Van Gorcum BV
Postbus 43
9400 AA Assen
[t] +31 (0) 592 379 567
[f] +31 (0) 592 379 552

[e] h.udding@vangorcum.nl
http://www.vangorcum.nl

Omhoog



Taalkunde voor de tweede fase van het vwo


Hans Hulshof, Maaike Rietmeijer, Arie Verhagen
Uitg. Amsterdam University Press, Amsterdam 2006,
ISBN 90 5356 864 6, 232 pagina’s,
€ 29,50.



Dit leerboek over taalkunde is gepubliceerd, nadat de aspiratie bij prof. Hulshof al verscheidene jaren aanwezig was om opnieuw ruimte te creëren in het curriculum van het voortgezet wetenschappelijk onderwijs in Nederland voor leerstof “taalkunde”. Die ruimte binnen het schoolvak Nederlands is er nu. Daarom komt de publicatie van deze deelmethode Nederlands op het passende moment. Leerlingen moeten niet alleen vaardig worden in taal, maar behoren ook wel wat te weten over de verschillende aspecten van taal en van de eigen taal.
Die “wetenschap” kan hun worden bijgebracht door dit handboek, dat heel wat facetten rond taal aan de orde stelt. Er is een hoofdstuk rond ‘Taal en communicatie’, rond ‘Taalvariatie’, rond ‘Taalverwerving’, rond ‘Taalverandering’, rond ‘Pragmatiek’, rond ‘Semantiek’ en ten slotte over ‘Grammatica’.

Het is zeker de moeite waard om met dit leerboek kennis te maken.
Voor meer informatie klik hierboven op de titel.

Sinds 2007 mag in het Nederlands onderwijs (het is facultatief) taalkunde onderwezen worden.

Nog meer informatie over de thematiek en het boek leest u in het artikel "Eindelijke taalkunde op het VWO"

Ghislain Duchâteau

Omhoog




Andere publicaties

Onderzoeksrapport Staat van het Nederlands (Taalunie, Meertens Instituut, UGent)

Vandaag 8 mei 2017 is het Rapport: Staat van het Nederlands gepubliceerd.
Ik kan er niet genoeg de nadruk op leggen, dat de bevindingen van het rapport van bijzonder grote betekenis zijn voor onze perceptie van het Nederlands in zijn huidige status.

Daarom ben ik zo vrij u met deze spoed in kennis te stellen van wat deze publicatie oplevert.

1. Het rapport zelf. U kunt het downloaden via de website van het Meertens-instituut.
Hier is de directe koppeling ernaartoe.

2. Al enkele uren voorafgaand aan het rapport publiceert het Nederlandse blad Trouw een artikel over het rapport. Hier is de directe koppeling ernaartoe.

3. De positie van het Nederlands voor het eerst in kaart gebracht – Nieuwsbericht van de Taalunie 8-5-2017

4. Uit het rapport kopieer ik het besluit met de belangrijkste bevindingen en implicaties in een word-document.

Ik kopieer nog even de laatste alinea van dit besluit:
“Met haar notitie Nederlands als taal van wetenschap en hoger onderwijs (2016) gaf de Taalunie een eerste aanzet tot het ‘beschermen’ van de status van het Nederlands in deze subdomeinen. Onze bevindingen suggereren dat er in het hoger onderwijs en de wetenschap een tendens is om het Engels te kiezen, ook waar het gaat om de Nederlandse taal en letteren. Enige maatschappelijke reflectie hierover kan geen kwaad.”

Het is aan ons, liefhebbers van onze taal, deze maatschappelijke reflectie tot stand te brengen, te stimuleren.

Ghislain Duchâteau,
Vicevoorzitter NDN, vicevoorzitter VVA.

Omhoog


 

IEDEREEN TAALCOMPETENT! Visie op de rol, de positie en de inhoud
van het onderwijs Nederlands in de 21ste eeuw   -   25 januari 2017

Visietekst over onderwijs Nederlands in de 21ste eeuw

Aan Netwerk Didactiek Nederlands

Hierbij sturen wij u de tekst Iedereen taalcompetent! Visie op de rol, de positie en de inhoud van het onderwijs Nederlands in de 21ste eeuw. De visietekst is op 25 januari 2017 aangeboden aan het Comité van Ministers van de Taalunie.

In de tekst bepleiten we een boeiend, ambitieus en eigentijds onderwijs in en van het Nederlands dat duurzaam is en aansluit bij wat leeft in de 21ste eeuw. Een onderwijs Nederlands waarin werken aan de ontwikkeling van taalcompetentie centraal staat. Een onderwijs Nederlands waarin dus aandacht is voor én kennis van/over het Nederlands en de Nederlandstalige cultuur, én voor vaardigheden in het Nederlands, én voor het ontwikkelen van een positieve houding ten opzichte van taal in het algemeen en het Nederlands in het bijzonder.

Vorig jaar heeft u deelgenomen aan minstens één van onze rondetafelbijeenkomsten en heeft u met ons mee nagedacht over de inhoud van het onderwijs Nederlands van vandaag en morgen. Uw deelname en input werd bijzonder gewaardeerd. We willen u daarvoor nogmaals van harte bedanken.

Via deze link vindt u de visietekst, de aanbiedingsbrief aan het Comité van Ministers en een toelichting bij onze werkwijze. Voelt u zich vrij om deze link te delen binnen uw netwerk of op uw website.

We hopen dat de tekst inspireert en aanleiding kan zijn voor debat en discussie over het onderwijs Nederlands van vandaag en morgen.

Voor een reactie op de tekst, of voor meer informatie over de tekst en de totstandkoming ervan, kunt u contact opnemen met Steven Vanhooren via: svanhooren@taalunie.org.

Met hartelijke groet,
namens het Algemeen Secretariaat,

Carlijn Pereira en Steven Vanhooren

IEDEREEN TAALCOMPETENT!
Visie op de rol, de positie en de inhoud van het onderwijs Nederlands in de 21ste eeuw   -  

25 januari 2017


Inleiding 

Om volwaardig deel te kunnen nemen aan de Vlaamse en Nederlandse samenleving van vandaag en morgen is een goede beheersing van het Nederlands van cruciaal belang. Ook in de 21ste eeuw, waarin de talige diversiteit in onze samenleving groter is dan ooit tevoren, vormt het Nederlands immers een belangrijk fundament. Dat maakt dat voor het onderwijs in de 21ste eeuw een cruciale taak blijft weggelegd in het ondersteunen van alle kinderen en jongeren bij de ontwikkeling van talige competenties, in eerste instantie in het Nederlands. In het kerncurriculum voor de 21ste eeuw dient dan ook ontegensprekelijk ruimte te zijn voor duurzaam onderwijs in de Nederlands taal. 

Deze tekst drukt de visie uit van het Algemeen Secretariaat van de Taalunie over waar duurzaam onderwijs Nederlands zich in het leerplichtonderwijs op zou moeten richten. Het doel van deze visietekst is tweeërlei. Ten eerste wil de tekst een samenhangend en overkoepelend kader bieden waarbinnen (toekomstige) adviezen van het Algemeen Secretariaat over (deelaspecten van) onderwijs Nederlands en taalbeleid in het leerplichtonderwijs gepositioneerd kunnen worden. Ten tweede wil de tekst een bron van inspiratie zijn voor eenieder die betrokken is bij de vernieuwing van het curriculum voor Nederlands in Vlaanderen en Nederland: beleidsmakers, onderwijsondersteuners1, lerarenopleiders, onderwijsonderzoekers, leraren, enz. 

Nadruk in deze visietekst ligt grotendeels op doelstellingen en op wat in het onderwijs Nederlands aan bod zou moeten komen, eerder dan op hoe dat zou moeten gebeuren. We zijn er immers van overtuigd dat gesprekken over het hoe pas ten gronde kunnen worden gevoerd als voldoende duidelijkheid bestaat over de doelen die we met het onderwijs Nederlands in de 21ste eeuw willen bereiken en over de leerinhouden die daarmee samengaan. 
 
De visietekst is opgebouwd uit 5 paragrafen. In de eerste paragraaf worden enkele ontwikkelingen besproken die hebben bijgedragen aan het complexe, superdiverse en meertalige karakter van de 21ste-eeuwse samenleving (en dat nog steeds doen). In de tweede paragraaf wordt stilgestaan bij de rol en positie van taal en het Nederlands in de 21ste eeuw. De derde paragraaf zoomt in op het onderwijs Nederlands: op waar eigentijds onderwijs Nederlands volgens ons op zou moeten inzetten, op de rol en positie van een apart vak Nederlands daarbinnen, op het belang van een basisaanbod voor elke leerling en de mogelijkheid tot verdieping, enz. De vierde paragraaf handelt over de kernthema’s en kerninhouden die volgens ons in het onderwijs Nederlands van de 21ste eeuw centraal zouden moeten staan. In de vijfde paragraaf bespreken we een aantal implicaties van onze visie voor beleid en praktijk en voor de inrichting van het onderwijs Nederlands van vandaag en morgen.
 

Deze tekst kwam tot stand in opdracht van het Comité van Ministers van de Taalunie en sluit aan bij Vaart met Taalvaardigheid (2015), een adviesrapport van de Raad  voor de Nederlandse Taal en Letteren over (het belang van) taalvaardigheid van studenten in het hoger onderwijs. Met de tekst wordt een verbreding gemaakt naar het leerplichtonderwijs. 

- De visietekst

- De aanbiedingsbrief aan het Comité van Ministers van de Taalunie

- Een toelichting bij de werkwijze en totstandkoming van de visietekst

- Visienota Taalunie pleit voor ontwikkeling taalcompetentie:

In de Visienota ‘Iedereen taalcompetent!’  staat het werken aan taalcompetentie centraal: het geheel aan kennis, vaardigheden en attitude om taal en tekst te kunnen begrijpen en gebruiken.

Twee van de opstellers van ‘Iedereen taalcompetent!’ geven overtuigende inzichten in de betekenis in deze tijd van de beheersing van de taal door jonge mensen die mét die taal in het leven weerbaar moeten zijn.

Taalunie-Bericht Nieuwsbrief 27 - 16 maart 2017


Omhoog


 


Neerlandistiek.nl


Neder-L, het bekende "elektronisch tijdschrift voor de neerlandistiek sinds 1992", verandert vandaag maandag 25 april 2016 van server én domeinnaam. Voortaan zijn de bijdragen terug te vinden op Neerlandistiek.nl, "online tijdschrift voor taal- en letterkundig onderzoek". De redactie wil hetzelfde soort artikelen, aankondigingen en berichten blijven brengen, en belooft in de toekomst met een nog breder aanbod te komen.

http://www.neerlandistiek.nl/

Neerlandistiek. Een openingstoespraak
Geplaatst op 25 april 2016 door Marc van Oostendorp

Initiatieven

Al in de vroege jaren negentig begon de Nijmeegse neerlandicus Ben Salemans met zijn elektronische nieuwsbrief Neder-L die de afgelopen jaren door een groep anderen is voortgezet als weblog. En aan het begin van dit millennium namen Matthias Hüning en Johan Koppenol het initiatief tot Neerlandistiek.nl, dat de geschiedenis in zal gaan als het eerste peer reviewed, open access tijdschrift in ons vak.

Het nieuwe Neerlandistiek wil een voortzetting zijn van die initiatieven. De eerste stappen daarvoor zijn nu gezet: het oude Neder-L is opgegaan in Neerlandistiek, met medeneming van alle archieven van in ieder geval de periode van het weblog. Alle oude artikelen van het oude Neerlandistiek.nl zijn hier bovendien ook te vinden. Dit alles draait op de servers van het Meertens Instituut in Amsterdam en wordt door onderzoekers zelf gedraaid.

We willen naast de vrijplaats van het weblog ook graag voorzieningen terug voor meer wetenschappelijke publicaties. Wanneer zich een jonge ambitieuze redactie meldt kan dat gebeuren in de vorm van een herleving van het oude Neerlandistiek.nl; maar we denken ook aan het inrichten van een archief voor al dan niet eerder gepubliceerde wetenschappelijke manuscripten.

Ons belangrijkste doel is: te proberen de gemeenschap van neerlandici – of die nu aan de universiteiten werken, op school, in een tekstbureau, bij een uitgever of elders – elektronisch bij elkaar te brengen en bij elkaar te houden. Er is genoeg dat er iedere dag gebeurt en dat interessant is voor de leden van die gemeenschap.

Lees de hele inleidende tekst van Marc van Oostendorp

Omhoog


 

Literatuurplein

Wat is Literatuurplein? De onlinedienst van de Koninklijke Bibliotheek Nederland die het lezen van Nederlandse literatuur bevordert. Literatuurplein informeert, inspireert en verdiept. Literatuurplein nodigt mensen uit om deel te nemen aan vele literaire activiteiten.

Voor wie? Cultureel geïnteresseerde leden en niet-leden van bibliotheken, vanaf 15 jaar. De website is ook een hulpmiddel voor medewerkers van bibliotheken.

Webadres: www.literatuurplein.nl (link is external)

 

Omhoog



OVER TAAL GESPROKEN - OP KENNISLINK

Een verzameling artikels rond taal en allerlei verschijnselen daarrond
http://www.kennislink.nl/thema/over-taal-gesproken

Communicatiewetenschapper en wetenschapsjournaliste Erica Renckens
draagt ruimschoots bij aan ‘Over taal gesproken’.

http://www.kennislink.nl/auteurs/erica-renckens

Omhoog


Lezen in het basisonderwijs opnieuw onderzocht
Een inventarisatie van empirisch onderzoek van 2004 tot 2015

We brengen deze nieuwe publicatie onder de aandacht van o.m. Vlaamse leerkrachten. Zij komt ook voor op
www.slo.nl/htno en op Taalunieversum van de Taalunie, en kan bij SLO als boekje besteld worden.




Helge Bonset en Mariëtte Hoogeveen

Uitgave SLO - Nationaal expertisecentrum leerplanontwikkeling

Februari 2016


Deze publicatie wil de kloof tussen wetenschap en onderwijspraktijk voor het leesonderwijs in het basisonderwijs helpen dichten, ten behoeve van leerkrachten maar ook van anderen in en om het onderwijs: opleiders, ontwikkelaars, onderzoekers, (taal)beleidsmakers op scholen en op landelijk niveau. We hebben een praktijkgerichte rapportage gemaakt waarin het onderzoek naar het leesonderwijs van 2004 tot 2014 wordt beschreven, en waarin wordt nagegaan wat we nu wel en niet weten over het onderwijs in dit domein. Dat levert kennis op over effectieve aanpakken, maar ook kennis over wat er gebeurt in lessen leesvaardigheid, over de manier waarop leerlingen het vak waarnemen, of over beoordelingsinstrumenten voor het vak.

Deze publicatie is een vervolg op en een actualisatie van Lezen in het basisonderwijs (Bonset & Hoogeveen, 2009), waarin het onderzoek naar het domein leesvaardigheid van 1969-2004 is beschreven. In grote lijnen hebben we dezelfde werkwijze gevolgd als in die publicatie.

Achtereenvolgens komen onderzoeken aan de orde die gericht zijn op: doelstellingen, beginsituatie van de leerling, onderwijsleermateriaal, onderwijsleeractiviteiten, instrumentatie en evaluatie.

Voorwoord  p. 7-8

Inhoudsopgave

Voorwoord 6
Deel 1 Begrijpend lezen
1. Inleiding 11
2. Onderzoek naar doelstellingen 12
3. Onderzoek naar de beginsituatie 13
4. Onderzoek naar onderwijsleermateriaal 32
5.  Onderzoek naar onderwijsleer activiteiten 33 5.1. Descriptief onderzoek 33 5.2. Construerend onderzoek 38 5.3. Effectonderzoek 38
6. Instrumentatieonderzoek 46
7. Evaluatieonderzoek 49
8. Nabeschouwing 59  8.1 Onderzoeksresultaten uit de periode 2004-2014 59 8.2. Wat weten we wel en niet over begrijpend lezen? 64
Schematisch overzicht van het besproken onderzoek 2004-2014 67

Deel 2 Leesbevordering en fictie
1. Inleiding 73
2. Onderzoek naar doelstellingen 74 
3.  Onderzoek naar de beginsituatie 75 3.1   Leesgedrag, leesvoorkeuren en leesattitudes van leerlingen  77 3.2.  Ontwikkeling van leerling-kenmerken en relaties tussen die kenmerken 86 3.3. Buitenschoolse kenmerken: de invloed van het gezin 89
4.  Onderzoek naar onderwijsleermateriaal 96
5.  Onderzoek naar onderwijsleeractiviteiten 96 5.1. Descriptief onderzoek 96 5.2. Construerend onderzoek  108 5.3. Effectonderzoek 108
6.   Instrumentatie onderzoek 121
7.   Evaluatieonderzoek 123
8.   Nabeschouwing 124 8.1 Onderzoeksresultaten uit de periode 2004-2014 124 8.2. Wat weten we wel en niet over leesbevordering en fictie? 128
Schematisch overzicht van het besproken onderzoek 2004-2014 132
Referenties 137
Bijlage 1:  Geraadpleegde tijdschriften 153
Bijlage 2: Invulformulier voor codering onderzoeken 155

Bonset, H., & Hoogeveen, M. (2016). Lezen in het basisonderwijs opnieuw onderzocht: Een inventarisatie van empirisch onderzoek van 2004 tot 2014, Enschede: SLO.

Omhoog



Leraars van leraren

Ontwikkelingsprofiel Vlaamse Lerarenopleiders – versie 2015

VELOV – Auteurs Boris Mets en Jo van den Hauwe


Het ontwikkelingsprofiel voor lerarenopleiders is een initiatief van VELOV, de Vereniging voor Lerarenopleiders Vlaanderen. Als onafhankelijke beroepsvereniging ondersteunt VELOV de professionele ontwikkeling van alle lerarenopleiders. In samenwerking met de Expertisenetwerken Lerarenopleidingen werkt VELOV sinds 2007 aan een referentiekader voor deze professionele ontwikkeling. Dat resulteerde in 2012 in een eerste versie van het ontwikkelingsprofiel en in een reeks -meestal teamgerichte vormingen voor lerarenopleiders. Het Expertisenetwerk Lerarenopleidingen Antwerpen (ELAnt) was verantwoordelijk voor de uitvoering van dit project in het kader van een beheersovereenkomst met de Vlaamse overheid. Ook voor de nieuwe versie van het ontwikkelingsprofiel deed VELOV een beroep op de expertise van ELAnt. Het ontwikkelinsprofiel is in digitale versie beschikbaar op www.velov.eu

WAAROM EN HOE?

In 2012 publiceerde VELOV de eerste versie van het ontwikkelingsprofiel Vlaamse lerarenopleider (VELOV, 2012) als referentiekader voor de professionalisering van lerarenopleiders. Op vraag van VELOV gaf de Vlaamse overheid aan de expertisenetwerken de opdracht om vorming over het ontwikkelingsprofiel te organiseren voor lerarenopleiders. Expertisenetwerk Lerarenopleidingen Antwerpen (ELAnt) nam deze opdracht op zich (voor een overzicht zie Mets e.a. 2013).

Na drie jaar werken met het ontwikkelingsprofiel was het aan een update toe. Dit heeft te maken met:
1. Nieuwe wetenschappelijke inzichten, zoals o.a. beschreven in de review van wetenschappelijk onderzoek naar professionaliteit van lerarenopleiders van Lunenberg e.a. (2013).
2. Inzichten door te werken met het ontwikkelingsprofiel. Zo hebben we ondervonden dat een aantal rollen beter worden samengenomen.
3. Contradicties in de eerste versie van het ontwikkelingsprofiel. Volgens de inleiding richtte die zich vooral op teams van lerarenopleiders en wou ze geen afvinklijst zijn. In de praktijk was ze toch sterk op de individuele lerarenopleider gericht en waren lijstjes met competenties zeer dominant..

Inhoud

4 Inleiding
12 Grondslag van het opleiderschap
LERARENOPLEIDERS ALS…
18 leden van een team en een organisatie
36 geëngageerde professionals
52 leraars van leraren
68 begeleiders
84 bruggenbouwers
96 onderzoekende professionals
112 beoordelaars
130 …
136 Ontwikkelingsprofiel en specifieke competentiedomeinen: voorbeeld mediawijsheid
140 Geraadpleegde literatuur

Het profiel is bereikbaar via deze koppeling: klik hier

Omhoog


 

Presentatie met powerpoint over de geschiedenis van de taalzorg en taaladvisering in Vlaanderen
door Peter Debrabandere

Peter Debrabandere bracht de presentatie in Antwerpen op 10 juni 2015 tijdens een discussiemiddag over ‘Taalnormen en taalvariatie in het onderwijs’ (Organisatie Nederlandse Taalunie).

Hij schetst de strijd voor een cultuurtaal in Vlaanderen vanaf de 19e eeuw en doorloopt de fasen van taalzorg in de 20ste eeuw tot hij een zinvolle taaladvisering voorstelt voor nu en later waar het taalonderwijs en ook anderen hun voordeel bij kunnen doen.

De powerpoint  is krachtig informatief en leest als een doorlopende tekst.


Peter Debrabandere is hoofdredacteur van het tijdschrift Neerlandia en docent aan de Katholieke Hogeschool Vives


Naar de presentatie


Omhoog


 


VAKPORTAAL NEDERLANDS SLO

Alles over mijn vak

Eén overzichtelijke website waarop leraren en schoolleiders eenvoudig allerlei actuele, relevante en interessante inhoudelijke informatie over een bepaald vak of leergebied vinden, dat is de gedachte achter de vakportalen die SLO ontwikkelt.  
In totaal worden er negen vakportalen ontwikkeld, de meeste voor een cluster van vakken. We onderscheiden: Nederlands, moderne vreemde talen, natuur & techniek, mens & maatschappij, rekenen/wiskunde, kunst & cultuur, bewegingsonderwijs & sport, beroepsgerichte vakken en klassieke talen.

We vestigen de aandacht op het vakportaal Nederlands.

Zo stelt het vakportaal zich voor

‘De inhoud van uw vak doet er toe. Wilt u op de hoogte blijven van ontwikkelingen op het vakgebied Nederlands, dan bent u hier aan het goede adres. U vindt op deze site informatie over leerplankundige ontwikkelingen voor met name primair en voortgezet onderwijs en krijgt zicht op de relevantie van deze ontwikkelingen. Publicaties, websites, onderzoeken, nieuws en aankondigingen zijn op deze website snel en makkelijk toegankelijk.’

http://nederlands.slo.nl

Omhoog


 

Handboek Literatuuronderwijs 2015-2016 Lijst of Lezer

Het handboek - in een bereikbare digitale versie - is een naslagwerk, een overzicht van de nieuwste ontwikkelingen in het literatuuronderwijs. Het kan als inspiratiebron dienen. Extra mogelijkheden biedt het zoals met koppelingen doorverwijzen naar artikels, filmpjes, websites en achtergrondinformatie bij de inhoud van dit Handboek.

In het handboek wordt dieper ingegaan op de onderwerpen die tijdens het symposium op de Dag van het Literatuuronderwijs op 5 november 2014 in Rotterdam aan bod kwamen en zijn praktische toepassingen te vinden. Het handboek bestaat uit columns, wetenschappelijke artikelen, strips en proza.

In de komende weken wordt het handboek uitgebreid met de verslagen en hand-outs van de workshops en masterclasses van de Dag van het Literatuuronderwijs. Ook worden videoregistraties van alle lezingen in de Willem Burger Zaal in het handboek opgenomen.

Lees het handboek:

http://www.handboekliteratuuronderwijs.nl/

Omhoog




Gewildste Afrikaanse Gedichten.
De 100 topgedichten in het Afrikaans


Internetpagina op LitNet: http://gewildstegedigte.litnet.co.za/  

Verrassend en rijk is deze pagina. Ze laat u kennis maken met de mooiste gedichten in het Afrikaans.


Hoe de pagina is opgebouwd

- Bovenaan staat het tekstje met de mogelijkheden tot interactiviteit

Die koerantbylaag By, Leserskring en RSG het saamgespan om die gewildste gedigte in Afrikaans deur die publiek te laat kies – en hier is die 100 gewildste gedigte uit die sowat 1 300 gedigte wat benoem is!
Help ons nou om hierdie 100 gedigte in klank te verewig. Skep klankopnames van jou gunstelinggedigte, luister na ander opnames van die gedigte en stem vir jou gunstelingopnames en vir jou gunstelinggedigte. Ons sal al die klankopnames hier bewaar sodat jy voortaan gratis op dié webblad daarna kan luister.

De krantenbijlage By, Leserskring en RSG hebben de handen in elkaar geslagen om de meest gegeerde gedichten in het Afrikaans door het publiek te laten kiezen – en hier zijn de 100 meest geliefde gedichten uit de zowat 1.300 gedichten die genoemd werden.

Help ons nu om die 100 gedichten in klank te vereeuwigen. Maak klankopnames van uw voorkeurgedichten, luister naar andere  opnames van die gedichten en breng uw stem uit voor uw voorkeuropnames en voor uw lievelingsgedichten. Wij zullen alle klankopnames hier bewaren, zodat u ze voortaan  gratis op deze website kunt beluisteren.


- Wat kan ek nou doen?

  • Lees die 100 gewildste gedigte
  • Stem vir jou 10 gunstelinggedigte
  • Skep klankopnames van die gedigte
  • Luister na opnames van die gedigte
  • Stem vir jou 10 gunstelingopnames

Klik op die gedigte hieronder of op die spyskaart boaan die blad.

- Hier is die 100 gewildste gedigte Rol na onder om al die gedigte te sien

Klikt u op de titel van het gedicht, dan komt u bij de tekst van het gedicht.
Klikt u op de naam van de dichter(es), dan krijgt u de korte dichtersbiografie van de auteur van het gedicht met onderaan de titel van de gedichten waarvan u de tekst via een klik op het scherm kunt oproepen.

- Hier is die digters Rol na onder om al die digters te sien

U krijgt links de pasfoto van de auteur en rechts haar of zijn naam.
Op elk van beide kunt u klikken en u krijgt de dichtersbiografie in het kort van de auteur op het scherm. Onderaan krijgt u de titels van de voorkomende gedichten. Daarop kunt u klikken om de tekst van elk voorkomend gedicht op te roepen.

De pagina “Gewildste Afrikaanse Gedigte” is geïntegreerd in het digitaal cultureel-literair magazine LitNet. Ze biedt een verrassende kijk op de representatieve moderne dichtkunst in het Afrikaans.

Ze toont eens te meer de rijkdom aan van de Zuid-Afrikaanse literatuur in het Afrikaans.

Ze is vernuftig en heel gebruiksvriendelijk opgesteld door de interne koppelingen die u naar het gewenste gedicht of de gekozen auteur brengen.

Daarmee krijgt  u de 100 uitverkoren gedichten in het Afrikaans altijd bij de hand.


Omhoog



Taalbeschouwing volgens de nieuwe eindtermen en het nieuwe leerplan Nederlands
voor de tweede graad - Jan Uyttendaele

Toegevoegd aan KlasCement door Jan Uyttendaele op 01.03.2014

Uit onderzoek bij laatstejaarsleerlingen secundair onderwijs is gebleken dat de eindtermen voor grammatica en spelling in het Vlaamse aso onvoldoende bereikt worden. Bovendien vinden veel leerkrachten dat de Nederlandse grammatica in het lager onderwijs en in het secundair onderwijs onvoldoende op mekaar zijn afgestemd en dat de leerplannen Nederlands onvoldoende aandacht besteden aan het grammaticaonderwijs (Van Vooren en Devos, 2008, Devos, 2012).

De nieuwe eindtermen Nederlands voor taalbeschouwing, die vanaf 2010 geleidelijk geïmplementeerd worden in het Vlaamse onderwijs, zouden aan die klachten tegemoet moeten komen. Van lager onderwijs tot eind secundair onderwijs komt er nu een doorlopende leerlijn in het grammaticacurriculum en het zwaartepunt verschuift van de eerste graad naar de bovenbouw van het secundair onderwijs (tweede en derde graad). De vraag is echter of de nieuwe leerplannen op voldoende en adequate wijze rekening houden met deze vernieuwde inhoudelijke opbouw van het curriculum.

In deze bijdrage gaan we na in hoeverre dit voor het leerplan Nederlands voor de tweede graad secundair onderwijs van het VVKSO het geval is.
In een uitgewerkt lesvoorbeeld voor het vierde jaar secundair onderwijs proberen we te laten zien hoe we taalbeschouwelijke onderwerpen in de tweede graad concreet kunnen aanpakken.

Bijdrage en lesvoorbeeld vindt u op Klascement:

http://www.klascement.be/artikels/47415

Omhoog


 

Beoordeling van en feedback op schrijfvaardigheid. Een handreiking voor de tweede fase voortgezet onderwijs, Tido Ekens en Theun Meestringa m.m.v. 4 docenten - SLO-brochure juli 2013

Schrijfvaardigheid wordt vaak gezien als een lastig onderdeel van het vak Nederlands. Tiddo Ekens (SLO): "Het beoordelen van schrijfvaardigheid kost veel tijd en de verbinding met het Referentiekader Taal is nog niet goed uitgewerkt". Een projectgroep van leraren en SLO'ers ontwikkelde de handreiking 'Beoordeling van en feedback op schrijfvaardigheid'.

De problemen met betrouwbaarheid, validiteit, werkdruk en de toepassing van het referentiekader vormden voldoende aanleiding een project te starten over het beoordelen van schrijfvaardigheid.

Behalve de operationalisering van de referentieniveaus voor schrijven, vormt ook de huidige beoordelingspraktijk een belangrijke aanleiding voor deze publicatie. De beoordeling van schrijfvaardigheid loopt sterk uiteen: verschillende docenten geven verschillende waarderingen en beoordelingen voor hetzelfde leerlingproduct. Met andere woorden, de betrouwbaarheid van schrijfvaardigheidsbeoordeling moet vergroot worden om recht te doen aan zowel de
referentieniveaus als aan de prestaties van leerlingen.

Een verdere aanleiding voor deze publicatie is de huidige praktijk van het schrijfonderwijs in de tweede fase. Leerlingen moeten drie tekstsoorten leren beheersen (uiteenzetting, betoog, beschouwing). Om deze tekstsoorten onder de knie te krijgen is oefening nodig, en leereffect van de oefening in het schrijven wordt - zoals bekend - aanzienlijk versterkt door gerichte feedback op het schrijfproduct. Tegelijk is bekend dat de taakbelasting van docenten Nederlands groot is, met name door het corrigeren van schrijfproducten. In deze publicatie proberen we de volgende paradox te overbruggen: meer feedback op leerlingproducten met minder correctiewerk door de docent.

Deze publicatie laat de totstandkoming zien van drie feedbackformulieren en een beoordelingsmodel.
Praktijkervaringen worden beschreven, evenals tips om de instrumenten in praktijk te brengen.

Naar het bestand toe

Omhoog



Kennisbasis ICT 2013 – een bewuste zijsprong

In Vlaanderen kennen we aan de universiteiten de initiële lerarenopleidingen die onderwijsbevoegdheid geven in de 2e én 3e cyclus van het secundair onderwijs. Aan de hogescholen behalen kandidaat-leraren een professionele bachelor met bevoegdheid voor de 1e en gedeeltelijk 2e cyclus. In Nederland spreekt men over tweedegraads voor de onderbouw en eerstegraads lerarenopleidingen voor de bovenbouw. Alle lerarenopleidingen richten zich op de vorming van aankomende leerkrachten met een pedagogisch en didactisch gestoffeerd curriculum. Vakdidactiek staat wel centraal. De kennisbasis ICT kan voor alle startbekwame leraren een gedegen ondersteuning bieden voor het realiseren van de vakdoelen in een tijd dat de digitalisering in de scholen en in de klassen een grote impact verwerft bij het realiseren van de leerprocessen.
In dat licht is het voor alle lerarenopleidingen en voor alle leraren in de praktijk van bijzonder belang dat zij hoe langer hoe meer vertrouwd raken met de doelstellingen zoals die in de kennisbasis ICT systematisch worden gepresenteerd.

Uit het voorwoord

"De lerarenopleidingen richten zich op het opleiden van docenten in de context van
de 21e-eeuwse kennis- en netwerksamenleving en hierbij is het belang van
technologie in het leren, lesgeven en organiseren van onderwijs evident. ICT is niet
meer weg te denken uit onze samenleving en dus zeker niet meer uit het onderwijs.
Het is de taak van de lerarenopleidingen om studenten op te leiden tot startbekwame
docenten die kunnen omgaan met ICT en deze kunnen inzetten in hun dagelijkse
onderwijspraktijk. De startbekwame docent onderkent dat weloverwogen inzet van
ICT kan leiden tot rendementsverbetering in het leren, lesgeven en organiseren van
onderwijs. Om ICT effectief en doelmatig in te zetten in het leren, lesgeven en
organiseren van onderwijs beschikt de startbekwame docent over voldoende
instrumentele vaardigheden, is hij informatievaardig en beschikt hij over voldoende
mediawijsheid. Vanzelfsprekend bekleedt de startbekwame docent in deze ook een
rolmodel en stimuleert hij de leerlingen om ICT zo in te zetten dat het een positieve
bijdrage heeft op het eigen leren."

De kennisbasis ICT 2013 van het ADEF, Algemeen Directeurenoverleg Educatieve Faculteiten, staat nu ter beschikking van de Nederlandse en de Vlaamse lerarenopleidingen.

Klik hier

Omhoog


Toolkit Breed Evalueren (TBE)
voor de competenties Nederlands in het secundair onderwijs



Om de concrete klaspraktijk aan te passen aan de taalleerbehoeften is het evalueren en opvolgen van de taalontwikkeling van leerlingen cruciaal in een talenbeleid.

De Toolkit wil leerkachten en teams handvatten geven om na te denken over hun evaluatiebeleid, over hun doelen, over hoe ze aan die doelen met het volledige team willen werken, over welke stappen ze in dat proces willen en kunnen zetten...

Koen Van Gorp

De studiedag die over dit werkinstrument werd georganiseerd op vrijdag 11 oktober 2013 in het Ministerie van Onderwijs en Vorming volstaat echt niet om directies, schoolbeleidscoördinatoren, begeleiders, lerarenopleiders, leraren kennis te laten maken met, te sensibiliseren voor, vertrouwd te maken met en het instrument nuttig te gebruiken in de onderwijspraktijk. Het is een ruim uitgewerkt medium dat echte studie veronderstelt om dat doel te bereiken.

De toolkit werd op vrijdag 11 oktober 2013 toegankelijk gesteld op de website van het Ministerie. Die geeft onder gekleurde knoppen toegang tot de Startvragenlijst Breed Evalueren (links - lichtbruin) en het Stappenplan Breed Evalueren (rechts - lichtbruin). De knop in het midden voert naar de Toolkit Breed Evalueren (lichtblauw) als een geheel.
Voor elk van die onderdelen zijn er inleidende documenten die nog gedetailleerd verder doorleiden naar verklarende en motiverende tekstdocumenten in pdf-formaat. De volledige toolkit is een pdf-document van 304 bladzijden.

We nemen hier de inleiding over die een globaal beeld schetst van het werkinstrument.

Inleiding

Het OBPWO-project ‘Toolkit competenties Nederlands Breed Evalueren(TBE)’ is uitgevoerd in opdracht van het Departement Onderwijs en Vorming (Afdeling Strategische Beleidsondersteuning). Het onderzoek betrof een samenwerkingsverband tussen het Centrum voor Taal en Onderwijs (KU Leuven) en het Steunpunt voor Diversiteit en Leren (UGent).

Aanleiding voor het project was de vraag naar de wenselijkheid van het gebruik van een taaltoets bij aanvang secundair onderwijs. In de beleidsnota Onderwijs en Vorming 2009-2014 ‘Samen grenzen verleggen voor elk talent’ kondigde de Vlaamse minister van Onderwijs en Vorming, Pascal Smet, aan dat hij de wenselijkheid wilde nagaan van het gebruik van taaltoetsen als instrument voor scholen om een goed overzicht te krijgen over het taalbeheersingsniveau van hun leerlingen. De expertencommissie was het er in de ‘Bruikbaarheidsstudie screeningsinstrument Nederlands aanvang secundair onderwijs’ over eens dat een taaltoets niet zal volstaan om tegemoet te komen aan de drie vooropgestelde doelstellingen, zijnde
a. het optimaliseren van het talenbeleid op school,
b. het optimaliseren van de taalontwikkeling en het leerkapitaal van elke leerling en
c. het fungeren als knipperlicht voor taalzwakke leerlingen.
De commissie formuleerde de bezorgdheid dat alleen de tekorten van een (groep) leerling(en) in kaart zouden worden gebracht en er enkel naar achterstand zou worden gekeken. De commissie pleitte ervoor dat zou worden gepeild naar wat leerlingen kort na aanvang van het secundair onderwijs kunnen en wat hun talige behoeften zijn om met maximale kansen op succes hun schoolloopbaan te doorlopen. Hiertoe stelde de expertencommissie een breed assessment voor. De commissie adviseerde de ontwikkeling van een ‘Toolkit Breed Evalueren’ om in eerste instantie de competenties Nederlands van leerlingen in kaart te brengen.
 
De ontwikkeling van de TBE is gebaseerd op de inzichten en principes van breed assessment. Assessment betekent vaststellen en inschatten van de (talige) competenties van leerlingen. Bij brede evaluatie wordt uitgegaan van een cyclisch, continu en interactief proces tussen instructie en evalueren. Door breed en veelvuldig te evalueren, zal de voorspellende waarde van het beeld dat de leerkracht opbouwt van een leerling of klasgroep toenemen. Een test of screening is daarentegen slechts een momentopname. Als de toetsafname kort na de start van het schooljaar gebeurt, bestaat het gevaar dat bij een aantal leerlingen een tijdelijke terugval – bijvoorbeeld door de lange vakantieperiode – in schoolse taalvaardigheid kan optreden. Invloed van toevallige factoren, bias en meetfouten zijn geen ondenkbeeldig risico bij een toets die slechts op één welbepaald moment meet.

De website Toolkit Competenties Nederlands Breed Evalueren kent twee vertrekpunten. Een theoretisch stappenplan en een startvragenlijst. In deze twee documenten wordt steeds verwezen naar ‘implementatiescenario’s’. Deze scenario’s zijn de kern van de Toolkit en helpen schoolteams om te reflecteren over hun eigen evaluatiepraktijk en visie te ontwikkelen rond breed evalueren aan de hand van praktijkvoorbeelden, casussen e.d. In deze scenario’s zijn ook koppelingen opgenomen naar andere scenario’s, naar filmpjes en naar identificatiefiches die verschillende evaluatie-instrumenten bespreken aan de hand van een aantal parameters. Voor de gebruikers van de website is het heel handig om telkens door te klikken. De gebruikers die de papieren versie van de Toolkit hanteren, is dit doorklikken uiteraard niet mogelijk.”

De volledige Toolkit Breed Evalueren in pdf kunt u hier raadplegen.

Het programma van de studiedag van 11 oktober 2013 met de koppelingen naar de powerpointpresentaties kunt u
hier oproepen op uw scherm.

Krantenartikel met beleidsmededeling van Minister P. Smet:
"Leraren krijgen nieuwe instrumenten om kennis Nederlands te meten."

De beide onderwijsondersteunde instituten CTO KU Leuven en Diversiteit en Leren UGent werken nu intensief
aan een Toolkit Breed Evalueren voor de Competenties Nederlands voor het Lager Onderwijs in Vlaanderen.

Omhoog


 

Spellingonderwijs: Tijd voor een andere aanpak? Artikel in 'Leerrijk' van Jan Uyttendaele

Jan Uyttendaele, SLO Nederlands, KU Leuven (jan.uyttendaele@arts.kuleuven.be)

Inhoud

1 Inleiding

2 Spellingstrategieën
2.1 Directe spellingstrategie
2.2 Indirecte spellingstrategie
3 Vuistregels voor het spellingonderwijs
Vuistregel 1. Wees voorzichtig met de regels uit de leidraad van Het Groene Boekje.
Vuistregel 2.
Wees spaarzaam met spellingregels.
Vuistregel 3. Vermijd uitzonderingsregels.
Vuistregel 4. Vermijd onduidelijke of inconsistente regels.
Vuistregel 5. Formuleer de regels zo eenvoudig en ondubbelzinnig mogelijk.
Vuistregel 6. Kom tegemoet aan de concrete behoeften van de leerlingen.
Vuistregel 7. Leer de leerlingen spellen met gebruikmaking van hulpmiddelen.
Vuistregel 8. Werk aan een gezonde spellingattitude.
Vuistregel 9. Vermijd het invullen van letters in oefeningen.
Vuistregel 10. Breng de leerlingen niet in verwarring.
Vuistregel 11. Zorg voor de individuele remediëring van de leerlingen.
Vuistregel 12. Integreer het spellingonderwijs in het schrijfonderwijs.

4 Conclusies

5 Bibliografie

Bijlage: lesideeën
1 Lesbegin
2 Lesmidden
3 Leseinde

Samenvatting

In het nieuwe leerplannen Nederlands van het VVKSO staat te lezen: ‘Goed spellingonderwijs is alleen maar mogelijk als je op de hoogte bent van de beginsituatie van de leerlingen en van de gebruikte strategieën (en stappenplannen) in het basisonderwijs.’ In het basisonderwijs probeert men zoveel mogelijk rekening te houden met de resultaten van het onderzoek naar de strategieën die de speller hanteert bij het spellen en het leren spellen. Maar in het secundair onderwijs is dit inzicht in de meest gebruikte spellingstrategieën en de consequenties daarvan voor de praktijk van het spellingonderwijs nog niet overal doorgedrongen. In dit artikel doen we een aantal voorstellen voor de concrete lespraktijk, die rekening houden met de nieuwe eindtermen en de nieuwe leerplannen Nederlands.

Lees het hele artikel

Omhoog


 

Themanummer Taal tijdschrift  VVL-Ideeën  
van de Vereniging Vlaamse Leerkrachten (VVL)

maart-april 2013 – 44-3

Het tijdschrift is uiteraard sterk gericht op het onderwijs in Vlaanderen en meer bepaald het middelbaar onderwijs. Het publiceert geregeld lezenswaardige artikels daarover.

Nu adresseert het tijdschrift zich aan de binnenkant van zijn omslag op blz. 2 aan de lezeres, de lezer met het volgende tekstje.

Themanummer Taal

Over taal schrijven is taal gebruiken. Over het belang van het Nederlands schrijven, heeft altijd iets opwekkends en iets bedroevend in zich, althans wanneer een lesgevende het waagt over de standaardtaal te schrijven. Zij of hij wordt immers dagelijks geconfronteerd met taalgebruikers die onkunde, onverschilligheid, zelfs een zekere vijandigheid ten aanzien van de standaardtaal tonen.

Dit nummer neemt het op voor de bso-leerlingen. Ze hebben vaak te kampen met allerlei belemmeringen om de taal te leren beheersen. Hun taalgevoel mag evenwel niet onderschat worden. Ze erkennen de waarde van de standaardtaal en zouden bij heel wat gelegenheden die zelf ook willen spreken.

Onderwijs dat leerlingen consequent standaardtaal aanbrengt en inoefent, helpt mee de toekomst voor hen te ontsluiten.

BESTUUR EN REDACTIE”

Het stevig pleidooi voor de bevordering van de standaardtaal blijkt ook uit de artikelthema’s van deze editie:

- Omtrent het tal van talen. Het V.V.L.-MANIFEST verduidelijkt.
- Taal, een onvaste waarde? Het Nederlands is een evoluerende taal – Ludo Frateur
- Nederlands normgevoeligheid – Attitude van jongeren ten aanzien van het Standaardnederlands, de tussentaal en het dialect. – Herman Gevaert

Verder een artikel gericht op onderwijskundig beleid voor taalzwakkere leerlingen
- Emancipatie door differentiatie – De Opstap-Klas is een kansenscheppend totaalproject – Alexandra Maria da Silva Punto

We blijven met welgevallen de zorg van VVL-Ideeën voor het onderwijs en zeker voor het onderwijs Nederlands volgen. We delen zijn bezorgdheid voor de status en het onderwijs van het Standaardnederlands in onze scholen.

Ghislain Duchâteau

17-2-2013

Omhoog


Technisch lezen in het basisonderwijs. Een inventarisatie van het empirisch onderzoek door Helge Bonset en
Mariëtte Hoogeveen - SLO - nationaal expertisecentrum leerplanontwikkeling - december 2012

In deze publicatie ligt weer de bedoeling voor om de kloof tussen onderzoeksresultaten en de onderwijspraktijk te dichten. Ook hier worden de onderzoeken ter beschikking gesteld voor het onderwijsveld. De auteurs rapporteren over de resultaten van hun zevende literatuurstudie binnen het project HTNO: over het domein technisch lezen. Het gaat hierbij om het aanvankelijk technisch lezen in groep 3 en het voorgezet technisch lezen in groep 4 en daarna.

Deze publicatie is een vervolg op Schrijven in het basisonderwijs (Bonset & Hoogeveen, 2007), Lezen in het basisonderwijs (Bonset & Hoogeveen, 2009a), Spelling in het basisonderwijs (Bonset & Hoogeveen, 2009b), Woordenschatontwikkeling in het basisonderwijs (Bonset & Hoogeveen, 2010a), Taalbeschouwing (Bonset & Hoogeveen, 2010b) en Mondelinge taalvaardigheid in het basisonderwijs (Bonset & Hoogeveen, 2011). Deze publicaties zijn te downloaden via http://www.slo.nl/htno, http://www.slo.nl/primair/publicaties/ en via http://taalunieversum.org/onderwijs/onderzoek/publicaties.php.

Lees hier het pdf-document


Omhoog


 

Verkenningen - een nieuwe publicatiereeks van de Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde (KANTL)

De serie Verkenningen bundelt teksten van essayistische aard. Ze komen tot stand binnen het raam van de lezingen op de maandelijkse ledenvergadering van KANTL of zij zijn het resultaat van de medewerking van derden aan evenementen die de Academie organiseert. De reeks richt zich op een ruimer publiek van cultureel geïnteresseerden, die ook openstaan voor wetenschappelijke ontwikkelingen op het terrein van taal en letteren en voor de studie van het erfgoed dat nauw verbonden is met KANTL.

Op woensdag 19 december 2012 in de namiddag installeerde KANTL twee nieuwe leden:
Geert Buelens en Stefan Hertmans, beiden actief als letterkundigen. Geert Buelens bracht hulde aan zijn voorganger Jean Weisgerber, die de laudatio voor hem aandachtig volgde.
Stefan Hermans huldigde zijn voorganger Gwy Mandelinck, die ook present was. Frank Willaert, voorzitter van de Academie stelde Geert Buelens voor en Anne Marie Musschoot deed dat voor Stefan Hertmans.

VERKENNINGEN - NR. 1 Dubbelkunstenaars

De installatie van de nieuwe academieleden werd echter voorafgegaan door een lezing van de Nederlandse letterkundige Hans Groenewegen met als thema “Dubbelkunstenaars vermenigvuldigen levensvragen”.  De eminente genodigde uit Nederland werd ingeleid door academielid Anne Marie Musschoot en zij stelde gelijktijdig de eerste aflevering van de nieuwe KANTL-reeks ‘Verkenningen’ voor. Die eerste publicatie draagt als titel “Dubbelkunstenaars”. Het zijn kunstenaars die enerzijds de literatuur beoefenden, anderzijds werkzaam waren in schilderkunst of plastische kunsten.

Achtereenvolgens kregen Hugo Claus door Jean Weisgerber, Lucebert door uitgerekend Hans Groenewegen en Paul Snoek door Paul Demets een essay over hen toebedeeld. Jean Weisgerber titelde zijn essay “Beeldcitaten in de poëzie van Hugo Claus 1950-1955”. Hans Groenewegen schrijft boven zijn tekst “Lucebert. Een ongelijktijdige dubbelkunstenaar”.  Paul Demets heeft het over “Een arrière-gardist van de avant-garde: over Paul Snoek als dubbeltalent”. De eerste en de derde beoefenden gelijktijdig het dubbelkunstenaarschap. Bij Lucebert was dat niet zo: als dichter zweeg hij zeventien jaar lang. “Met het opnemen van de pen is de wijzer van de klok weer gaan lopen” stelt Groenewegen. Schrijven en schilderen bleken bij deze kunstenaar onverenigbaar.

Op de zitting van 19 december 2012 kregen de aanwezige academieleden en de genodigden zes presentaties voorgeschoteld, die heel goed waren voorbereid en die alle een hoog inhoudelijk niveau vertoonden. De jonge academicus Geert Buelens hield zijn betoog voor Jean Weisgerber op het spreekgestoelte vanaf de notities op zijn iPad. Nummer 1 van Verkenningen (51 bladzijden) over de drie dubbelkunstenaars is alleszins een geslaagd en hoogstaand begin van een beloftevolle publicatiereeks. De reeks verschijnt occasioneel, maar ze is het waard om aandachtig gevolgd te worden.


VERKENNINGEN - NR. 2 De Academie en het Nederlands in verleden, heden en toekomst

Onder dezelfde titel vierde de Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde op 23 en 24 september 2011 haar 125ste verjaardag met een jubileumcolloquium. De meeste van de lezeingen die toen daar werden gehouden, werden nu opgenomen in het tweede nummer van Verkenningen. Het colloquium omvatte drie onderedelen: 'De wortels in de negentiende eeuw', 'Taal en cultuur vandaag' en 'Verbreding van de horizon'.

In 1886 werd de KANTL opgericht met de bedoeling het culturele en literaire leven in Vlaanderen te stimuleren. In 'De Brusselse voorgeschiedenis van de Vlaamse Academie te Gent (1836-1846)' blz. 3-19 beschrijft Els Witte hoe kort na 1830 de spellingskwestie de aanzet gaf tot het streven naar een Vlaamse Academie. Een zelfstandige Vlaamse academie werd door het Belgische staatsbestel afgewezen. Dan zocht de elite van de vroege Vlaamse beweging de Académie Royale de Belgique op. Zo konden experimenten met Vlaamse literaire acties in een volstrekt Belgisch kader.

In 'Taal en identiteit in de Nederlandse literatuur in de negentiende eeuw' blz. 20-28 onderzoekt Piet Couttenier welke verhouding er bestond tussen literatuur en het cultuurpolitieke en maatschappelijke domein in ons taalgebied in die tijd, hoe die relatie is ontstaan en hoe ze geëvolueerd is. Na de schets van de relatie tussen natievorming en literatuur en een beschrijving van de wijze waarop die in Nederland gestalte kreeg, concentreert hij zich op de Vlaamse situatie. Er bestond een wankel evenwicht tussen Belgisch nationalisme en Vlaams bewustzijn. Die versterkten elkaar aanvankelijk maar groeiden daarna stilaan uit elkaar. De nauwe vervlechting van taal, identiteit en letteren zorgde in de 19e eeuw voor veel geestdrift en een immer sterker Vlaams bewustzijn.

In 'Nederlands in tijden van kanteling. Het Nederlands in Vlaanderen anno 2013' (in deel 2 van het colloquium) blz. 29-35 vertrekt Dirk Geeraerts van de tegenstelling tussen een rationele kijk op taal, waarin taal een communicatie-instrument is en anderzijds een romantische, die taal beschouwt als middel tot zelfexpressie. Hij wijst op de rol die beide visies gespeeld hebben in de standaardisering van het Nederlands in Vlaanderen en hoe in het postmoderne klimaat van nu die beide visies tot een wankele synthese gekomen zijn. Meertaligheid is nu het sleutelwoord: met ieder van de talen of taalregisters die we beheersen, geven we gestalte aan een andere rol die we in een van onze wisselende identiteiten kunnen aannnemen, maar evenzeer zijn verschillende talen of registers functioneel geassocieerd met verschillende communicatieve rollen.

Hugo Brems plaatst in 'Een giraf is geen mislukt paard. Nederlandse literatuur vandaag' blz. 36- 46 een aantal recente uitspraken van auteurs en critici naast elkaar, die de teloorgang betreuren van de literatuur als een verheven en bijzondere uitingsvorm. Commercialisering en mediatisering hebben dat veroorzaakt. De enen beschouwen die evolutie als een banalisering, anderen juichen die toe als democratisering van de literatuur. Het conflict werd gevat in 'De Barbaren' van Alessandro Baricco in het beeld van de mislukte giraf. Verder pleit Brems voor een kijk op literatuur waarin ruimte is voor verschillende rollen, vormen en functies.

Dit nummer 2 van Verkenningen sluit met de lezing van Pieter J.D. Drenth 'Een Academie van Wetenschappan: nationaal en internationaal perspectief' blz.47-54 . Hierin vindt de lezer een overzicht van de heel verschillende soorten van wetenschappelijke academies en de diverse rollen die zij vervullen. De auteur was voorheen voorzitter van ALLEA, een vereniging die Europese wetenschappelijke academies overkoepelt. Zo kan hij het belang van de internationale samenwerking tussen de verschilende academies heel duidelijk aantonen.

Naar het Woord vooraf van Hugo Brems, blz. 1-2

G.D.

KANTL

Aansluitend bij Verkenning nr. 1 klik door naar de pagina Archief-Literatuur:
Hans Groenewegen commentator van Luceberts dichtkunst (uit Verkenningen)

Omhoog



HTNO: brug tussen onderzoek en onderwijs
Het Taalonderwijs Nederlands Onderzocht - Ed Olijkan en Hanneke de Weger/ Nederlandse Taalunie - mei 2012



 

In de brochure HTNO: brug tussen onderzoek en onderwijs van de Nederlandse Taalunie leest u wat u allemaal kunt doen met Het Taalonderwijs Nederlands Onderzocht (HTNO), een databank met beschrijvingen van onderzoek naar het taalonderwijs Nederlands.





De algemeen secretaris van de Nederlandse Taalunie stelt de brochure HTNO: brug tussen onderzoek en onderwijs voor:

Naar het taalonderwijs Nederlands wordt veel onderzoek gedaan. Daardoor beschikken we over heel wat nuttige, inspirerende resultaten uit onderzoek. Tegelijk stellen we vast dat de klassenpraktijk hiervan onvoldoende profiteert. Leraren, schoolbegeleiders, lerarenopleiders, zij worden onvoldoende geholpen om op een toegankelijke manier kennis te nemen van onderzoeksresultaten en een vertaalslag te maken naar hun dagelijkse onderwijssituatie. Met Het Taalonderwijs Nederlands Onderzocht (HTNO), een databank met beschrijvingen van onderzoek naar het taalonderwijs Nederlands, wil de Nederlandse Taalunie een bijdrage leveren aan het overbruggen van de kloof tussen wetenschap en praktijk.

In de brochure leest u wat u allemaal kunt doen met HTNO.

Aan de hand van vragen uit de onderwijspraktijk toont de brochure hoe u als onderwijsadviseur, pedagogisch begeleider of lerarenopleider HTNO kunt gebruiken bij het adviseren van scholen of bij het opleiden van kritische leraren.

Ook beschrijft de brochure een aantal trends die we uit HTNO kunnen afleiden. Zo kunt u zien naar welke onderdelen van het taalonderwijs veel onderzoek is gedaan en welke minder zijn onderzocht. Informatie die niet alleen belangrijk is voor de onderwijspraktijk, maar ook voor de opstellers van onderzoeksprogramma’s en voor beleidsmakers.

Speciaal voor deze brochure schreven enkele Nederlandse en Vlaamse onderzoekers vanuit verschillende invalshoeken een reflectie op HTNO. Ruben Vanderlinde gaat in op de kloof tussen onderwijsonderzoek en onderwijspraktijk. Ron Oostdam beschrijft verschillende onderzoeksthema’s en de verbanden daartussen en merkt terloops op dat het onderzoek wel erg verkokerd is in domeinen van het onderwijs Nederlands. Kris Van den Branden vergelijkt de productie van onderzoekspublicaties over taalonderwijs in Nederland en Vlaanderen. Gert Rijlaarsdam pleit voor het bestuderen van internationaal onderzoek naar moedertaalonderwijs.

Deze brochure kan u een beeld geven van het brede spectrum aan mogelijkheden dat HTNO biedt. Op die manier zou het een beetje kunnen bijdragen aan de kwaliteit van het onderwijs Nederlands.

De auteurs zijn Ed Olijkan en Hanneke de Weger

Op de website OpleidingWerk.nl staat een interessante recensie over de nieuwe brochure:

Nederlandse Taalunie Onderzoeken naar het schoolvak Nederlands: leesonderwijs het vaakst onderzocht

Den Haag, 22 mei 2012

Op de website van de Nederlandse Taalunie staat een databank met ruim 1500 samenvattingen van empirisch onderzoek naar het onderwijs Nederlands sinds 1969. De meeste onderzoeken blijken te gaan over leesonderwijs. De favoriete onderzoeksmethode is het afnemen van toetsen bij leerlingen. Dat en meer staat te lezen in een pas verschenen brochure over de functies van de databank.

De databank heet HTNO, afkorting van Het Taalonderwijs Nederlands Onderzocht. Je kunt er snel teksten van Nederlandse en Vlaamse onderzoekers bijeengaren. De nieuwe brochure HTNO, brug tussen onderzoek en onderwijs laat zien hoe HTNO gebruikt kan worden. Vooral lerarenopleiders, onderwijsadviseurs en pedagogisch begeleiders kunnen er profijt van hebben. De bank geeft de mogelijkheid om het taalonderwijs te verbeteren op basis van wetenschappelijk verantwoorde conclusies. Zes zoektochten zijn gedetailleerd beschreven.

HTNO levert ook andere interessante gegevens, blijkt uit de brochure. Zo wordt vermeld dat het empirisch onderzoek naar het onderwijs Nederlands pas eind jaren 80 tot volle bloei komt. Het gaat dan vooral om primair onderwijs. Sinds 2000 groeit het aantal publicaties dat betrekking heeft op voortgezet/secundair onderwijs. Nu is de verhouding tussen primair en secundair/voortgezet onderwijs ongeveer drie op twee. Leesonderwijs is het meest onderzochte domein. Daarna volgt het schrijfonderwijs. De leerlingentoets is de populairste onderzoeksmethode.

Eén hoofdstuk is gewijd aan reflecties van wetenschappers. Ron Oostdam van de Universiteit van Amsterdam stelt een zekere verkokering vast: aspecten als mondelinge vaardigheden, lezen, taalbeschouwing en spelling worden zelden in samenhang met elkaar onderzocht. Hij signaleert ook witte vlekken. Er is bijvoorbeeld nauwelijks onderzoek naar het gebruik van nieuwe media. Gert Rijlaarsdam (Universiteit van Amsterdam) mist de relatie met buitenlands onderzoek naar moedertaalonderwijs. En Kris Van den Branden (Katholieke Universiteit Leuven) vraagt zich af waarom maar 10 % van het onderzoek in Vlaanderen gedaan is. Wellicht zijn er financiële redenen. Ook zal meespelen dat er in Vlaanderen niet zoveel bezorgdheid wordt geuit over de taalprestaties van leerlingen als in Nederland.

U vindt de databank HTNO (Het Taalonderwijs Nederlands Onderzocht) op http://taalunieversum.org/onderwijs/publicaties/htno_brug_tussen_onderzoek_en_onderwijs/
Daar vindt u ook een PDF van de brochure.
HTNO: brug tussen onderzoek en onderwijs
Het Taalonderwijs Nederlands Onderzocht

http://www.opleidingenwerk.nl/default.php?fr=nieuws&nieuwsitem=6666

Omhoog


Advieslijst taalbeschouwelijke termen Nederlands april 2012
Vlaams Ministerie van Onderwijs en Vorming - Agentschap voor Kwaliteitszorg in Onderwijs en Vorming

Beste,

Het Agentschap voor Kwaliteitszorg in Onderwijs en Vorming heeft onlangs de Advieslijst taalbeschouwelijke termen Nederlands herwerkt onder de wetenschappelijke begeleiding van Frans Daems en op basis van de inbreng van heel wat gebruikers en experts.

Het gaat niet om grote aanpassingen. Er werd een aantal termen toegevoegd omwille van de consistentie. Daarnaast werden de voorbeelden en toelichtingen hier en daar aangepast omwille van de duidelijkheid. We hopen dat de bijgewerkte lijst een instrument zal zijn dat de gebruiker nog beter zal helpen. Consequent zijn in het gebruik van terminologie is namelijk een belangrijke stap in het realiseren van goed talenonderwijs. Dat geldt niet alleen voor Nederlands maar ook voor moderne vreemde talen.

Het resultaat is downloadbaar op http://www.ond.vlaanderen.be/curriculum/talenbeleid/advieslijst-2012/
Wij willen u vragen de koppeling zo ruim mogelijk bekend te maken.

Als u nog vragen hebt, kan u bij mij terecht.

Vriendelijke groeten

Veerle Breemeersch

____________________________________________________________________________________
Veerle Breemeersch | APECK | Agentschap voor Kwaliteitszorg in Onderwijs en Vorming
Koning Albert II laan 15 (2C05) | B-1210 Brussel | Tel. 02 553 90 29 | www.akov.be 
_____________________________________________________________________________________

Voormalig onderwijsminister Frank Vandenbroucke liet in 2009 een advieslijst taalbeschouwelijke termen Nederlands samenstellen. Prof. Frans Daems verzorgde de wetenschappelijke begeleiding. Ze werd opgesteld ten behoeve van  leraren, lerarenopleiders, leerplanmakers, nascholers, leermiddelenontwikkelaars en anderen.

Volgens de minister is kunnen reflecteren over taal voor de ontwikkeling van taalcompetentie essentieel. “Deze lijst biedt daartoe een hulpmiddel, een instrument dat in alle Nederlandstalige scholen gelijkvormigheid én eenduidigheid in het gehanteerde termen- en begrippenapparaat mogelijk maakt. Dat faciliteert het leren over de verschillende talen, de studiejaren en de onderwijsvormen, en zeker over de scholen heen.” (Uit het voorwoord van de minister).

De advieslijst suggereert enkel en is op te vatten als een vrije, vrijblijvende handreiking.  Eén bepaalde term wordt telkens als standaardterm aanbevolen. De lijst omvat een 530 termen, waarvan er een 120 zijn opgenomen in de geactualiseerde eindtermen van het basisonderwijs en de eerste graad van het secundair onderwijs. Er is zowel een thematische lijst (met illustraties ter verduidelijking en toelichtingen) als een alfabetische lijst, waar de standaardtermen vetgedrukt staan.

De thematische indeling in negen domeinen gaat grosso modo van klein naar groot.


INDELING IN NEGEN DOMEINEN

  1. fonologisch domein - klanken
  2. orthografisch domein - spelling
  3. morfologisch domein - woorden
  4. syntactisch domein - woordgroepen en zinnen
  5. semantisch domein - betekenissen
  6. tekstueel domein - teksten
  7. pragmatisch domein - taal en communicatief handelen
  8. sociolinguïstisch domein - taal als sociaal fenomeen
  9. psycholinguïstisch domein - taalverwerking en -verwerving

De advieslijst taalbeschouwelijke termen wordt enkel elektronisch ter beschikking gesteld van het onderwijsveld.

Voor een effectief gebruik van de Advieslijst is een grondige lectuur van de inleiding ten stelligste aanbevolen.

Omhoog



Popular Linguistics Magazine op het internet

Midden januari 2011 verscheen het eerste 'nummer' van het Popular Linguistics Magazine, een nieuw online tijdschrift met populair-wetenschappelijke artikelen over taal en taalwetenschap. Er staan vooral bijdragen in van jonge Amerikaanse taalkundigen. De eerste aflevering bevat onder meer een essay over de vraag wat het nut is van taalkunde, een beschrijving van taalkundig veldwerk en een artikel over de voors en tegens van tweetalig onderwijs en over de meest efficiënte methode ervoor.

 

Omhoog




Mondelinge taalvaardigheid in het basisonderwijs - Een inventarisatie van empirisch onderzoek
door Helge Bonset en Mariette Hogeveen - SLO - nationaal expertisecentrum leerplanontwikkeling - juli 2011

20-07-2011

Resultaten van de zesde literatuurstudie binnen het project Het Taalonderwijs Nederlands Onderzocht (HTNO). Deze studie behandelt het domein mondelinge taalvaardigheid. Achtereenvolgens komen onderzoeken aan de orde die gericht zijn op: doelstellingen, beginsituatie van de leerling, onderwijsleermateriaal, onderwijsleeractiviteiten, instrumentatie en evaluatie. Een korte nabeschouwing geeft inzicht op de vraagstelling en de conclusies van het onderzoek.

Download Mondelinge taalvaardigheid in het basisonderwijs

De prijs voor de gedrukte brochure is € 6,69 per stuk (incl. 6% BTW)
Bestellen: via de website van het SLO

Omhoog


 

Conceptnota 'Samen taalgrenzen verleggen' - talennota van het Ministerie van Onderwijs en Vorming -
versie 22 juli 2011

Bij een eerste verkenning van de talennota van de Vlaamse minister Pascal Smet valt heel vlug op dat de term Nederlands vervangen werd door de term Standaardnederlands. Dat is een blijk van grote belangstelling binnen het onderwijsbeleid voor de standaardvorm van onze taal. Dat is de allerkeerste keer dat wij dat met veel voldoening mogen constateren.
In het document dat door de Vlaamse regering al een eerste keer werd goedgekeurd eind juli 2011 blijkt de bekommernis voor de ontwikkeling van de algemene standaardtaalvaardigheid van de lerenden op alle niveaus van onderwijs. Het belang ervan wordt uitdrukkelijk onderstreept in de tekst:
"Een rijke kennis van het Standaardnederlands als standaardtaal blijft ook in deze nota de eerste prioriteit." Daarnaast blijkt de minister ook de meertaligheid in (en buiten) het onderwijs met innovatieve beleidsmaatregelen te willen bevorderen.
Ook de recente idee van taalontwikkelend lesgeven heeft hier en nu al ingang gevonden in de tekst.


We kopiëren hier de inleiding van de conceptnota en daarna maken we de hele tekst toegankelijk via een verwijzing.

INLEIDING

De beleidsnota Onderwijs kondigt een ambitieus talenbeleid aan . Deze talennota wil daarvoor een spalier zijn. Hij bouwt verder op de realisaties van de vorige talenbeleidsnota: kleuters gaan vroeger en regelmatiger naar school, de eindtermen en ontwikkelingsdoelen van het Standaardnederlands en van moderne vreemde talen werden versterkt, taal kreeg een plaats in de basiscompetenties van de leraar en scholen werden gestimuleerd om een actief en expliciet talenbeleid te voeren. Een rijke kennis van het Standaardnederlands als standaardtaal blijft ook in deze nota de eerste prioriteit. De initiatieven die in de vorige talenbeleidsnota geïnitieerd werden, worden onverkort verdergezet: inzetten op de regelmatige aanwezigheid van kinderen in de kleuterklas, de tweedelijnsondersteuning van kleuteronderwijzers in gebieden met een hoge GOK-concentratie, projecten in het kader van het lokaal flankerend onderwijsbeleid, de doorlichting van het talenbeleid door de onderwijsinspectie.

We zetten daarom in op de competenties van de school om de ambitie van een rijke kennis van het Standaardnederlands een centrale plaats in een talenplan te geven, op de competenties van alle leraren om rijk Standaardnederlands te hanteren in de omgang met de kinderen, en op het creëren van stimuli voor taalarme en anderstalige kinderen om zoveel mogelijk en zo vroeg mogelijk actief met het Standaardnederlands in aanraking te komen. Hierbij willen we, inhakend op het inburgerings- en integratiebeleid, anderstalige ouders voldoende wapenen, via taallessen Nederlands op school.
 In vergelijking met andere Europese landen bieden we heel wat andere talen in het leerplichtonderwijs aan, maar we beginnen daarmee laat in het curriculum.  De noodzakelijke focus op het wegwerken van een tekort aan competenties Standaardnederlands bij taalarme en anderstalige kinderen in functie van een gelijke kansenbeleid, willen we aanvullen met een even noodzakelijke focus op het valoriseren van competenties die kinderen wél hebben: door thuistalen buiten het curriculum een plaats in het talenbeleid van de school te geven, door kinderen heel jong voor talen te sensibiliseren en door scholen onder andere de mogelijkheid te geven vroeger met vreemdetalenonderwijs te starten.

We motiveren deze keuze door de premisse, ondersteund door onderzoek, dat kinderen op jonge leeftijd makkelijker een vreemde taal verwerven dan op latere leeftijd, en door ons talenbeleid te enten op Europa. We brengen daarbij de evaluaties in rekening van lopende proefprojecten: Content and Language Integrated Learning (CLIL), het project Onderwijs in Eigen Taal en Cultuur (OETC), het onderzoek naar talenbeleid door de onderwijsinspectie, de resultaten van de peiling Nederlands in de derde graad secundair onderwijs (aso, kso, tso), de evaluatie van de ondersteuning van de basisscholen van de rand- en taalgrensgemeenten en de gemeenten in de brede rand rond Brussel via het project Rand en Taal en het syntheserapport van acht jaar wetenschappelijke begeleiding van het Voorrangsbeleid Brussel (VBB) .  Bovendien zullen de eindtermen vreemde talen worden doorgelicht en moeten ze deze regeerperiode ambitieuzer worden geformuleerd .

Vanuit de fundamenten van het verleden en de beschouwingen van het heden, proberen we een visie en een beleid voor de toekomst uit te tekenen. We doen dat door in te zetten op innovatie en door aansluiting te zoeken bij andere beleidsdomeinen.


De Onderwijsspiegel 2009-2010, p. 29-30 definieert “talenbeleid” als volgt: “Afhankelijk van de invalshoek onderscheiden we twee grote componenten van het talenbeleid: taalbeleid en taalvakkenbeleid.
Taalbeleid betreft het beleid op school in twee grote domeinen:
- het gebruik van het  Nederlands voor de communicatie van en met leraren, leerlingen, ouders en omgeving.
- de dubbele functie van het Nederlands als instructietaal: het is zowel middel als doel. Taalbeleid in dit domein heeft betrekking op alle leergebieden van het basisonderwijs en alle vakken van het secundair onderwijs: de algemene vakken, technische vakken, kunst- en praktijkvakken.
(…)
Het taalvakkenbeleid wil ertoe bijdragen dat zoveel mogelijk leerlingen de doelstellingen in de taalvakken bereiken. Het gaat om alle aangeboden talen: Nederlands, moderne vreemde talen zoals Frans, Engels, Duits, Spaans, Italiaans en de klassieke talen Latijn en Grieks.
(…)
In dit verslag kiezen we consequent voor de term talenbeleid omdat dit het best het geheel van zowel taalbeleid (met aandacht voor Nederlands als instructietaal en Nederlands voor de communicatie), als taalvakkenbeleid (met aandacht voor Nederlands en moderne vreemde talen als leergebied/vak) weergeeft.”

Samenvatting evaluaties als bijlage.

Regeerakkoord Vlaamse Regering 2009-2014, p. 28.

De Talennota 2011 omvat 42 bladzijden, maar voor wie belangstelling heeft voor het talenbeleid in het onderwijs is het
uitermate aanbevolen lectuur.

"Talennota wil kinderen voor het Europa van morgen klaarstomen"
Persbericht Kabinet Vlaams minister van Onderwijs, Jeugd, Gelijke Kansen en Brussel
Dinsdag 26 juli 2011 met de belangrijkste beleidsopties uit de Talennota

Voor de hele tekst van de nota 'Samen taalgrenzen verleggen' klik hier

Omhoog



Taalbeschouwing - Een inverntarisatie van empirisch onderzoek in basis- en voortgezet onderwijs
door Helge Bonset en Mariette Hogeveen - SLO - nationaal expertisecentrum leerplanontwikkeling - december 2010

In deze publicatie geven Helge Bonset en Mariëtte Hoogeveen een overzicht van het empirisch onderzoek in de afgelopen veertig jaar, in het Nederlandse en Vlaamse primair en secundair onderwijs.

Ze omschrijven het domein Taalbeschouwing en beschrijven vervolgens het onderzoek naar traditioneel grammaticaonderwijs (zinsontleding en woordbenoeming), alternatief grammaticaonderwijs (bijvoorbeeld zinsopbouwonderwijs), geïntegreerd taalbeschouwings- en taalvaardigheidsonderwijs, en taalkundeonderwijs.

Daarbij komen vragen aan de orde als: heeft grammaticaonderwijs effect op de taalvaardigheid van leerlingen? Heeft het onderwijs in de moderne vreemde talen baat bij grammaticaonderwijs binnen het eerstetaalonderwijs? Is taalkundeonderwijs in de bovenbouw haalbaar en wenselijk?

Ook wordt beschreven wat leerkrachten in de praktijk doen aan taalbeschouwingsonderwijs, en wat leerlingen op dit gebied presteren aan het einde van het basisonderwijs.

De inventarisatie is uitgevoerd binnen het kader van Het Taalonderwijs Nederlands Onderzocht en Het Schoolvak Nederlands Onderzocht: projecten van SLO, SCO-Kohnstamminstituut, Instituut voor de Lerarenopleiding van de UvA en Nederlandse Taalunie. Zie www.slo.nl/htno

Download Taalbeschouwing

Omhoog


Woordenschatontwikkeling in het basisonderwijs - Een inventarisatie van empirisch onderzoek
door Helge Bonset en Mariette Hoogeveen - SLO – nationaal expertisecentrum leerplanontwikkeling – juni 2010

Deze inventarisatie werd uitgevoerd op zowat 800 onderzoeken uit zowel Nederlandstalige als buitenlandse tijdschriften tussen 1969 en 2004. Het is de vierde studie die werd verricht binnen het project Het Taalonderwijs Nederlands Onderzocht (HTNO) gericht op het basisonderwijs. Daarbij beogen de onderzoeken het taalonderwijs in het basisonderwijs te inventariseren, te beschrijven en te interpreteren.
Ook deze studie, zoals die eerder in het project HSNO (Het Schoolvak Nederlands onderzocht), dat gericht was op het onderwijs Nederlands in het voortgezet onderwijs, beoogt een bijdrage te leveren tot het wat dichten van de kloof tussen onderwijsonderzoek en de onderwijspraktijk. Vandaar dat de resultaten van de inventarisatie relevant kunnen zijn zeker voor onderwijspractici die in lerarenopleidingen functioneren, maar ook voor ernstige onderwijsverstrekkers in het werkveld zelf.

De inventarisatie overziet de onderzoeken naar doelstellingen, beginsituatie, onderwijsleeractiviteiten, het instrumentatie- en het evaluatieonderzoek.

In de nabeschouwing komen de auteurs tot de volgende synthese


" Hoe is het al met al gesteld met de woordenschatontwikkeling en het woordenschatonderwijs
in ons land?

Laten we beginnen met de positieve kant: er zijn enkele valide en betrouwbare meetinstrumenten om de woordenschat van de leerlingen in het basisonderwijs in kaart te brengen. Ook is er, in de vorm van streefwoordenlijsten, consensus over wat leerlingen aan woorden zouden moeten kennen op bepaalde leeftijden in het basisonderwijs.

Aan de negatieve kant constateren we het volgende.
De prestaties van de leerlingen op het gebied van woordenschat liggen gemiddeld onder wat beoordelaars zien als voldoende, zowel aan het einde van als halverwege het basisonderwijs. De prestaties van allochtone leerlingen blijven gemiddeld ver achter bij die van autochtone, en in de loop van het basisonderwijs blijft deze achterstand bestaan. Hierdoor dreigen allochtone leerlingen ook extra achterstand op te doen in begrijpend lezen; de samenhang tussen woordenschat en begrijpend lezen is bij hen immers nog sterker dan bij autochtone leerlingen (Droop en Verhoeven 1995). Ook kennen ze veel belangrijke woorden niet uit de teksten van hun methodes, wat negatief uit zal werken op hun schoolloopbaan, niet alleen in het domein taal.

Het bovenstaande maakt duidelijk dat er behoefte is aan een effectieve woordenschatdidactiek, die helpt de achterblijvende prestaties van de leerlingen, vooral ook de allochtone, te verbeteren. Daarbij zal afgewogen moeten worden in welke mate en in welke omstandigheden wordt gekozen voor intentioneel dan wel incidenteel woorden leren.
Bij intentioneel woorden leren is er sprake van expliciet woordenschatonderwijs, waarbij woordbetekenissen worden geleerd in het kader van vergroting en verdieping van de woordenschat (zie paragraaf 4.3.1).

Bij incidenteel woorden leren gaat het om het afleiden en onthouden van woordbetekenissen uit de context tijdens het gewone leesproces, zonder dat op die specifieke woorden de aandacht wordt gericht. Wanneer leerlingen getraind worden in het afleiden en onthouden van woorden uit de context, is er weer sprake van intentioneel leren, maar nu ten behoeve van het verbeteren van de vaardigheid incidenteel woorden te leren (zie paragraaf 4.3.2).

Dat leerlingen in hoge mate incidenteel woorden leren uit de context, zagen we in de metaanalyse van De Glopper, Fukkink en Swanborn (2000, paragraaf 4.3.2). Gemiddeld worden 15 van de 100 woorden geleerd. Hoe ouder de leerlingen zijn, hoe groter de woordleerkans: lezers van circa 8 jaar leren een op de twaalf onbekende woorden die ze tegenkomen, lezers van circa 18 jaar een op de drie onbekende woorden. Amerikaanse schattingen (Beck & McKeown 1991; Miller 1991, Anglin 1993, Aitchinson 1994) van de hoeveelheid woorden die leerlingen incidenteel leren per dag, lopen uiteen van zeven tot meer dan tien, waarbij ook weer geldt dat oudere leerlingen veel meer woorden incidenteel leren per dag dan jongere.
De vaardigheid om incidenteel woorden te leren uit de context kan via instructie nog worden vergroot, zo blijkt uit dezelfde meta-analyse, al is dit in een aantal Nederlandse onderzoeken niet bevestigd.(zie paragraaf 4.3.2).

Als incidenteel leren van woordbetekenissen eerder regel dan uitzondering is en bovendien nog via instructie zou kunnen worden versterkt, kan expliciet woordenschatonderwijs dan nog wel meer dan een marginale bijdrage leveren aan de woordenschatontwikkeling? Er zijn een paar redenen om deze vraag niet zonder meer met nee te beantwoorden.
De eerste is dat een aantal programma’s ter vergroting en verdieping van de woordenschat in ons land effectief zijn gebleken (zie paragraaf 4.3.1).
De tweede is dat de meta-analyse van De Glopper, Fukkink en Swanborn indicaties oplevert dat jongere leerlingen, zwakkere lezers en leerlingen met een kleinere woordenschat minder woorden uit de context afleiden dan de andere leerlingen (voor zwakkere lezers blijkt hetzelfde in het onderzoek van Swanborn en De Glopper, 2002, zie paragraaf 2.1). Voor deze leerlingen zou expliciet woordenschatonderwijs een nuttige aanvulling kunnen betekenen.
De derde reden is het sterke vermoeden dat leerlingen vandaag de dag gemiddeld minder lezen dan enkele decennia geleden. Als dat vermoeden klopt, zal het gevolgen hebben voor de hoeveelheid woorden die incidenteel geleerd worden tijdens het lezen en dus voor de groei van de woordenschat. Expliciet woordenschatonderwijs kan dan helpen (naast intensief lees- en schrijfonderwijs) om deze terugloop in groei te compenseren, vooral bij die groep leerlingen die het minste leest."

Blz. 63-65

Zie: http://www.slo.nl/organisatie/recentepublicaties/woordenschat/
Van hieruit kunt u het hele document in pdf op uw computerscherm oproepen.

Omhoog


Taalbeleid in de lerarenopleiding: percepties van studenten en docenten

Het Perspectief Provinciaal Centrum voor Volwassenenonderwijs

Diederik De Beir


Taalbeleid in de lerarenopleiding: percepties van studenten en docenten

Verslag van een bevraging voor de Taalactiedag Lerarenopleiding 15 mei 2009

Voor de Taalactiedag van 15 mei 2009 werd een kleinschalig onderzoek gevoerd bij studenten en lerarenopleiders van 3 niveaus van lerarenopleiding: drie hogescholen (HUB Brussel, Xios Hogeschool en KH Sint-Lieven), één universiteit (Universiteit Antwerpen) en één centrum voor volwassenenonderwijs (Het Perspectief PCVO).

Het gaat hier om een kleinschalig onderzoek dat in de eerste plaats tot doel had mogelijke getuigenissen en open antwoorden uit te lokken voor de drie taalcompetentiegebieden starttaalvaardigheid, academische taalvaardigheid en professionele taalvaardigheid. Het onderzoek heef twee grote centrale vragen. Waar staan staan we nu inzake taalbeleid in de lerarenopleidingen? Welke uitdagingen liggen voor ons?

De vragenlijsten van de bevraging zijn opgemaakt door Diederik De Beir. Voor de afname en organisatie van de schriftelijke enquêtes kreeg hij de hulp van Frans Daems, Riet Jeurissen, Hilde Van den Bossche en Silvie Vanoosthuyze. De resultaten van het onderzoek zijn door Diederik De Beir verwerkt tot dit uitgebreid onderzoeksverslag. Frans Daems citeerde uit dit onderzoek tijdens zijn inleidende presentatie op de Taalactiedag Lerarenopleiding van 15 mei 2009 die georganiseerd werd door het expertisenetwerk ElAnt (Expertisenetwerk Lerarenopleidingen Antwerpen) in Antwerpen.

- Hoofdstuk 1 geeft informatie over de twee groepen bevraagden aan de lerarenopleidingen: lerarenopleiders en studenten.
- Hoofdstuk 2 geeft de resultaten van het onderzoek: de gecategoriseerde antwoorden van de studenten en lerarenopleiders op de vragen per taalcompetentiegebied in de vragenlijsten.
- Hoofdstuk 3 schetst de probleemgebieden van de resultaten opnieuw per taalcompetentiegebied.
- Hoofdstuk 4 vat de resultaten van de bevraging samen in de vorm van conclusies.

Voorts treft u nog een bronnenlijst aan en twee bijlagen met de vragenlijst studenten en de vragenlijst lerarenopleiders.

(Bron: Voorwoord)

Voor het volledige verslag : klik hier

Contact en informatie:
diederik.debeir@hetperspectief.net
Diederik De Beir - 09 267 12 58 - adjunct-directeur taalbeleid

www.hetperspectief.net
Het Perspectief PCVO, Nonnemeersstraat 15, 9000 GENT

Omhoog


Taalkunde en het schoolvak Nederlands - special Levende Talen - 6 mei 2010






Twee pleitbezorgers voor taalkunde in het voortgezet of secundair onderwijs Hans Hulshof en Ton Hendrix stelden voor Levende Talen deze derde special samen na die rond letterkunde en taalbeleid. Bijdragen van gerenommeerde taalkundigen, lerarenopleiders en docenten die taalkundeonderwijs in het voortgezet onderwijs gunstig gezind zijn, vinden we in deze publicatie.

 

 

 



Met genoegen stellen we u hier de inhoud voor.

5
  Ten geleide: Het schoolvak Nederlands inhoudelijk aanvullen | Ton Hendrix & Hans Hulshof

In deze bijdrage beschrijven Ton Hendrix en Hans Hulshof de plaats van taalkunde in het schoolvak Nederlands in de laatste 20 jaar. Het is ondertussen namelijk twintig jaar geleden dat het vorige themanummer van Levende Talen Magazine over taalkunde in het voortgezet onderwijs in Nederland verscheen. Deze bijdrage biedt een didactisch kader, waarin de overige bijdragen in de Special geplaatst kunnen worden. Volgens de auteurs biedt het rapport 'Over de drempels met taal' (Meijerink, 2008) geen uitkomst over de niveaus van grammatica en taalkunde. De bijdragen uit de special kunnen mogelijk tot uitdieping en aanvulling van het rapport leiden.

12
 

Van grammatica naar taalkunde: Van een doodlopende naar een doorlopende leerlijn | Hans Hulshof

Dit artikel biedt een theoretisch kader voor de samenhang van grammatica- en taalonderwijs en werkt een leerlijn uit vanuit het basisonderwijs naar de bovenbouw voor havo en vwo. Daarmee krijgt de linkerpoot van de stemvork een cursorische leerlijn taalkunde als aanvulling op die van de rechterpoot met taalvaardigheid, die opnieuw ruimschoots aandacht krijgt van de Commissie Meijerink

20
 

Taalkundig denken: Denken als een taalkundige | Arie Verhagen

De bijdrage van de Leidse taalkundige, Arie Verhagen, demonstreert hoe grammaticale scholing die geen doel in zich blijft, kan leiden tot een geheel andere en nieuwe wijze van denken over taal. Verhagen blaast de distributionele analyse, bekend van Van der Lubbe en Paardekooper nieuw leven in met wel degelijk didactische mogelijkheden voor het voortgezet onderwijs

26
 

De taal is een rommeltje | Peter-Arno Coppen

In dit artikel laat de Nijmeegse taalkundige, Peter-Arno Coppen, zien dat taal bepaald geen toonbeeld is van structuur en regelmaat, maar zeker ook heel veel slordigheden en toevalligheden kent. Dat vraagt om afstand. Grammaticaonderwijs moet de taalbeschouwer uitrusten met adequate denkvaardigheden om juist deze rommelige (taal)problemen te kunnen aanpakken. Niet blijven steken dus in een grammaticadidactiek die zich beperkt tot instructies om oefeningen te maken.

29
 

Taal moet je niet alleen gebruiken! Taalkunde bij Fontys lerarenopleiding Sittard | Tim Neutelings

Velen twijfelen over het nut van grammatica- en taalkundeonderwijs in het voortgezet onderwijs. Neutelings laat in zijn bijdrage zien hoe de toekomstige taalleraren een gedegen taalkundige grondslag moeten leggen onder hun beroepsopleiding. Wie leest wat er van de studenten in het hbo verwacht wordt, zal kunnen vaststellen dat het achterwege blijven van een taalkundige vooropleiding in het voortgezet onderwijs de studenten in het hbo behoorlijk op achterstand plaatst.

33
 

Taalkunde in het schoolvak Nederlands in de tweede fase | Maria van der Aalsvoort

Van der Aalsvoort zet in haar artikel overzichtelijk op een rij in hoeverre het vakonderdeel 'taalkunde' nog een kans heeft in het reguliere onderwijs. Ze geeft een overzicht van het onderdeel taalkunde in de meest gebruikte lesmethodes en geeft aan waar de aandacht naar uit is gegaan. Bovendien kondigt ze nieuw onderzoek aan.

38
 

Leerlingen stellen vragen aan taal: Taakundeonderwijs op het Greijdanus | Margreet Moesker & Hans Das

Er zijn scholen waar neerlandici tegen de keer in hun leerlingen de kans hebben geboden met taalkundige onderwerpen aan de slag te gaan. Moesker en Das doen in hun bijdrage verslag van hun aanpak om leerlingen van het reproduceren van grammaticaregels te brengen naar het nadenken over taal ten gunste van het vormen van hun eigen mening over taal en taalverschijnselen. Een praktijkverhaal.

43
 

Didactische modellen taalkunde voor de tweede fase | Hans Hulshof & Ad van der Logt

Het algemeen blijvend didactisch model van de stemvork vraagt om een nadere, specifieke invulling. Hulshof en Van der Logt presenteren in hun bijdrage het OVUR-model als didactisch richtsnoer voor het uitvoeren van complexe (thematisch-cursorische) taaltaken.

47
 

De macht van de markt: Taalkunde in een tweedefaseleergang | Henk van Roozendaal

Van Roozendaal, een van de auteurs van de tweedefasemethode 'Kiliaan', beschrijft in zijn impressie hoe bevlogen enthousiasme bekneld raakt in de principes van de markt.

48
 

Wetenschappelijke geschiedenis van de syntaxis spreekt leerlingen aan | Twan Robben

Wie ooit de twee dikke pillen van Joop van der Horst, 'Geschiedenis van de Nederlandse Syntaxis' (2008) ter hand heeft genomen, beseft pas goed de durf en vooral het vertrouwen in leerlingen van Robben. In zijn artikel schetst Robben de ontdekkingstocht van een groepje leerlingen door de historische achtergrond van een aantal syntactische verschijnselen in het Nederlands.

51
 

Levende taalkunde | Jan-Wouter Zwart

In zijn artikel vraagt de Groningse taalkundige Zwart zich af of het 'klassieke' grammaticaonderwijs niet eindelijk toe is aan een ingrijpende vernieuwing die veel meer geënt is op moderne taalkundige inzichten. Hij formuleert daarover 5 stellingen.

56
 

Aandacht voor de zin | Peter Nieuwenhuijsen

Nieuwenhuijsen biedt in zijn bijdrage allerlei bespiegelingen over taal en taalonderwijs. Hij constateert dat in het computertijdperk de communicatie gehaaster, ruwer en minder verfijnd verloopt. Het examenprogramma is globaal, terwijl het onderwijs eigenlijk vraagt om detaillering. Nieuwenhuijsen zoekt een oplossing in een examen Nederlands op een globaler blijvend A-niveau en een specifieker, meer taalgericht B-niveau, waarin een portie grammatica en taalkunde een plek zou moeten krijgen. Vervolgopleidingen die juist afhankelijk zijn van een goede taalopleiding van leerlingen zouden dan het B-niveau kunnen eisen. Om over door te denken.

60
 

De Talenquiz: Een maandelijkse quiz over taal en taalkunde | Anna de Graaf & Maaike Verrips

Veel docenten die in taalkundeonderwijs geïnteresseerd zijn, zullen de Taalquiz kennen. De Graaf en Verrips beschrijven in hun artikel hoe de Taalquiz leerlingen kan prikkelen en motiveren om naar taal te kijken. Op een speelse manier raken leerlingen betrokken bij taal en taalkunde. Voor leerlingen en docenten een verrassende uitdaging.


62
 
Auteurs

Naast zoveel belangstelling voor taalbeheersing is deze uitgave een welgekomen pendant in het didactisch discours rond het schoolvak Nederlands. NDN beveelt deze special rond taalkunde van harte aan.

U kunt hem bestellen bij Levende Talen voor 18 euro: klik hier

 

Omhoog



Talige startcompetenties Hoger Onderwijs -
Publicatie Nederlands/Vlaams Platform Taalbeleid Hoger Onderwijs - SLO
van de hand van Helge Bonset en Hans de Vries - aug. 2009

Geachte geadresseerde,

Met veel plezier presenteer ik u de beschrijving van de Talige startcompetenties Hoger Onderwijs. Voor het eerst zijn die beschreven onafhankelijk van de eisen van de examens die toelating bieden tot het hoger onderwijs (havo, vwo en mbo-4). De beschrijving maakt goed zichtbaar waar de kloof zit en waarom (en waarin) de taalvaardigheid van inkomende studenten tekort schiet.

Het Nederlands / Vlaams Platform Taalbeleid Hoger Onderwijs heeft samen met de sectie Nederlands van de vakvereniging van docenten Levende Talen, in 2007 bij de SLO een aanvraag ingediend om te komen tot een beschrijving van de talige startcompetenties voor hoger onderwijs. Die aanvraag is gehonoreerd, het project is in 2008 uitgevoerd, op 18 mei 2009 gepresenteerd aan het platform en verschenen in brochurevorm. De beschrivjing is als pdf-document te downloaden van de site van de SLO*. De beschrijving kent een hbo-niveau (B2) en een universitair niveau (C1) en borduurt verder op het hoogste niveau van de commissie Meijerink.

Voor het opzetten van taalbeleid, denk o.a. aan instaptoetsen en ondersteunende programma's binnen het hoger onderwijs, maar ook voor de toeleverende scholen die aansluiting met hoger onderwijs willen bevorderen, is zicht nodig op de taalvaardigheid die nodig is om een opleiding in het hoger onderwijs met succes te kunnen doorlopen.

Graag zou het platform met u van gedachten wisselen over de erkenning en implementatie van de Talige startcompetenties.

Met vriendelijke groet,

Wilma van der Westen
voorzitter Nederlands / Vlaams Platform Taalbeleid Hoger Onderwijs.

* Talige competenties Hoger Onderwijs (331 kB)

Omhoog



Kennisbasis voor Nederlands voor de Nederlandse onderwijzersopleidingen

Ten behoeve van de Nederlandse onderwijzersopleidingen is een zogenaamde Kennisbasis ontwikkeld voor Nederlands, en een andere voor rekenen-wiskunde. Een Kennisbasis omvat in principe alle vakmatige en vakdidactische kennis die een onderwijzer tijdens de pabo-opleiding dient te verwerven. Ze vormt een soort van  uitvoerige uiteenzetting van inhoudelijke eindtermen voor een bepaald vakgebied. Daarmee wil de bevoegde staatssecretaris in het verlengde van de rapporten van de commissie-Meijerink tegemoet komen aan de vele klachten over te zwakke kennis van taal en rekenen bij nieuwe onderwijzers.

Meer informatie is te vinden op http://www.kennisbasispabo.nl/.

Zie voor de 'Kennisbasis voor de Nederlandse taal voor de pabo' daar ook het toelichtende artikel van ontwikkelcommissievoorzitter Bart van der Leeuw.

Ook kunnen de beide Kennisbasissen daar afgehaald worden.

Omhoog


De Technische Handleiding regels voor de officiële spelling van het Nederlands

Is het BAMA-structuur, bamastructuur, BA-MAstructuur
of BaMastructuur?

De Technische Handleiding

De zogenoemde Technische Handleiding is de brontekst voor de Leidraad. Hierin zijn de officiële spellingregels op een wetenschappelijke manier beschreven.

De herwerkte Technische Handleiding werd gepubliceerd in juni 2009.

Bij de voorbereiding van de herwerkte uitgave van de Woordenlijst of het Groene Boekje in 2005 werd een eerste versie overgemaakt aan de uitgevers met het oog op de aangepaste spelling in hun komende publicaties.  Een afgeslankte Commissie Spelling van de Nederlandse Taalunie heeft nu de handleiding herwerkt.

De Technische Handleiding is geschreven voor lezers met een wetenschappelijke interesse en met een taalkundige kennis. De Leidraad, die vooraan in het Groene Boekje staat, is een ‘beknopte handleiding’ gebaseerd op de Technische Handleiding versie 2005. Zij is duidelijk voor een lekenpubliek bestemd als een publieksvriendelijke vertaling ervan.

De nu voorliggende versie van de Technische Handleiding is ten opzichte van de tekst uit 2005 anders ingedeeld, her en der voorzien van meer of betere voorbeelden en in een enkel geval is een slordigheid gecorrigeerd. De spellingregels zijn niet veranderd of uitgebreid ten opzichte van de eerdere versie.

Een voorbeeld:

Welke is de juiste spelling: BAMA-structuur, bamastructuur, BA-MAstructuur
of BaMastructuur ?

Samenstellingen met een afkorting als eerste lid worden in één woord geschreven zonder hoofdletter als de letters van de afkorting niet afzonderlijk worden uitgesproken. In bamastructuur worden de letters bama voluit samen uitgesproken. De correcte spelling is dan bamastructuur.

Download de Technische Handleiding als pdf-bestand (2,1 MB).

Omhoog


De conferentiebundels van de HSN-conferenties staan alle online op Taalunieversum

Van 1986 tot 2012 grepen 26 Conferenties van Het Schoolvak Nederlands plaats.
De reeks gaat verder, want in november 2013 is er in Utrecht opnieuw de volgende conferentie.

De Conferentie Het Schoolvak Nederlands wordt jaarlijks met steun van de Taalunie georganiseerd door de Stichting Conferenties Het Schoolvak Nederlands.

De HSN-conferentie vindt afwisselend plaats in Nederland en in Vlaanderen.

De 26ste conferentie voltrok zich in de Katholieke Hogeschool Brugge-Oostende in Brugge. De conferentiebundel is gepubliceerd op Taalunieversum van de Taalunie. Ook de bundels van de vorige conferenties zijn via de portaalsite van de Taalunie te raadplegen.

Graag verwijzen we hier naar de pagina met die conferentiebundels.

26 Zesentwintigste conferentie Het Schoolvak Nederlands
Steven Vanhooren & André Mottart (red.)
2012
399 pagina's

Omhoog


Lezen in het basisonderwijs. Een inventarisatie van empirisch onderzoek naar begrijpend lezen, leesbevordering en fictie - Helge Bonset en Mariette Hoogeveen SLO 2009 (hier te downloaden)

In Lezen in het basisonderwijs wordt alle empirisch onderzoek weergegeven dat is verricht naar begrijpend lezen, leesbevordering en fictie in het basisonderwijs, in Nederland en Vlaanderen, vanaf 1969 tot 2004.

Deel 1 van het boek gaat over begrijpend lezen en behandelt vragen als:
- Hangt een positieve leesattitude samen met vaardigheid in begrijpend lezen?
- Heeft onderwijs in leesstrategieën een positief effect op de vaardigheid in begrijpend lezen?
- Hoe presteren leerlingen in het basisonderwijs op toetsen begrijpend lezen?

Deel 2 heeft betrekking op leesbevordering en fictie en gaat in op vragen als:
- Zijn leerlingen de afgelopen decennia minder gaan lezen, onder invloed van tv en internet?
- Hoeveel tijd en aandacht besteden leerkrachten in het basisonderwijs aan leesbevordering?
- Heeft voorlezen een positief effect op de taal- en leesontwikkeling van leerlingen in het basisonderwijs?

Lezen in het basisonderwijs is de opvolger van Schrijven in het basisonderwijs (2007, ook te downloaden van de site van SLO).

Auteurs: Helge Bonset, Mariëtte Hoogeveen.

Omhoog


Taal centraal - Taalbeleid in het Nederlandse en Vlaamse onderwijs
Speciale uitgave van Levende Talen Magazine

Deze uitgave is een ruime brochure van zowat 90 bladzijden geworden met voorbeelden van schoolbreed taalbeleid van zowel Nederlandse als Vlaamse bodem. De artikelen bestrijken de volledige onderwijsloopbaan, die begint bij basis- of primair onderwijs, die doorloopt via voortgezet of secundair onderwijs om te vervolgen via het middelbaar beroepsonderwijs (mbo) of technisch of beroepssecundair onderwijs en die tot slot eindigt in het hoger onderwijs.

Aan elke fase in die leerlijnen zijn van vier tot zeven betrekkelijk korte artikelen gewijd. In een laatste gedeelte komen in negen artikelen deskundigen en beleidsmakers aan het woord over taalbeleid.

In het volgende pdf-documentje stelt Levende Talen zijn publicatie voor, waar, wanneer en hoe je ze kan bestellen en verstrekt een overzicht van de inhoud met de titels van de artikelen. Klik daarvoor hier. Redacteurs van de uitgave zijn  Patrick Rooijackers, Wilma van der Westen en Johan Graus.

In de inleiding onder de titel “Taalbeleid in de praktijk” stellen Patrick Rooijackers en Wilma van der Westen dat deze uitgave een staalkaart wil bieden van verschillende vormen van taalbeleid in de praktijk. Verder onderscheiden zij grofweg drie typen taalbeleid:
1. de ‘smalle’ variant. Hier richt het taalbeleid zich op het wegwerken van deficiënties of taaltekorten, de verbetering van taalfouten of het behalen van een bepaalde taaltoets. Taalbeleid richt zich hier enkel op de taalzwakke studerenden.
2. de ‘schoolse’ variant. Dit type van taalbeleid richt zich op de taalontwikkeling van alle leerlingen. Elke leerling moet aan het einde van de opleiding een minimumniveau in taalvaardigheid hebben bereikt. De taalondersteuning is daarom breed ingebed in de school of de opleiding.
3. de ‘zelfontwikkelende’ variant. Elke leerling moet niet enkel een minimumniveau van taalbeheersing bereiken, maar elke leerling wordt gestimuleerd om een zo hoog mogelijk taalniveau te verwerven. De school werkt er daarom systematisch aan om het initiatief van taalontwikkeling bij de leerling zelf te leggen. De lerende legt vast hoe zijn taalvaardigheid zich ontwikkelt, welke taalleerstrategieën hij inzet en ontwikkelt. Hij werkt systematisch aan o.m. een woord- en tekstendossier. Doel is de leerling tot een autonome en competente taalgebruiker én taalleerder te maken.

Zelf menen wij dat het tweede type het meeste voorkomt. Dat kan blijken bij de lectuur van de artikelen op de verschillende niveaus, die vele vormen van taalbeleid demonstreren.

De auteurs van de inleiding wijzen er nog eens op dat de tijd waarin het vak Nederlands alleen zich bekommerde om de taalvaardigheid in het Nederlands definitief voorbij is. Taalbeleid wordt schoolbreed en gestructureerd gedragen en alle docenten hebben daarin hun verantwoordelijkheid.

In het slotgedeelte van de special komen eerst de beleidsmakers aan de orde. Mevrouw Marja van Bijsterveldt-Vliegenhart, staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap verwijst naar de resultaten van de expertgroep Doorlopende Leerlijnen Taal en Rekenen, die voor de doorlopende leerlijnen een referentiekader hebben ontworpen in vier niveaus. Zij neemt het advies over om referentieniveaus voor taal en rekenen vast te leggen voor de basisschool, het voortgezet onderwijs en het middelbaar beroepsonderwijs en die schoolbreed in te voeren. De scholen bepalen zelf hoe ze die niveaus invoeren en de onderwijsondersteunende instellingen zorgen voor goed ondersteuningsaanbod. Frank Vandenbroucke, minister van Werk, Onderwijs en Vorming licht de belangrijkste punten uit zijn bekende en ambitieuze talenbeleidsnota toe.

Bij de deskundigen pleit Ronald Zwiers voor een landelijk taalbeleid voor het basisonderwijs. Hij doelt daarmee op het zittende personeel in het basisonderwijs dat een bijkomende scholing nodig heeft voor de eigen vaardigheid in het Nederlands. De titel van Maaike Hajers bijdrage “Opbouw van taalgebruik in de school voor alle leerlingen” laat aan duidelijkheid niets te wensen over. Zij verwijst daarbij naar het actuele ontwikkelwerk van het Platform Taalgericht Vakonderwijs. Taal en leren vormen een universeel aspect in leren en onderwijzen, dat centraal staat. We zouden volgens haar moeten benoemen hoe we binnen een schoolbrede aanpak voor verschillende vakgebieden en verschillende onderwijsniveaus effectief taalontwikkelend kunnen werken. Wat is bijvoorbeeld het typische taalgebruik van een historicus dat je leerlingen leert herkennen in teksten en in de loop van zes jaar steeds preciezer leert hanteren in eigen schrijfopdrachten? Die vakspecifieke verdieping is volgens Hajer een van de speerpunten voor de komende jaren. Ook Frans Daems brengt verhelderend aan hoe taal op elk niveau een dubbele rol vervult: ze is middel en doel. Zo vereisen talige informatiebronnen in de verschillende vakken een hoog niveau van receptieve taalvaardigheid van de leerders, waarbij ondersteuning door de vakleraar noodzakelijk is. Bij alle vakken en leergebieden is taal ook een belangrijk leerdoel. Er is het schoolse of academische taalgebruik, er zijn de eigen vaktaal en het specifieke talige discours, de retoriek, de manier van denken en praten eigen aan elke discipline. De leerdoelen omvatten hier niet enkel de disciplinegbonden kennis en vaardigheid maar ook de talige kanten daarvan.

Wie geboeid is door de zich ruim ontwikkelende belangstelling voor en de ontwikkeling van het taalbeleid in het onderwijs in Nederland en in Vlaanderen vindt in deze publicatie meer dan zijn gading.

Ghislain Duchâteau

Omhoog


Den Haag, 22 september 2006

Publicatie van de Taalunie: De cultuur van het lezen

Ronald Soetaert zoekt antwoorden op prangende vragen over lezen en ontlezing

Vele waarden die de westerse wereld koestert als ‘essentieel’, zijn ontstaan in nauwe verwevenheid met de opkomst van de leescultuur: ontwikkeling, verdieping, ontplooiing, reflectie, inleving, verbeelding, zingeving en het vermogen om zelfstandig een oordeel te vormen.

Wat betekent ‘ontlezing’ voor de waarden die we aan lezen verbinden? Verdwijnen deze waarden samen met het lezen, leven ze voort buiten de culturele context waarin ze tot ontwikkeling zijn gekomen of leven ze voort binnen een veranderende culturele context?

In De cultuur van het lezen zoekt Ronald Soetaert (hoogleraar vakgroep onderwijskunde, Universiteit Gent) antwoorden op deze en andere vragen rond lezen. In zijn essay benadert hij lezen en literatuur vanuit vele gezichtspunten en betrekt hij het op cultuuroverdracht, jeugdcultuur, internet, multiculturaliteit en onderwijs. De publicatie werd aangevuld met een beschouwing over empirisch onderzoek door Dick Schram (hoogleraar leesgedrag, Universiteit Amsterdam), interviews met leraren-in-opleiding door André Mottart & Kris Rutten (respectievelijk doctor en assistent vakgroep onderwijskunde en lerarenopleiding, Universiteit Gent) en een essay van Jan-Hendrik Bakker (recensent en filosoof).

De cultuur van het lezen kan gratis gedownload worden op www.taalunieversum.org/taalunie/publicaties/

20 jaar Conferenties Het Schoolvak Nederlands
Naar aanleiding van dit jubileum presenteerde de Nederlandse Taalunie op 17 november 2006 in Gent een themaprogramma rond De cultuur van het lezen. Zie de rubriek Agenda op de NDN-website.

Omhoog


Aan het werk! Adviezen ter verbetering van functionele leesvaardigheid in het onderwijs - Rapport van een Werkgroep van het Platform Onderwijs Nederlands van de Nederlandse Taalunie - 2008

Te veel leerlingen tussen 10 en 18 jaar kunnen niet voldoende lezen om mee te kunnen komen op school. Vooral deze jongeren hebben een grote kans om de school zonder diploma te verlaten en in de werkloosheid terecht te komen. Daar kan iets aan gedaan worden: leerlingen laten lezen omdat ze het nodig hebben.

Het beleid op het gebied van alfabetisering in Nederland en Vlaanderen richt zich tot nu toe sterk op laaggeletterde volwassenen die het onderwijs al hebben verlaten. Het voorkomen van laaggeletterdheid bij kinderen en jongeren van 10 tot 18 jaar krijgt veel minder aandacht.

Dit rapport spitst zich toe op het lezen van teksten voor school. De vaardigheid om teksten in het kader van de school met voldoende begrip te kunnen lezen, is immers een cruciale factor voor het succesvol kunnen doorlopen van de school.

De belangrijkste boodschap in het rapport: goed leren lezen is niet alleen iets voor de taalles. Alles begint met aandacht van de school voor 'functionele leesvaardigheid'. Dat heeft betrekking op lezen omdat je het nodig hebt. In het geval van leerlingen: lezen om hun leerstof te begrijpen. Als ze leestaken vermijden omdat ze daar moeite mee hebben, komen leerlingen gemakkelijk terecht in een negatieve spiraal. De school moet dat onderkennen en proberen die spiraal om te buigen. Dat kan door in alle vakken systematisch aandacht te besteden aan lezen, geschikte leesteksten te gebruiken en betekenisvolle, behoeftescheppende leestaken op te geven, die zijn afgestemd op het niveau en de interesse van leerlingen.

Lees verder

Auteurs: Nora Bogaert, Jeroen Devlieghere, Hilde Hacquebord, Jan Rijkers, Saskia Timmermans, Marianne Verhallen
Pagina's: 52

De adviestekst in pdf-formaat

Omhoog


In de kijker bij de Nederlandse Taalunie - december 2008

Aan de databank Het Taalonderwijs Nederlands Onderzocht (HTNO) van de Nederlandse Taalunie zijn 24 beschrijvingen van onderzoeken naar het onderwijs Nederlands in het voortgezet/secundair onderwijs die in 2007 zijn verschenen, toegevoegd. Lees meer.



Eind november 2008 publiceerde de Taalunie Het Nederlands in Nieuwe Vormen van Leren, een brochure en twee dvd's met videomateriaal over het onderwijs Nederlands in nieuwe vormen van Het materiaal is gericht op iedereen die scholen in Nederland en Vlaanderen begeleidt bij het implementeren van nieuwe vormen van taalleren: lerarenopleiders, nascholers, onderwijsbegeleiders, schooldirecties en leraren met een voortrekkersrol binnen de school.


Onlangs lanceerde de Nederlandse Taalunie de webpagina www.literatuuronderwijs.org, een themapagina met informatie over het literatuuronderwijs in Nederland en Vlaanderen.

Omhoog


Eindrapport Expertgroep Doorlopende Leerlijnen Taal en Rekenen

10-4-2008

Een speciaal ingestelde Expertgroep pleit voor voorgeschreven tussenniveaus voor taal en rekenen tijdens de hele schoolcarrière van leerlingen in het Nederlandse onderwijs. De Expertgroep overhandigde zijn rapport aan minister Plasterk en aan de beide staatssecretarissen Van Bijsterveldt en Dijksma van het ministerie van OCW tijdens de Panamaconferentie over rekenen en wiskunde in Noordwijkerhout. 

Kwaliteitsimpuls onderwijs door verplichte niveaus taal en rekenen in alle schooltypen’

Consequenties voor de lerarenopleiding

De Expertgroep Doorlopende Leerlijnen Taal en Rekenen is door de bewindslieden van OCW ingesteld met de opdracht te adviseren over de vraag wat leerlingen van taal en rekenen moeten kennen en kunnen op een aantal overgangen tussen de verschillende schooltypen van primair onderwijs tot hoger beroepsonderwijs en van onderwijs naar arbeidsmarkt. ‘Wat is van belang voor alle leerlingen en wat zijn de consequenties daarvan voor de lerarenopleiding’, waren daarbij vragen van het ministerie. De opdracht is zo uitgevoerd dat er nu ‘doorlopende leerlijnen’ zijn die ervoor zorgen dat het onderwijsresultaat van de ene sector naadloos aansluit op dat van de andere. Voor de lerarenopleidingen moeten niveaus voor taal en rekenen worden gehanteerd, zowel bij de aanvang van de studie als bij de afsluiting ervan

De Stichting Leerplanontwikkeling (SLO) bericht erover en biedt vanop haar website de gelegenheid het eindrapport en de bijhorende deelrapporten te downloaden: http://www.slo.nl/nieuws/dll/

Omhoog


Taalpeil 2012

Nederlands en de media

   

De Taalunie geeft eens per jaar de krant Taalpeil uit. Het doel ervan is feiten, cijfers en meningen over het Nederlands (in Nederland, België en Suriname) aan een breed publiek aan te bieden en interesse voor het Nederlands op te wekken. Elk jaar staat een ander thema centraal.

 


Enkele aantrekkelijke artikels:
- Media geven het taalvoorbeeld niet (meer)
- Simpele taal is troef. Jip en Janneke in de krant
- Taalfouten nauwelijks getolereerd
- De ergste ergernissen
- Nederlandse televisie voor velen te grof
- De veelkleurige ether van Suriname
- Vlamingen en Nederlanders over elkaars taalgebruik op tv
- Op de radio wordt te veel, te snel en te onduidelijk gepraat
- Het internet: de taalversnipperaar?
- Verstaanbaarheid is de norm (kritisch te lezen m.b.t. het onderscheid tussen standaardtaal en spreektaal)
en
-
Frank Deboosere, Jean-Pierre Geelen, Erika Van Tielen en Sacha de Boer getuigen

Omhoog


 

Taalpeil 2011

In deze krant van de Nederlandse Taalunie:
feiten cijfers en meningen over de Nederlandse taal
in Suriname, Nederland en Vlaanderen.
Thema 2011: Tweetalig, meer talig. Over mensen die meer talen gebruiken.

Lestips
Bekijk de lestips voor actief gebruik Taalpeil in de klas.

Download Taalpeil 2011 in pdf-formaat

Taalpeil+: filmpje over Engels op straat

Omhoog


 

Taalpeil 2010

In deze krant van de Nederlandse Taalunie:
feiten cijfers en meningen over de Nederlandse taal
in Suriname, Nederland en Vlaanderen.
Thema 2010: Nederlands Wereldtaal!

De krant online

Download de krant in pdf

_________________________

Taalpeil 2009

In deze krant van de Nederlandse Taalunie:
feiten cijfers en meningen over de Nederlandse taal
in Suriname, Nederland en Vlaanderen.
Thema 2009: Al die soorten Nederlands!
Over taalvariatie.

Download de krant in pdf

Taalvariatie in Taalpeil 2009

Het jaarlijks verschijnend taalkrantje van de Nederlandse Taalunie Taalpeil 2009 is net uit. Het thema dit jaar is ‘Al die soorten Nederlands’ en dat is taalvariatie. Het blad geeft een algemeen beeld van de taalvariatie in het Nederlandse taalgebied, Suriname inbegrepen. De presentatie van deze verscheidenheid in taalgebruik is opvallend objectief weergegeven. Subjectiviteit en emoties rond taalgebruik worden zorgvuldig geweerd. Het geheel van onderwerpjes in het blad berust op een publieksonderzoek bij een representatieve steekproef van de Vlaamse en Nederlandse bevolking van 18 jaar en ouder. 500 Nederlanders en 306 Vlamingen namen deel. Naast de leuke titeltjes boven de tekstjes duikt ook binnen de taalvariatiethematiek de term ‘straattaal’ op. Het is een soort gemeenzaam Nederlands dat blaakt van informele termen en uitdrukkingen. Een grote titel is evenwel op blz. 7 “Standaardnederlands blijft norm op school”. Uit het Taalpeilonderzoek blijkt dat vele ondervraagden het er niet mee eens zijn en ook wordt duidelijk dat er nogal wat dialect wordt gesproken in de klas. Toch is het van het grootste belang voor de taalweerbaarheid van leerlingen en aankomende burgers dat die norm bevestigd wordt en stevig gehandhaafd blijft. In haar hoofdartikel ter introductie op de voorpagina houdt Linde van den Bosch, algemeen secretaris van de Nederlandse Taalunie nog een treffend pleidooi voor dat Algemeen Nederlands of Standaardnederlands. Ze onderstreept dat het belangrijk is dat zo veel mogelijk mensen deze standaardtaal beheersen. “Het onderwijs doet daar grote inspanningen voor en de Taalunie staat voor de positie van de standaardtaal, maar het is ook een zaak van ons allemaal.”

__________________

Taalpeil 2008

In deze krant van de Nederlandse Taalunie feiten cijfers en meningen
over de Nederlandse taal
in Suriname, Nederland en Vlaanderen.
Thema 2008: burger-taal-overheid
.

Voor Taalpeil 2008: klik hier  

De krant als pdf-bestand

_____________________

Taalpeil 2007

Centraal thema in 2007 is onderwijs in en van het Nederlands. Taalpeil Nederlands, dat leer je toch vanzelf?

De krant online

-----------------------------------------------------

Taalpeil 2006 ging over lezen. Klik hier

Omhoog



Taalschrift

Tijdschrift over taal en taalbeleid

Het heeft een overzichtelijke homepagina in drie kolommen met informatie, maar ook met toegang tot boeiende opiniërende artikels waarop je kunt reageren.
Het menu omvat de rubrieken home, edities, onderwerpen en archief.
Bijzonder aanbevolen aan collega's-taalliefhebbers om in die webstek eens lustig te grasduinen.

http://taalschrift.org/

Taalschrift is vanaf april 2014 opgegaan in het digitale tijdschrift van de Taalunie:

Taalunie : Bericht

(zie verder)


Omhoog



Tijdschriften

Onderzoek Onderwijstijdschriften

Tijdschriftenoverzicht - tijdschriftattendering van de Nederlandse Taalunie

Wilt u op de hoogte blijven van de ontwikkelingen in het onderwijs Nederlands maar ontbreekt het u aan tijd om alle relevante publicaties door te nemen?
Onder de onderstaande koppeling vindt u een overzicht van interessante artikelen over het onderwijs Nederlands uit Nederlandse en Vlaamse tijdschriften
(zie linkermenu).

Op basis van korte samenvattingen kunt u bepalen welke artikelen u zou willen lezen.

Hier vindt u momenteel (in november 2014) 2145 samenvattingen van artikelen over het onderwijs Nederlands uit Nederlandse, Vlaamse en Surinaamse tijdschriften.

Het tijdschriftenoverzicht is vernieuwd. Er zijn meer tijdschriften waarvan samenvattingen worden opgenomen. Op de beginpagina is ook een ruime zoekfunctie aangebracht.

Doorzoek het archief

=

» Gebruik de uitgebreide zoekmogelijkheden

Attenderingsservice

Om het u nog makkelijker te maken kunt u maandelijks een overzicht van recent verschenen artikelen ontvangen via e-mail. Dit overzicht wordt halverwege de maand verstuurd (verschijnt niet in juli en augustus).

» Aanmelden
» Afmelden (of uw gegevens wijzigen)

http://taalunieversum.org/onderwijs/tijdschriften/

Laatste editie van de Tijdschriftenattendering: januari 2016

 

Omhoog


Tijdschrift voor leraren Fons

Fons, een nieuw tijdschrift voor leraren Nederlands in het Vlaamse basis- en secundair onderwijs. Je vindt er interessante lestips, nieuwe activerende werkvormen en boeiende interviews.

FONS 2 IS ER! OVER DIFFERENTIËREN IN DE KLAS EN NOG VEEL MEER

Ben je leerkracht in het basis- of secundair onderwijs in Vlaanderen? Dan vind je nu het tweede nummer van Fons bij jou in de leraarskamer! Het staat opnieuw vol met frisse lestips, leuke werkvormen en boeiende artikels – en mogelijk zijn dan ook dat de reacties even positief als bij het eerste nummer. Voor wie geen leerkracht is, of buiten Vlaanderen lesgeeft, is het nummer ook integraal digitaal beschikbaar. Volg daarvoor deze link.
In het tweede nummer van Fons is er veel aandacht voor differentiëren, maar ook voor tal van andere thema’s: jeugdboeken, mindmaps, formatieve evaluatie en twictees (dictees via Twitter) passeren de revue. De redactie keek ook ‘over het muurtje’ in dit tweede nummer, met een aantal inspirerende bijdragen over kleuteronderwijs en OKAN-onderwijs. Reacties zijn welkom!

Ook aanbevolen aan lerarenopleiders in Vlaanderen en in Nederland.

Naar de website toe: http://tijdschriftfons.be/2016/

Omhoog




Tijdschrift voor lerarenopleiders Velon

VELON Tijdschrift / Tijdschrift voor Lerarenopleiders

U kunt alle artikels bereiken van jaargang 2013 nrs. 1 en 2 en ook alle artikels uit de vorige jaargangen
raadplegen via de Velon-website: http://www.velon.nl/tijdschrift_en_publicaties/
De samenvattingen worden gegeven, maar u moet ingelogd zijn om het gewenste artikel
te kunnen downloaden.

Zie ook www.velov.eu of www.lerarenopleiders-vlaanderen.be

Omhoog



Tijdschrift
'MeerTaal'
Over de taalontwikkeling van kinderen in het onderwijs tot 12 jaar

MeerTaal is een praktijkgericht tijdschrift over taal, taalontwikkeling en taaldidactiek in het basisonderwijs. Het blad biedt verdiepende beschrijvingen van inzichten uit recent onderzoek, opiniërende stukken over actuele kwesties in het taalonderwijs, praktijkvoorbeelden, lessuggesties en inspirerende columns. MeerTaal verschijnt 3x per jaar. Vanaf oktober 2014 neemt het tijdschrift MeerTaal deel aan de tijdschriftenattendering van de Taalunie. Lees meer over MeerTaal op de informatiepagina op Taalunieversum.


Uitgave Van Gorcum


Omhoog


 

Tijdschrift 'Onze Taal'

De uitgave van het maandblad Onze Taal is de belangrijkste activiteit van het genootschap. Onder het motto 'taalkundig verantwoord en prettig leesbaar' biedt Onze Taal artikelen over goed en fout taalgebruik, leesbaar schrijven, spreken en presenteren, taal en computer, argumentatie, woordenboeken, nieuwe woorden, etymologie, spelling, jongerentaal, enz. Een- of tweemaal per jaar verschijnt er een themanummer, bijvoorbeeld over reclametaal, 'de taal der liefde' en over 'taal en geheugen'. Onze Taal verschijnt tienmaal per jaar.

Meer informatie

UIT HET LEVEN VAN EEN TAALLIEFHEBBER:

Marc van Oostendorp, die Taalpost verzorgt op het internet, maakt levendig reclame voor het tijdschrift Onze taal

https://www.youtube.com/watch?v=qP7gAtluFks


Inkijkexemplaar (april 2014)

 

Omhoog


 

Tijdschrift 'Over taal'

Een blad met traditie, zo mag Over taal zich zeker noemen.

In 1962 verscheen  het eerste nummer van Taalbeheersing in de administratie. In 1985 werd het omgedoopt tot Taalbeheersing in de praktijk.  Vanaf 1998 heet het tijdschrift gewoon Over taal.

Het blad is met de tijd uitgegroeid van een neerlandistisch blad dat hoofdzakelijk gewijd was aan taalzorg, tot een algemeen wetenschappelijk-populariserend tijdschrift voor alle taalgebruikers die door taal, tekst en communicatie geboeid zijn. Daar maakt een jonge en dynamische redactie – naar eigen zeggen – vijf nummers per jaar hard werk van.

In elk nummer van "Over taal" vindt u als lezer twee interviews, twee bijdragen over taal in de ruime zin van het woord, en enkele vaste rubrieken: 'Broodje taal' (over taalzorgitems), 'Idioom & Co' (over idiomatische uitdrukkingen), 'Te boek' (vier bladzijden boekrecensies), en verder in elk nummer ook een 'Dossier' (een praktisch taal-, tekst- en/of communicatiedossier), 'Taalkronkels' (de lichte, maar soms minder lichte taalhumorrubriek), een 'Column' (actueel en/of universeel) en een 'Quiz' (test uw kennis van het Nederlands).

Als abonnee krijgt u ook gratis toegang tot de interactieve website www.overtaal.be!

Redacteur Filip Devos over "Vijftig jaar 'Over taal' in Vlaanderen" (pdf)

Meer info op www.overtaal.be

***

OVER TAAL 2015 – JAARGANG 54 NUMMER 5 – NOVEMBER-DECEMBER 2015

De voordelen van het meertalige brein

‘Kennis van meerdere talen heeft zo zijn voordelen, zeker als je jezelf verstaanbaar wil maken. Nu blijkt uit recent psychologisch onderzoek dat deze voordelen zelfs het talige domein overstijgen. Het gaat hier over zaken als intelligentie, aandacht en werkgeheugen, of kort gezegd ‘cognitie’. Meer talen beheersen zou namelijk leiden tot beter getrainde hersenen en dus ook tot betere cognitieve vaardigheden.’

Dat schrijft Evy Woumans in het nieuwe nummer van Over taal en ook op www.overtaal.be.

Verder in dit nieuwe nummer van Over taal (jrg. 54, nr. 5)

Interview: Ann De Craemer: op de barricade voor heldere taal (door Filip Devos)
‘Kijk, ik ben ervan overtuigd dat als je lang genoeg op dezelfde nagel blijft kloppen, en dat doen Jan Hautekiet en ik, je iets kan veranderen. Kijk naar de Engelstalige wereld: daar is ooit één vrouw, Chrissie Maher, begonnen met een eenzame strijd tegen vaag taalgebruik in onder andere de politiek. En nu is er de ‘Plain English Campaign’, die al heel veel resultaten heeft geboekt. Het is mede dankzij die campagne dat Obama in 2010 de ‘Plain Writing Act’ heeft ondertekend.
Dat is dus mijn ambitie: wezenlijk iets veranderen. Het stopt niet bij het Heerlijk Helder-boek.’

● Idioom & Co: Nep (door Bert Capelle)
‘Is een nepwapen een wapen of niet? Als je zegt van wel, dan kan ik je moeilijk ongelijk geven. Volgens het algemene woordbouwprincipe ‘een huppeldepup-dinges is een dinges’, moet een nepwapen wel een soort wapen zijn, net zoals een dienstwapen, een vuurwapen, een stroomstootwapen en een kernwapen stuk voor stuk wapens zijn, en niet, zeg maar, auto’s of honden. Maar als je die logica niet wil volgen voor nepwapen, dan heb je ook gelijk, want het punt van nep- is juist dat de spreker ontkent dat iets de real stuff is. Hoe zit het nu?’

● Taalkronkels: Hier vloekt men lekker wél (door Jaana Hombroux)
‘Ieder weldenkend mens dient te beschikken over een uitgebreid scheldwoordenvocabularium. Eloquentie betekent ook de schuttingtaal tot in de puntjes beheersen. Brontosaurus. Fuckface. Kamerplant. Ik werk er met zorg en toewijding aan. Ga ik nu naar de hel? Waarschijnlijk. Kan het me wat schelen? Absolutely fucking not.’

● de nieuwe rubriek Errata?

● en verder de vaste rubrieken Broodje taal, Taalwerk, Dossier, Te boek en Column.

Omhoog


Tijdschrift VakTaal (IVN)

Voortvloeiend uit de samenvoeging van de Landelijke Vereniging voor Nederlandici (LVVN) met de Internationale Vereniging voor Neerlandistiek (IVN) heeft de IVN er een mooi tijdschrift bijgekregen, VakTaal, waarin op journalistieke wijze informatie wordt verschaft over die aspecten van het vak waarvan neerlandici (uit welke discipline of beroepssector ook) op de hoogte moeten blijven en die niet zo makkelijk toegankelijk zijn via de verschillende vaktijdschriften.

VakTaal wil geen wetenschappelijk tijdschrift zijn, maar vooral informeren over neerlandistiek in de volle breedte: de letterkunde, de taalkunde én de taalbeheersing. Ook onderwerpen uit het (middelbaar) onderwijs en de neerlandistiek extra muros komen aan bod. Bovendien bevat ieder nummer een groot aantal heel verschillende genres: een interview, een reportage, columns, enzovoort. Lees meer over VakTaal op de site van de IVN.

Omhoog


 

TAALUNIE: BERICHT

TAALUNIE LANCEERT ONLINE TIJDSCHRIFT VOOR TAALLIEFHEBBERS


Het nieuwe online tijdschrift van de Taalunie, is vanaf 25 april 2014 te lezen op www.taaluniebericht.org.

‘Via haar digitale tijdschrift wil de Taalunie naar buiten treden met haar visie en activiteiten. Tegelijk geeft het een breed beeld van wat er vandaag in en met het Nederlands gebeurt. ‘We willen in dialoog gaan met de grote gemeenschap van Nederlandstaligen die allemaal samen eigenaar zijn van onze taal en die beslissen waar het met het Nederlands naartoe gaat’, zegt algemeen secretaris Geert Joris. ‘De Taalunie is er om dat proces in goede banen te leiden, zodat iedereen die onze taal gebruikt of leert, daarmee optimaal zijn kansen vergroot in de samenleving.’’

Het e-zine is in een bijzonder origineel en aantrekkelijk kleedje gestoken. De artikelen worden gelezen op het scherm telkens op één en dezelfde pagina. Boven en beneden is er een verwijzing naar de volgende pagina. In de rechter kolom staat de rubriek Actueel-Agenda. Ook hier tref je een origineel systeem aan met een korte introductie naar het nieuwsbericht en met een koppeling naar het volledige bericht toe. Onderaan de pagina tref je onder de naam Taalunienieuws de beeldtegeltjes aan als smaakmakertjes naar meer artikels.

Voor het taalgebruik in de media verwijzen we hier meteen naar de pagina 7. Informele taal in de media: uit den boze of doodnormaal? Het informeel Nederlands krijgt steeds meer ruimte op radio en tv. Is dat erg? Integendeel, vinden presentatoren. Maar er is wel een grens die niet mag worden overschreden. De auteur is Maarten Dessing.

Onder het laatste kopje ‘Petitie’ komt ook de Actiegroep Nederlands ter sprake die de Oproep Nederlands Vanzelf Sprekend lanceert rond de standaardtaal gericht op beleid, onderwijs en media.

Als ‘Taalunie: Bericht’ het niveau van zijn eerste aflevering van 25 april 2014 kan handhaven, dan betekent het digitale tijdschrift van de Taalunie een aanzienlijke en heerlijke verrijking voor de taalliefhebbers.

Ghislain Duchâteau

Omhoog


 

De vakcommunity Nederlands

De Community Nederlands is een initiatief van Kennisnet en de Digitale School en heeft als doel iedereen die betrokken is bij het schoolvak Nederlands een platform te bieden en nader bij elkaar te brengen. Aan het lidmaatschap van de community zijn geen kosten verbonden. Alleen leden krijgen per mail maandelijks een nieuwsbrief, zijn lid van de mailing-list en hebben toegang tot de leermiddelendatabase. De mailinglist van de community Nederlands heeft meer dan 10.000 leden. De vorige community-site is te raadplegen via 'archief'. Deze site wordt echter niet meer bijgehouden. Je kunt je aanmelden via Entree: raadpleeg het bestand Aanmelden op communitysite.docx rechts onderaan deze pagina. Je kunt je ook aanmelden via mijn digischool.

Klik op Nieuwsbrief

Omhoog



Adviezen van de Raad voor Taal en Letteren van de Nederlandse Taalunie

Omhoog


 
© 2006, NDN