Melissa Schuring (10 februari 2026)
Acco
ISBN 9789464679908
?? pp.
€ 24,95
Taalbewustzijn hangt in mijn ogen heel eng samen met taalvaardigheid. Wie zich bewust is van de manier waarop en de omstandigheden waarin iets geformuleerd wordt, reflecteert onbewust op de eigen taalvaardigheid en die van anderen. ‘Expeditie jongerentaal’ van Melissa Schuring kan zowel het taalbewustzijn als de taal- en formuleervaardigheid van de leerlingen een boost geven.
Melissa Schuring is onderzoeker in de taalkunde aan de VUB en schreef aan de KULeuven een doctoraat over Engelse woorden in het Nederlands van Vlaamse kinderen.
Het opzet van het boek is dat jongeren in de huid van echte taalwetenschappers kruipen en aan onderzoek doen. Het boek biedt tien taalkundige mini-onderzoeken aan die zich op vier onderzoeklocaties afspelen, van keuken tot woonkamer.
Voorafgaand aan de onderzoekjes wordt ingegaan op het DNA van jongerentaal. Het boek is als een didactisch onderbouwd doe-boek geconcipieerd. Dit ‘DNA-onderdeel’ opent met: ‘Als ik jongerentaal moet uitleggen, dan zou ik zeggen …’. De jonge onderzoekers worden eerst uitgedaagd om concreet te verwoorden wat ze eigenlijk willen onderzoeken. De tien bouwstenen van hun onderzoek zijn: doel van jongerentaal, registergebruik, bewustzijn van de snelle taalevolutie, bewustzijn van geografische taalvariatie, Engels als bouwsteen van jongerentaal, woordenschat kiezen om ‘de wereld’ te evalueren, vloekwoorden gebruiken, het gebruik van taalversterkers, het gebruik van informele taal en het spreektalige karakter van chattaal.
Daar kun je alvast heel wat mee aan. Persoonlijk had ik de versterkers bij het evaluatieve taalgebruik ondergebracht en het multiculturele of etnische aspect van jongerentaal opgenomen bij de bouwstenen, zeker nu de schoolbevolking en de bevolking in het algemeen, vooral in grootsteden, een zeer uitgesproken etnische taalvariatie vertoont.
Vooraleer de jongeren aan de slag gaan, maken ze eerst een ‘Taaltag’, een soort profielfoto. Dit deel is volledig interactief opgebouwd.
Het daaropvolgende ‘De expeditie’ palmt het grootste gedeelte van het boek in. Daarin staan 10 mini-onderzoeken op 4 locaties, waarbij de leerlingen als een taalwetenschapper op pad gaan. De onderzoeken zijn alle tien op dezelfde herkenbare manier volgens het onderliggende OVUR-principe opgebouwd. Ik licht dit toe aan de hand van een voorbeeld: ‘Fast fashion! Engelse woorden in de kleerkast’.
Schuring begint elk onderzoek met een ’supersonische samenvatting’. Ze gaat verder met: ‘Wat gaan we onderzoeken?’ en ‘Hoe gaan we dat onderzoeken?’ Vervolgens komt ‘Aan de slag’. Dit deel is volgens een zesfasig stappenplan opgebouwd. Stap 1 tot en met 3 kun je gelijkstellen aan de U van OVUR. Stap 4 en 5 is de reflectiefase: Hebben de leerlingen met hun onderzoek hun doel bereikt? Is de onderzoeksvraag voldoende beantwoord? Hoe scoor je het onderzoek? (zelfevaluatie en eventueel bij een presentatie in de klas peerevaluatie). Stap 6 is ambitieus: ‘Hoe dien je onderzoekdata in bij de universiteit? Op het einde van het boek staat een stappenplan, inclusief QR-code, met de te volgen weg daarvoor.
Wat me minder duidelijk is, is voor wie het boek eigenlijk bestemd is. Op p. 206 schrijft Schuring dat het idee van het boek ontstond ‘uit een stiekeme droom om ooit een kinderboek over taal te schrijven’. Een kinderboek is dit zeker niet geworden. Mij lijkt het een boek dat optimaal tot zijn recht kan komen in de tweede graad secundair, wellicht beter nog dan in de eerste graad. Ik heb namelijk moeite om de hier behandelde inzichten en onderzoeken binnen de onderwijsdoelen van de eerste graad te plaatsen. In de tweede graad zijn de leerlingen ook al beter beslagen in de onderzoeksvaardigheden. Ik voel dat Schuring zelf met het probleem van de doelgroep geworsteld heeft. In haar ‘Inventaris van onderzoekslang’ komen woorden als neurolinguïstiek en linguistic landscaping en namen als William Labov en Penny Eckert voor en het extra leesmateriaal bevat suggesties als ‘Wat taal verraadt’ van Freek van de Velde, zelfs voor masters een taaie brok en het Engelse ‘A little book of language’. Uiteindelijk heeft vanzelfsprekend de leerkracht het laatste woord. De mate van begeleiding zal mee bepalen in welke graad de leerkracht het boek met succes kan inzetten.
Concluderend: dit is een leuk, bruikbaar, door Annelies De Smedt bijzonder knap geïllustreerd boek waarbij Schuring zeker niet over één nacht ijs is gegaan. Dit boek kan zeker leiden tot een verhoogd taalbewustzijn en meteen ook tot een verhoogde taalvaardigheid bij de leerlingen. Het is ook zeer goed in klas in te zetten. Neem als voorbeeld een klas van 20 leerlingen. Per twee voeren ze in de loop van het jaar een van de onderzoeken uit en gaan erover mondeling rapporteren en eventueel een klein onderzoeksrapport schrijven. Hoe mooi kan dit niet zijn?
José Vandekerckhove