IN MEMORIAM
CEES NOOTEBOOM (1933-2026)
Er wordt de laatste tijd lelijk huisgehouden in het Nederlandstalige literaire landschap. Na Nolens en Roemer verliezen we nu Cornelis Johannes Jacobus Maria, kortweg Cees, Nooteboom. Uiteraard is verliezen relatief te noemen. Nooteboom laat een monumentaal oeuvre na dat zijn ‘aanwezigheid’ nog voor lang zal garanderen.
Nooteboom werd gelauwerd en geprezen en was jarenlang een usual suspect voor de Nobelprijs, die hij echter nooit kreeg. Ik krijg het trouwens meer dan eens op de heupen met dat Nobelprijscomité. Boon, Claus, Mulisch, Nooteboom … allemaal noppes. Ik heb soms de indruk dat de Nederlandstalige literatuur daar in Zweden op het toilet belandt.
Nooteboom had Nobel niet nodig om breed geapprecieerd te worden. Op 2 september 2019 kreeg hij een eredoctoraat van het University College Londen vanwege zijn uitzonderlijke bijdrage aan de Europese literatuur. Hij ontving tientallen prijzen, van de Prijs der Nederlandse Letteren (2009) en de P.C. Hooftprijs (2004) tot de Oostenrijkse Staatsprijs, van de Constantijn Huygensprijs (1992) tot de Spaanse Premio Formentor. Alleen die ene, de Nobelprijs waarvoor hij zo vaak werd genoemd, ontving hij niet.
Nooteboom debuteerde in 1955 met Philip en de anderen, een roman waarvoor een Frans meisje model stond dat hij tijdens een lifttocht had ontmoet. Hij brak door bij het grote publiek met zijn roman Rituelen (1980). Daarin staat ook zijn bekendste quote: ‘Herinnering is als een hond die gaat liggen waar hij wil’.
Als schrijver en dichter laat Cees Nooteboom een rijk en gevarieerd oeuvre na, waarin reisverhalen een belangrijke plaats innemen. Margot Dijkgraaf schreef in haar necrologie in NRC: ‘Vaak was Nooteboom precies daar waar het gebeurde in de Europese geschiedenis. In 1956 was hij bij de opstand in Boedapest. Een jaar later voer hij als matroos naar de Caribische Zee en Zuid-Amerika, zag wat kolonisatie voor sporen had achtergelaten. In Parijs en Praag observeerde hij de gebeurtenissen van mei ’68. In 1989, toen de muur viel, was hij in Berlijn. Bolivia, Brazilië, Niger, Mali, Gambia, Maleisië, Iran, Mexico, Japan – er is bijna geen land dat hij niet bereisde en waar hij niet over schreef.’ Op veel van zijn reizen werd hij vergezeld door zijn derde vrouw, de fotografe Simone Stassen.
Met Nederland had Nooteboom een haat-liefderelatie. Hij zei: “Ik woon niet in Nederland, maar ik woon wel in de taal, het Nederlands.” Hij was zelden tevreden over de aandacht die hij hier kreeg van de literaire kritiek. Zijn goede vriend Remco Campert vertelde hem waarom dat zo was: “Hoe kan het ook anders, je bent er nooit!”.
Duitsland daarentegen omarmde hem en hij omarmde het terug. Na zijn veelgeprezen Berlijnse notities was Berlijn ook het decor van zijn laatste grote roman, Allerzielen, uit 1998. “De Muur die er niet meer is, is er dubbel, omdat je hem moet denken waar hij was.”
Nooteboom had een aantal zeer goede literaire vrienden. Hugo Claus was er een van.
Hun vriendschap ging heel lang terug: de strandfoto’s in zwembroek van de jonge Cees Nooteboom en Hugo Claus met Harry Mulisch zijn legendarisch.
Bij de afscheidsplechtigheid voor Claus in de Bourlaschouwburg in 2008 voerde Nooteboom het woord.
Wat er na zijn dood van zijn werk zou overblijven, wist hij niet. “Van de één een heel oeuvre, van de ander een verhaal. Met één regel poëzie zou ik al tevreden zijn.”, zei hij.
Misschien wel deze, uit ‘Het getij’: “Ik had wel duizend levens/ en nam er maar één!”
José Vandekerckhove
Cees Nooteboom in 2011