Bij Uitgeverij Kleine Uil Educatief is Oude teksten voor jonge lezers verschenen, een interessant boek van Joke Brasser, een interessante auteur. Het boek is boeiend onder andere omdat het in zijn kielzog een discussie kan en zal in het leven roepen.
In hoever is het opportuun om middeleeuwse teksten zoals Van den vos Reynaerde en Mariken van Nieumeghen al in de onderbouw/eerste graad aan te bieden?
Hoe diep kun je op dat vroege ogenblik in de literaire ontwikkeling van leerlingen op die ‘oude teksten’ ingaan?
Zijn er geen betere opties om je schaarse lestijd literatuur efficiënter mee in te vullen?
Zal er geen weerstand zijn bij leerlingen (“Dat hebben we in de onderbouw/ eerstegraad al eens gehad!”) als een docent in de bovenbouw/derde graad die middeleeuwse teksten verder wil uitdiepen?
Beheersen de leerlingen op hun jonge leeftijd al voldoende het begrippenapparaat om middeleeuwse teksten te tackelen?
Enzovoort, en zo verder en ga maar door.
Er zal in ieder geval een consensus binnen de vakgroep Nederlands moeten bereikt worden, bijvoorbeeld met collega’s van de bovenbouw/derde graad van wie het hart open bloeit als ze het over de middeleeuwen kunnen hebben. Bij hun les hoort natuurlijk ook het middeleeuwse narratief. Het is een afknapper als leerlingen het verhaal al kennen van vroeger.
In een vorig leven ben ik nog inspecteur van het schoolvak Nederlands in Vlaanderen geweest. Ik herinner me een leraar derde graad die zich verdiept had in De stad der blinden van de Portugese Nobelprijswinnaar José Saramago. Die leraar wilde zijn les met de magistrale openingsscène beginnen, waarop zijn leerlingen hem zegden dat ze die scène in het eerste jaar al gelezen hadden. Wat ze er verder mee gedaan hadden, wisten ze niet meer, maar voor hem en voor hen was de fun er voor een stuk van af. Er zullen dus absoluut afspraken nodig zijn.
Oude teksten voor jonge lezers opent met een heel uitgebreide ‘Inleiding’ (p. 9-24). Brasser betoogt dat het literatuuronderwijs zonder ijkpunten stuurloos is. Ze stelt dat een op teksten gericht literatuuronderwijs uitgaat van een hiërarchie’ van teksten (p. 11). Ze wil met haar boek een aanzet tot een leeslijn geven.
Volgens Brasser mogen ook middeleeuwse teksten tot die ankerpunten behoren. Enkele van haar argumenten zijn:
· een argumentum a simile: Engelse leeftijdsgenoten lezen twee komedies van Shakespeare voor ze 15 jaar oud zijn.
· een argumentum auctoritas: o.a. Italo Calvino (‘klassieken lezen is beter dan geen klassieken lezen’) en Hubert Slings worden aangehaald.
Brasser haalt ook kerndoel 9C aan. Dat schrijft voor dat ‘leerlingen literatuur verkennen die geschreven is in verschillende perioden of contexten en dat ze literatuur uit verschillende tijden lezen, bekijken of beluisteren’.
Brasser is zich ten volle bewust van de ‘grand écart’ die haar boek oproept:
‘In de bovenbouw kunnen leerlingen de historische context verder verkennen. In de onderbouw hebben ze dan in ieder geval al ervaringskennis van verschillende oude verhalen opgedaan, zodat ze eerst van de verhalen genoten kunnen hebben voordat ze tientallen literatuurhistorische vragen over een klein fragment ervan moeten beantwoorden’ (p. 20-21)
Als Vlaming klinkt me een deel van die uitspraak vreemd in de oren. Je kunt toch ook in de bovenbouw iets anders met middeleeuwse teksten aanvangen dan literatuurhistorische vragen beantwoorden. In Vlaanderen gaan we bij oude teksten in een derde graad steevast uit van een dubbele beweging: historiseren en actualiseren.
Deel 1 van het boek Het begint met Lampje - Over verbonden verhalen gaat over de literaire ontwikkeling van de leerlingen en het voeren van boekgesprekken in de klas. Volgens Brasser is Lampje (Annet Schaap, 2017) ideaal om dit doel te bereiken. Dit hoofdstuk is didactisch goed uitgewerkt, aan de hand van o.a. de boekgesprekkendidactiek van Aidan Chambers. Het deel eindigt met Leesproject Lampje.
In deel 2 gaat het over waarom sprookjes essentieel zijn voor de leesontwikkeling van jonge lezers en hoe leerlingen op basis van hun voorkennis sprookjes leren lezen met aandacht voor zowel de tekst zelf als het grotere verhalenweb waar de tekst deel vanuit maakt. Brasser heeft het over ‘instapintertekstualiteit’. De leerlingen maken ook kennis met de manieren waarop teksten gelezen werden. Zo ontdekken ze dat ook het lezen een eigen geschiedenis heeft.
Deel 3 draagt de allitererende titel Van vossen in verhalen. Brasser legt uit waarom Reinaart volgens haar in de brugklas gedoceerd kan worden en waarin deze lessen verschillen van de lessen in de bovenbouw. Brasser suggereert daarbij ook enkele werkvormen zoals ‘Advocaat van de wolf, een schrijfopdracht’. Brasser waaiert hier, mijns inziens, wel heel breed uit. Ik vraag me af of leerlingen op dit moment van hun lees- en mentale ontwikkeling al toe zijn aan pakweg ‘archetypische personages’.
Brasser heeft zich uit vrije wil in een soort van dwangbuis gestopt, die van een boek te schrijven voor 12-15- jarigen. Brasser weet echter heel veel en wil haar kennis ook kwijt, zodat het boek veel meer bevat dan eigenlijk voor jonge lezers bevattelijk is. Velen van hen hebben nog weinig leeskilometers gemaakt en worden plotseling ondergedompeld in een literair bad. Ik vraag me af of ze al voldoende kunnen zwemmen of nog te veel gebruik zullen moeten maken van door de leraar aangereikte zwembandjes om niet te verzuipen.
Verder gaat het boek ook over Mariken voor jonge lezers en young adults Hier maakt Brasser zelf een bijsturing. Het was misschien beter geweest de titel van het boek ook in die zin aan te passen. Eigenlijk is het hele boek, vanuit de lespraktijk bekeken, zonder expliciet voor hen bedoeld te zijn, ook voor young adults (adolescenten tot zowat 18 jaar) bestemd.
Er zijn ook nog hoofdstukken over fabeldieren, Moriaans queeste en Sint-Brandaan.
Het boek eindigt op een originele manier met een omgekeerde beweging Over het herlezen van jeugdliteratuur in de bovenbouw. Heel interessant is dat Joke Brasser lesbrieven ontwikkelt bij haar boek.
De site is nog deels ‘under construction’.
Is dit een boek dat nuttig is voor docenten? Daar is geen twijfel aan, zowel voor docenten van de onderbouw als de bovenbouw of van de drie graden in Vlaanderen. Het zal de opgave zijn om met het collegium te overleggen en de krenten op het gepaste moment uit de pap te halen. Leerlijnen zijn concentrisch in hun herhalende verdieping. Wat leerlingen in de onderbouw geleerd hebben, kan als uitgangspunt en voorkennis dienen voor wat ze in de bovenbouw leren, ook voor die gepassioneerde docenten van de bovenbouw die de middeleeuwen als hun domein beschouwen. Maar nog eens: dit vergt heel goede afspraken binnen de vakgroep over de zes jaren heen .
De praktijk zal de bruikbaarheid van het boek moeten bewijzen. Zoals zo vaak is ‘the proof of the pudding in the eating’.
José Vandekerckhove