Literaire Galerij

Bernard Dewulf 1960 - 2021

Auteur Bernard Dewulf is op donderdag 23 december 2021 plotseling overleden. Hij was 61 jaar. Op vrt.be is een In Memoriam te vinden, inclusief audio- en video-opnamen.

Dewulf won in 2010 de Libris-literatuurprijs met Kleine dagen, meteen zijn bekendste werk.

In 2012 en 2013 was hij stadsdichter van Antwerpen.

Over de begraafplaats Schoonselhof schreef hij het gedicht De doden:

De doden

Men zegt, de doden zijn hier niet.

Het is niet waar. Nu ik ze nader

raken wij elkaar al aan. Nog even

en wij overleven samen in de dozen,

wonen dan door elkaar in de kamers,

kijken weer uit de nieuwe kinderen,

waken slapeloos over de uren en staan

op in het licht en de lichamen

waarin wij elkaar dagelijks terugvinden.


Lees ook 'een pittige babbel' in het magazine van UAntwerpen over grote en kleine dingen met Bernard Dewulf en Stijn Vranken.

Ook het gedicht Meesters, dat hij op 4 oktober 2012 als stadsdichter publiceerde, werd zeer goed onthaald.

Meesters

Een ode

Nu ik schrijvend de dagen slijt,

komen als een oud gerucht

de meesters terug. Nog zingen zij

in het licht van hoge ramen

het verhaal in mijn vingers

en kussen krassend mijn taal.

Nu ik schrijvend de dagen slijt

en slijtend nog groei

uit hun zingende bemoeizucht,

nu ze blijven fezelen in de kamer

waar ik mijn eigen dagen verzin,

kus ik hen schrijvend terug.

In 2010 schreef Bernard Dewulf Fragmenten uit Oostende: een stadswandeling in dagboekvorm door heden en verleden van de stad en de schrijver.

Bernard Dewulf was ook vaste columnist van De Standaard. Over zijn werk als columnist zei hij ooit: ‘Zo’n column heeft alles met taal te maken. Het onderwerp, daar zit ik niet zo mee, dat komt wel. De krant staat vol met onderwerpen, het internet ook. En dan broed ik op die eerste zin. Dat kan lang duren. Die eerste zin moet er staan, dan volgt de rest vanzelf.’

Zijn column Omgang van 19.11.2015 heeft plotseling een akelige en lugubere ondertoon gekregen.

OMGANG

‘Onze gedachten gaan uit naar de families van de slachtoffers.’ Hoe vaak hebben we die zin niet gehoord de laatste dagen. Hij is standaard nadat er slachtoffers zijn gevallen. En al begrijp ik hem wel, toch verbaas ik me er soms over: en al de anderen dan?

Familie mag de hoeksteen van de samenleving vormen, zonder de andere stenen zou het toch wat onherbergzaam zijn.

Anders gezegd, indien ik midden in deze voorwaardelijke bijzin doodviel, zou er meer niet-familie dan familie dat betreuren. Omdat ik nu eenmaal, net als velen onder ons, iets meer niet-familie dan wel-familie ken.

En dan rijst de vraag: wat is kennen? Hoeveel mensen ‘ken’ ik? En hoeveel mensen ken ik die zouden treuren? Ik heb geen idee.

Daarom heb ik het even gegoogeld: hoeveel mensen kennen wij gemiddeld, tijdens ons bestaan? Dat is blijkbaar uitentreuren onderzocht. En de cijfers gaan van honderden tot duizenden. Daar schiet ik weinig mee op.

Toen ik dan maar een eigen onderzoek aanvatte, duizelde het me al snel. Eerst is er natuurlijk het gezin, al blijft het afwachten welke gedachten er van de poes zouden uitgaan. Daarna begon het al. Onvermijdelijk drong zich een rangschikking op.

Er is naaste en verre, er is eigen en aangetrouwde familie. Ook zijn er vrienden en vrienden. Het verschil tussen familie en vrienden is de vrije keuze. Daarom kwamen de vrienden meteen na het gezin.

Er is het tweetal beste vrienden en er zijn een stuk of wat goede. Dan zijn er enkele maten, sommigen voelen dan weer aan als kameraden. Er zijn ook enige bondgenoten, compagnons, zielsverwanten, enzovoort.

En er is die ene, allerbeste vriendin.

Het is allemaal niet zo afgetekend. En ze zijn heus niet met zovelen, maar ze maken wel muren rond de hoeksteen. (Het dak zijn nog altijd de ouders, hoe afwezig ze ook al jaren zijn.)

Daarna begon het pas echt. Ik weet niet of u het ooit hebt geprobeerd, na te gaan van wie er nog gedachten naar u zouden uitgaan bij uw heengaan. Het is een onmogelijke gedachte.

Scrollend langs mailadressen, bladerend in fotoalbums, zoekend in hoeken en kanten van het geheugen, viel ik van de ene verbazing in de andere.

Ik ben met meer dan ik dacht. Bijna mocht ik er niet aan denken, hoeveel gedachten er naar mij zouden uitgaan als ik in deze bijzin verdween. En dan ben ik nog niet eens de grootste mensenvriend. Het liefste zit ik in de tuin achter de hoeksteen een glas te drinken. Godverlaten met een vriend.

Maar wie er allemaal niet voorbijkwamen. Gooi een steen in het krimpende plasje van het bestaan en het lijkt een zee.

De kringen gingen almaar wijder langs talloze blijvers en voorbijgangers. Sommigen waren nog slechts schimmen, anderen bleken nog helder voor de geest te komen. Sommigen schitterden ineens weer. Enkelen konden geen gedachten meer hebben, want ooit waren mijn gedachten al naar hen uitgegaan.

Sommigen had ik weleens omarmd, anderen gezoend, nog anderen regelmatig hartelijk de hand gedrukt. Met een enkele had ik gebroken, van een andere kende mijn hand nog altijd, als de rug van elke nieuwe poes, haar welvingen.

Met de meesten was ik gewoon ‘omgegaan’.

En precies dat werd het: een stille omgang van passanten, figuranten en edelfiguranten op het toneel en in de coulissen van de dagen.

En dan had ik nog maar gedacht aan wie ik maar kon bedenken. De onbekenden die mij, omgekeerd, misschien wel kennen, kwamen niet in mij op. En de vergetenen was ik vergeten, maar zij mij misschien nog niet.

Wie weet, dus, welke onverwachte gedachten er allemaal naar ons uitgaan, de dag dat wij de vergetelheid ingaan. We zouden schrikken, denk ik, mochten we nog kunnen.

En dan had ik nog niet eens gedacht aan u. Die ik niet ken. Maar waar ik wekelijks even langskom. Als waren wij kennissen.

Kortom, wat waren we met velen, mijn familie en hun gedachten straks. En dat men dan toch soms plotseling, acuut, nog zo alleen kan zijn, bij een glas op het terras achter de hoeksteen. En de muren.

Begrijpt u dat?