Uit de veren

Uit de Veren

Uit de veren is een nieuw toegevoegde rubriek aan de NDN-website. Het is meteen ook een invitatie tot interactiviteit.


Enige toelichting zal nodig zijn.


De naam?

De naam is enerzijds geïnspireerd door het alom bekende ‘Hebban olla vogala …’, een probatio pennae, een proberen van een ganzenpen of van een ganzenveer, want daar schreef men vroeger mee.

Anderzijds heeft de naam ook te maken met ‘vroeg uit de veren’, vroeg uit bed, vroeg wakker zijn en bereid om aan het werk, of hier aan het schrijven, te gaan.


Wat?

We bieden u een plek om uw schrijfsels kwijt te raken en interactief mee te helpen aan de verdere inhoudelijke uitbouw van de NDN-website. Enige voorwaarde: wat u schrijft, moet te maken hebben met de Nederlandse taal (taalgebruik of taalsysteem) en/of met didactiek van het Nederlands.


Voor wie?

Alle leerkrachten Nederlands, docenten en professoren aan hogescholen en universiteiten, bezoekers van de website en al wie het voor het schoolvak Nederlands opneemt, kunnen teksten aanleveren


Wat ermee aanvangen?

Bezoekers van de NDN-website worden ‘mede-eigenaar’ van de tekst. Uiteraard kunnen ze die niet in eigen naam gaan publiceren, maar de aangeboden teksten kunnen vrij, weliswaar met bronvermelding in een pedagogische context, bijvoorbeeld in de klas, gebruikt worden. Wie een tekst inzendt ter publicatie aanvaardt meteen deze voorwaarde.


Hoe een tekst aanleveren?

Gewoon een mail met uw tekst aan de secretaris sturen.


Wordt uw tekst altijd in Uit de veren opgenomen?

Dat heeft u gewoonweg zelf in handen.

De afbeelding 'Stoeptegels met oud versje in de Brederodestraat, Amsterdam (2021)' door Ceescamel is gelicentieerd onder CC BY-SA 4.0

23 juni 2021

door Roland de Bonth
Ook gepubliceerd in Neerlandistiek.nl op 21 juni 2021

Etymologica:
bedenkers van woorden

Het Etymologisch Woordenboek van het Nederlands omschrijft etymologie als de ‘studie van de herkomst der woorden’. Waar een woord vandaan komt, is lang niet altijd met zekerheid vast te stellen. Dat geldt ook voor etymologie zelf. Misschien is het woord in het Nederlands terechtgekomen via het Oudfrans ethimologie, maar waarschijnlijker is het volgens etymologen dat het direct ontleend is aan het Latijnse etymologia, afkomstig van het Grieks etumologíā. Dat woord bestaat uit twee delen: étumo- ‘het ware (van een woord)’ en –logíā ‘studie, onderzoek’. Het eerste deel is eigenlijk het zelfstandig gebruikte étumos ‘waar’, waarvan de oorsprong onbekend is.

Epibreren

Etymologen tasten niet altijd in het duister. De Nederlandse woordenschat heeft ook woorden waarbij tamelijk precies kan worden aangegeven wanneer deze in gebruik gekomen zijn. Zo is het werkwoord epibreren in 1954 voor het eerst op schrift gesteld door schrijver Simon Carmiggelt in een van zijn zogeheten Kronkels. Overigens gaf Carmiggelt in een interview toe dat hij niet zelf de bedenker van het woord was. Hij had het in 1953 gehoord uit de mond van een ambtenaar die er het verrichten van een gewichtig lijkende maar onbelangrijk zijnde activiteit mee aanduidde.

Nieuwe wijn in oude zakken

Bij de etymologie van nieuwe woorden is voorzichtigheid geboden. Soms blijkt een zogenaamd nieuw woord al zeer oude papieren te hebben. Toen het Oranjefonds in 2020 een oproep deed om een woord te bedenken dat de band omschrijft tussen twee onbekenden die zomaar naar elkaar omkijken, kwam warmhartigheid als winnaar uit de bus. Het werd gepresenteerd als een ‘nieuw woord’ maar het blijkt al vroeg in de negentiende eeuw te worden aangetroffen, zoals Ton den Boon op Taalbank.nl schrijft. Iets vergelijkbaars heeft zich voorgedaan bij het woord ontvrienden. Het is tegenwoordig vooral bekend door de sociale media, waar dit werkwoord staat voor ‘het verwijderen van contacten uit een virtuele vriendenlijst’. Toch komen we ook dit woord ontvrienden al veel eerder tegen. Onder anderen zeventiende-eeuwse schrijvers als Camphuysen en Johan de Brune gebruikten het.

Lexicale polygenese

Zowel warmhartigheid als ontvrienden zijn voorbeelden van wat onder taalkundigen bekendstaat als lexicale polygenese. Dirk Geirnaert omschrijft het als ‘het verschijnsel waarbij eenzelfde woord op verschillende, los van elkaar staande momenten in de taalgeschiedenis gevormd wordt’. In deze omschrijving wordt alleen het aspect tijd genoemd, maar ik zou daar ook het aspect plaats of ruimte aan willen toevoegen. Als het Genootschap Onze Taal bijvoorbeeld een oproep doet om een woord te bedenken voor een bepaald begrip of verschijnsel, dan gebeurt het geregeld dat inzenders uit verschillende plaatsen onafhankelijk van elkaar met dezelfde trouvaille op de proppen komen.

Matthias de Vries

Er zijn ook woorden waarbij onomstotelijk vaststaat wie de bedenker ervan was. Dat is bijvoorbeeld het geval met de woorden postbewijs en postblad. Deze twee woorden had prof. dr. Matthias de Vries, grondlegger van het Woordenboek der Nederlandsche Taal (WNT), in respectievelijk 1883 en 1887 bedacht op verzoek van de overheid. Overigens rept de redacteur van het uit 1936 daterende lemma postII – waaronder postbewijs en postblad beide zijn opgenomen – met geen woord over de rol die Matthias de Vries heeft gespeeld bij de vorming van deze woorden. Waarschijnlijk had hij geen weet van de tegenwoordig in het Algemeen Rijksarchief berustende correspondentie hierover tussen (ambtenaren van) de toenmalige minister van Waterstaat, Handel en Nijverheid en Matthias de Vries. Rob Tempelaars wijdde in het boek Matthias de Vries aan het woord (2020) een heel hoofdstuk aan diens rol van woordenmaker.

Middeleeuwse nieuwvormers

Hoe ouder een woord, des te lastiger is het om vast te stellen wie een woord bedacht heeft. Weliswaar kan een woord voor het eerst aangetroffen zijn in het werk van een bepaalde schrijver, maar dat wil niet automatisch zeggen dat we hiermee de bedenker te pakken hebben. Een goed voorbeeld hiervan is het zo-even besproken woord epibreren. Toch heeft Jakob Verdam het in zijn Middelnederlandsch Woordenboek aangedurfd de vorming van een aantal woorden toe te schrijven aan een bepaalde auteur. Zo beweert hij dat het werkwoord beklauwen ‘iemand als het ware met klauwen aangrijpen’ gevormd is door Lodewijk van Velthem. En aan de Brabantse mysticus Jan van Ruusbroec schrijft Verdam maar liefst drie nieuwvormingen toe: ontbreiden ‘zich in de breedte voor iemand te ver uitstrekken’, diepmoedigheid ‘ootmoed’ en gelustheid ‘vreugde, genot’. Oudere vindplaatsen van deze woorden heb ik niet kunnen vinden, noch in het Corpus Gysseling noch in het Corpus Middelnederlands. Het zou dus kunnen zijn dat Ruusbroec echt de geestelijk vader ervan was.


18 juni 2021

door Freek Van de Velde
met toestemming van de auteur overgenomen uit Internationale Neerlandistiek
Oorspronkelijk online gepubliceerd op 1 mei 2021

Kroniek van de Nederlandse taalkunde 2020

We zijn nu twee decennia ver in de eenentwintigste eeuw, en de verschillen met de vorige tekenen zich steeds scherper af. Voor de taalkunde is de belangrijkste trend het versnellen van een proces dat al gesignaleerd is door Joop van der Horst in Het einde van de standaardtaal (Meulenhoff, 2008): de renaissance blaast haar laatste adem uit. De doodsreutel weerklinkt angstaanjagend in de neerlandistiek.

Pessimistische berichten over de Nederlandse taalkunde waren al te lezen in Hünings bijdragen voor deze rubriek (2012, 2013, nadien is het – veelzeggend misschien – stil geweest), al is zijn diagnose van de malaise niet helemaal dezelfde. Hüning ziet vooral de verengelsing als de torpedo die de neerlandistiek midscheeps getroffen heeft. Dat is begrijpelijk, want hij zit in internationale wateren. In de rustigere haven van de ‘intramurale’ neerlandistiek is de concurrentie met het Engels ook wel voelbaar, maar toch heel wat kleiner, en zelf denk ik dat het (vreemde)talenonderwijs tout court in zwaar weer zit. Ook de opleidingen Engels hebben te kampen met teruglopende studentenaantallen.

Had je vroeger aan allerlei faculteiten een taalkundige, die daar Frans, Engels, Duits, Nederlands, of een andere taal gaf, en daar vaak ook onderzoek naar deed, dan worden die nu bedankt voor bewezen diensten, en niet opgevolgd. Aan mijn eigen universiteit heeft de rechtenfaculteit de Nederlandse taalkundige die er duizenden studenten placht in te wijden in de Nederlandse rechtstaal in de vroege eenentwintigste eeuw de wacht aangezegd.

Sommige collega’s, of eerbiedwaardige instellingen als de Taalunie haasten zich er altijd bij te vertellen dat het Nederlands over de hele wereld bestudeerd wordt, en dat het verlies in Vlaanderen en Nederland goedgemaakt wordt door de internationale neerlandistiek, maar die optimistische stemming deel ik niet helemaal. Geen kwaad woord over de ijzersterke afdelingen in bijvoorbeeld Centraal-Europa, maar daar zie je toch dat heel wat studenten het na de onderbouw voor bekeken houden, en het Nederlands vooral leren om er hun brood mee te verdienen op de arbeidsmarkt. Daar is op zichzelf natuurlijk helemaal niks mis mee (ik kom daar aan het einde van dit stuk nog heel even op terug), maar een bachelor Nederlands is nog wel wat anders dan een doctoraal proefschrift maken dat internationale weerklank krijgt. Er zijn natuurlijk wel extramurale taalkundige proefschriften over het Nederlands, maar het is nog af te wachten of er een nieuwe generatie hoogleraren uit voortkomt, die het Nederlands als vreemde taal hebben geleerd en hun stempel drukken op het veld, zoals bijvoorbeeld Matthias Hüning of Robert Kirsner. Met Jenny Audring hebben we een kras voorbeeld van iemand die zich als niet-moedertaalspreker van een vaste baan heeft verzekerd in Leiden, en over het Nederlands publiceert, maar in het buitenland zijn het vaak uitgeweken Vlamingen of Nederlanders die de leerstoelen innemen. Mensen als Evie Coussé, Gunther De Vogelaer, Ann Marynissen, Roel Vismans, Esther Ruigendijk, Reinier Salverda en Jan Pekelder, om nu maar een paar voorbeelden te noemen, doen als hoogleraar fantastisch werk in de buurlanden, maar het zou mooi zijn als ook sterke onderzoekers uit het buitenland ordinarius worden.

Niet alleen het hoger onderwijs, ook het onderzoek lijdt onder het aflopen van de renaissance. De filologische benadering is op zijn retour, en de taalkunde wordt opgegeten door andere disciplines (zie ook Van de Velde & Van der Horst, 2021): heel wat opzienbarend onderzoek wordt op dit moment uitgevoerd door psychologen, computerwetenschappers, biologen en fysici. In het boek Human language. From genes and brains to behavior (2019) onder redactie van de Nederlandse hoogleraar Peter Hagoort, zijn de diverse hoofdstukken geschreven door mensen die buiten de taalkunde staan. In de historische taalkunde is de biostatistiek aan een steile opmars bezig, door het werk van evolutionaire biologen zoals Russell Gray, Quentin Atkinson, Fiona Jordan en Simon Greenhill. De vaktaalkundige opereert steeds meer in de marge. De taalkunde is niet meer de spannende pionierswetenschap die ze in de negentiende eeuw was, noch een zelfverzekerd bastion van brede wetenschappers die verwelkomd werden in andere disciplines om daar hun licht te laten schijnen op maatschappelijke kwesties: Noam Chomsky en George Lakoff zijn stilaan karikaturen geworden. Steven Pinker, die we vroeger ook graag tot het taalkundige gild mochten rekenen, houdt zich tegenwoordig met heel andere dingen bezig, en wordt door de ‘woke’ taalkunde in de V.S. zelfs uitgespuwd. Onze eigen helden hebben ook niet meer het prestige van weleer: Johan Huizinga was van huis uit een taalkundige (Sanskritist) en maakte het mooie weer bij de historici. Dat kun je je nu moeilijk inbeelden. De taalkundige Hugo Brandt Corstius was een bekende opiniemaker. Ook dat is nu zeldzamer. Jan Blommaert belichaamde nog een beetje die strekking, maar die is recent overleden. Als er een televisieprogramma gemaakt worden over taal, bijvoorbeeld het verdienstelijke Man over Woord, dat twee seizoenen lang in 2011 en 2012 uitgezonden werd op de Vlaamse openbare omroep, dan wordt dat niet gepresenteerd door een taalkundige, maar door een acteur. De taaladviseur van de kwaliteitskrant De Standaard, de taalkundige Ludo Permentier, is begin 2021 gestopt met zijn taalrubriek Woorden weten alles, en de redactie heeft een opvolger gevonden in de komiek Wouter Deprez. In Nederland, waar kranten door hun grotere oplage wat meer personeel in dienst kunnen houden, houdt men de schuit nog drijvende, met prachtige bijdragen in NRC van Berthold van Maris en in Trouw van Peter-Arno Coppen.

In Vlaanderen en Nederland hecht men veel belang aan de moedertaal, maar als die voorwerp is van politieke zorg dan gaat het vooral (a) over de verontrustende ontlezing van de schoolgaande jeugd, en (b) over de moeilijkheden van integratie van mensen met een migrantenachtergrond. In beide gevallen is de Nederlandse taalkunde een middel, geen doel. De discussie wordt gevoerd door pedagogen, vakdidactici en beleidsmakers. Nederlandse taalkundigen mengen zich niet graag in het debat, op een enkele uitzondering als Marc van Oostendorp en Peter-Arno Coppen na. Het onderzoek in de Nederlandse taalkunde dat niet gaat over kwesties (a) en (b) is iets voor kamergeleerden, een curiosum. Dat museale karakter van het Nederlands-taalkundige onderzoek valt ook goed te merken aan de talloze websites en boeken over taal die tegenwoordig verschijnen. Ik krijg niet de indruk dat het er zoveel minder zijn dan vroeger, maar ze zijn anders: minder streng, minder belerend, minder met de vanzelfsprekende autoriteit die het vak nog had in de twintigste eeuw. Nu heeft dat ook wel te maken met de algemene informalisering van de samenleving, waar ook politieagenten, leerkrachten, predikanten of politici niet meer uit kunnen gaan van een consensus over hun gezag, maar er is, denk ik, meer aan de hand. Boeken over geografie, politiek, klimaatverandering, rechtspraak of architectuur, zijn wat stijver, en proberen zich niet met een ongedwongen jovialiteit populair te maken bij de lezer. Zeker, auteurs van zulke boeken zijn ook vlotter gaan schrijven – denk aan de verteltrant van iemand als Rutger Bregman – maar taalkundigen die boeken schrijven doen er nog een schepje bovenop, met grappige cartoons, licht verteerbare kadertekstjes, en angstvallige inspanningen om zeker geen wetenschappelijke bibliografische verwijzingen te gebruiken. Het boek zelf mag ook niet te lijvig worden. Een goed voorbeeld zijn boeken als Taal is zeg maar echt mijn ding en afgelopen jaar Taal voor de leuk van Paulien Cornelisse, ook weer eerder een theatermaakster en comédienne dan een taalkundige trouwens. Ik vind het sublieme boeken, met rake observaties, maar: het zijn korte stukjes, met aandoenlijke kinderlijke tekeningen, in een klein formaat softcover. Een mini-museumpje met kleine vitrinekastjes. Ook beroepstaalkundigen maken dat soort boeken: van Ronny Boogaart, een oerdegelijke vakspecialist, is het boek Een sprinter is een stoptrein zonder wc (tweede druk, 2016). Ook een bescheiden formaat dat in de zak van een regenjas past, en ook met columns. Of neem: ‘Dat hoor je mij niet zeggen!’ De allerbeste taalclichés van Wouter van Wingerden en Pepijn Hendriks. Ik heb er hardop mee gelachen, en Pepijn ken ik nog van vroeger als een belezen historisch taalkundige, maar om nu te zeggen dat hiermee een gezaghebbend werk over taal gepresenteerd wordt: nee. Andere boeken hebben ronkende titels waarachter je een magnum opus zou vermoeden, zoals Het taaldier mens. Over de oorsprong, de geschiedenis en het gebruik van taal van Jan Pekelder (2020), maar ook hier heeft de uitgever gekozen voor een onopvallend 14cm x 21cm-formaat, en de inhoud is niet een breed exposé over een grote alomvattende taaltheorie, maar korte stukjes, waarin verwijzingen naar de vakliteratuur voor het comfort van de lezer weggelaten zijn (zie ook Van Oostendorp, 2020). Opnieuw: dat betekent niet dat het een slecht boek is – ik vind het juist een uitstekend boek – maar wel dat de Nederlandse taalkunde een beetje bedeesd een plaatsje zoekt op de plank van de boekhandelaar, bijna verontschuldigend tegen de imposante hardcovers van andere wetenschapsdisciplines. Naast de kolossen van Thomas Piketty, Yuval Harari, Daniel Kahneman, Dick Swaab of Bart Van Loo, of de negendelige literatuurgeschiedenis met zijn pronkerige regenboogcovers steekt de taalkunde wat bleekjes af. Als er dan toch al eens een groter, gedurfder formaat gebruikt wordt, zoals bij de prachtige Atlas van de Nederlandse taal, dan wordt er in ieder geval voor gezorgd dat er veel illustraties instaan, en dan niet alleen landkaarten of diagrammen, maar ook bladverluchting: portretten van mensen of objecten, in een nogal toegankelijke tekenstijl, genre stripverhaal. Je krijgt de indruk dat de lezer voortdurend op zijn gemak gesteld moet worden, en heel behoedzaam meegevoerd wordt. Hij mag niet weggejaagd worden door grote lappen tekst. Andere wetenschapsdiscipline zijn minder beschroomd om de lezer volwassener te benaderen.

Er zijn uitzonderingen. Siemon Reker heeft in 2018 met Taal in politiek Den Haag (uitgeverij In Boekvorm), een kloeke hardcover op de markt gebracht, maar dat is een woordenboek, geen uiteenzetting. Een andere uitzondering is het boek 15 eeuwen Nederlandse taal van Nicoline van der Sijs (2019), maar dan verlaten we de afdeling populariserende boeken, en komen we meer op het terrein van de handboeken. Van der Sijs heeft prachtwerk afgeleverd, dat alle lof verdient die het toegezwaaid is (onder andere de Taalboekenprijs 2020), maar zoals we bij onze waardering in Van de Velde & De Smet (2020) hebben opgemerkt, lijkt het er wel op dat de auteur af en toe wat twijfelt of het nu een boek voor studenten of voor een breder publiek moest worden. Voor een breed publiek staat er te veel in (zie ook de inschatting van Van der Horst, 2020), terwijl de gevorderde student de afwezigheid van specifieke literatuurverwijzingen in de tekst zal missen.

Een paar jaar eerder is een vergelijkbaar handboek verschenen: het Basisboek historische taalkunde van Henk Bloemhoff en Nanne Streekstra met medewerking van Ronny Keulen en Arjen Versloot (2013, uitgeverij Kleine Uil), en voor de gevorderde student zijn er de doorwrochte boeken Historische fonologie van het Nederlands van Jozef Van Loon (2014, uitgeverij Universitas), de tweedelige Leerboek voor de historische grammatica van het Nederlands van Cor van Bree (eigen beheer, 2016, 2020), The Dawn of Dutch. Language contact in the Western Low Countries before 1200 van Michiel de Vaan (2017, uitgeverij John Benjamins), of het omvangrijke Bijdrage tot een klankatlas van het veertiende-eeuwse Middelnederlands: het dialectvocalisme in de Spelling van lokale oorkonden van Chris De Wulf (2018). De historische taalkunde heeft de wind in de zeilen, lijkt het. Daar moet ik natuurlijk wel meteen bij aantekenen dat ik zelf in die branche werk, en dat ik dus wat sneller opmerk wat er op dat terrein verschijnt. Dit lijkt me ook een goed punt in de kroniek om mijn verontschuldigingen aan te bieden aan de auteurs van relevante publicaties die ik níet noem in deze selectieve kroniek.

En er is natuurlijk meer dan boeken. Opvallend is het stijgende succes van het online tijdschrift/blog Neerlandistiek dat in meerderheid stukken over taalkunde bevat, en andere blogs, onder andere De Taalpassie van Milfje, van Sterre Leufkens en Marten van der Meulen, de ongekroonde monarchen van de jonge generatie popularisatoren van de Nederlandse taalkunde. Leufkens heeft trouwens ook de titel Taal in de reeks Elementaire Deeltjes geschreven, waarin je een beknopt overzicht gegeven wordt van de stand van zaken in de taalkunde. Bijzondere vermelding verdient ook het reconstructiewerk van Peter-Alexander Kerkhof, die het Oudnederlands tot leven wekt in een aantal fascinerende videoclips, en daar geregeld de nationale media mee bereikt.

Terug naar de boekenoogst: voor wie geïnteresseerd is in NoordZuidverschillen signaleer ik uit 2020 ook graag nog Buurtaal van Miet Ooms (uitgeverij Sterck & De Vreese), en wie meer wil weten over taal en interculturaliteit kan terecht in Interculturaliteit en de geesteswetenschappen. Over grenzen, beelden en taal (uitgeverij Universtaire Pers Leuven), onder redactie van Idesbald Goddeeris, Nadia Lie en Stefania Marzo, waar uitvoerig over het Nederlands gesproken wordt. Bij dezelfde uitgeverij is afgelopen jaar ook het boek Taal en de wereld verschenen, samengesteld door Wim Coudenys. Het is de neerslag van een lezingenreeks aan de Antwerpse afdeling van de KU Leuven over toegepaste taalkunde. In die bundel heb ik vooral genoten van de bijdrage van Frieda Steurs, directeur van het Instituut van de Nederlandse Taal, die overtuigend laat zien dat taalkunde een buitengewoon belangrijk economisch veld vertegenwoordigt. De renaissance mag dan aflopen, en de taalkunde mag zich als discipline aan het heroriënteren zijn, dat betekent niet dat er geen werkgelegenheid is voor onze studenten. In die zin zou je kunnen zeggen dat de perceptie van de taalkunde als discipline niet strookt met het reële belang van taal.

Bibliografie

Hüning, Matthias (2012). Kroniek van de taalkunde 2010/11. Internationale Neerlandistiek 50 (1), 58-64.

Hüning, Matthias (2013). Kroniek van de taalkunde 2012. Internationale Neerlandistiek 51 (1), 60-68.

Van der Horst, Joop (2020). Bezorgd om het Cor-van-Bree-effect. Neerlandistiek, geraadpleegd op 24 januari 2021, https://www.neerlandistiek.nl/2020/01/bezorgd-om-het-cor-van-bree-effect/

Van de Velde, Freek & De Smet, Isabeau (2020). Twee nieuwe historische grammatica’s van het Nederlands. Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde (TNTL) 136 (2), 145-151.

Van de Velde, Freek & Van der Horst, Joop (te verschijnen, 2021). De taalwetenschap: een plaatsbepaling. Verslagen en Mededelingen van de KANTL.

Van Oostendorp, Marc (2020). Een taalkit zonder hamer. Neerlandistiek, geraadpleegd op 24 januari 2021, https://www.neerlandistiek.nl/2020/10/een-taalkit-zonder-hamer/

Over de auteur

Freek Van de Velde is onderzoeksprofessor van het Bijzonder Onderzoeksfonds en hoofddocent Nederlandse taalkunde en historische taalkunde aan de KU Leuven. Hij is verbonden aan de onderzoeksgroep kwantitatieve lexicologie en variatielinguïstiek.

E-mail: freek.vandevelde@kuleuven.be


© 2021 Amsterdam University Press

Koekiemonster
Flickr, Andress Kools CC BY-NC-ND 2.0

18 mei l 2021

door Freek Van de Velde
eveneens verschenen in
Neerlandistiek


Hand in eigen boezem:
de obsessie van de variatietaalkunde

Ik heb in Neerlandistiek wel eens iets van mijn verbazing laten merken over het feit dat een niet gering deel van de literatuurwetenschap, de zusterdiscipline van mijn eigen vak (taalkunde), een enorme interesse heeft ontwikkeld voor genderkwesties. Ik heb dat toen een “obsessie” genoemd, en in een adem gezegd dat ik me stoorde aan de moraliserende toon. Dat klonk onaardig. En dat was misschien ook wel niet zo aardig.

Ik ben twee dingen gaan doen. Ten eerste ben ik zelf ook naar gender gaan kijken, want het benieuwde me wel wat er nu zo interessant aan is. En ja, er valt wel een en ander over te zeggen. Op dit moment ben ik met collega’s data aan het verzamelen, en ik hoop daar op een later moment ook nog wel eens verslag van te kunnen doen. Ten tweede – en daar wil ik het vandaag over hebben – ben ik gaan nadenken of de taalkunde, en dan vooral de hoek waarin ik zelf aanrommel, ook niet haar obsessies heeft, die op bijvoorbeeld literatuurwetenschappers de beuzelachtige indruk maken dat we ons met het trimmen van steeds dezelfde bonsaiboompjes bezighouden.

Ogenschijnlijke chaos

Daar is misschien wel iets van waar. De variatietaalkunde heeft een dwangmatige interesse in wat met een technische term ‘alternanties’ heet. Denk aan: dat hij het boek gelezen heeft vs. dat hij het boek heeft gelezen (de zgn. rode vs. groene volgorde), groter als vs. groter dan, hij geeft z’n moeder bloemen vs. hij geeft bloemen aan zijn moeder (de datiefalternantie), hij zoekt de kat vs. hij zoekt naar de kat, vergeet niet te komen vs. vergeet niet om te komen, iets interessants vs. iets interessant, laten we gaan zwemmen vs. laat ons gaan zwemmen, waaide vs. woei, als hij ziek was vs. was hij ziek, het beste dat vs. het beste wat, in de asbak lagen twee peuken vs. in de asbak lagen er twee peuken, een soort bloempot vs. een soort van bloempot en nog veel meer. Meestal zijn het twee varianten die min of meer hetzelfde betekenen. Wat de variatietaalkunde dan doet, is nagaan of je een statistisch model kunt bouwen dat met een zekere mate van vertrouwen kan voorspellen welke variant gebruikt wordt, gegeven allerlei factoren, zowel ‘taalinterne’ als ‘taalexterne’ (dat wil zeggen ‘sociale’) factoren. Neem nu de fameuze ‘rode’ vs. ‘groene’ volgorde. Kun je voorspellen of iemand gedronken heeft of heeft gedronken zegt (of schrijft) als je weet welk hoofdwerkwoord (drinken, werken, zwemmen…) en welk hulpwerkwoord (hebben, zijn, worden…) er gebruikt is, hoeveel andere zinsdelen er nog in de zin staan, of het een krantenartikel is of een telefoongesprek, of de spreker/schrijver een man is of een vrouw, hoe oud die is, of het een Belg is of een Nederlander enz.?

Waar komt die, je zou kunnen zeggen, ziekelijke interesse vandaan? Allereerst is er natuurlijk de grote interesse van taalkundigen in variatie tout court: hoe meer talen, hoe meer vreugd. En dan gaat het niet alleen om wereldwijde taaldiversiteit, maar ook om dialecten, etnolecten, en registers binnen de eigen taal. Het komt erop aan patronen te vinden in de ogenschijnlijke chaos in taal. “Orderly heterogeneity”, in de woorden van de grondleggers van de discipline. Dat ga je stap voor stap doen: je probeert voor allerlei kleine alternanties de verklarende variabelen in de klem te krijgen.

Verknechting

Maar er is nog een andere factor: de methodologie. Het werkpaard van de variatietaalkunde is regressieanalyse. Die neemt meestal de vorm aan van een logistische regressie, die de kans voorspelt dat je kiest voor een binaire uitkomst, A of B, – een alternantie dus. Het grote voordeel van deze techniek is dat die veel variabelen tegelijk aan kan, en het specifieke verschil van elk van die variabele kan nagaan, terwijl de andere vastgezet worden. Zo kun je vermijden dat je bijvoorbeeld een leeftijdsverschil onterecht als een verschil in geslacht interpreteert omdat je toevallig meer oudere mannen hebt en jongere vrouwen in je steekproef. Je kunt er ook ‘interactie-effecten’ mee meten: de impact van leeftijd is misschien niet hetzelfde in beide geslachten, bijvoorbeeld geen verschil tussen jongens en meisjes, maar wel tussen oma’s en opa’s. Nog een voordeel: je kunt zowel numerieke variabelen invoeren, bijvoorbeeld leeftijd, als categorische variabelen, die geen specifieke rangorde hebben, zoals bijvoorbeeld België vs. Nederland. De techniek is verder ook geschikt om diachroon verloop na te gaan.

Zelf vind ik het allemaal prachtig onderzoek, waar veel knowhow bij komt kijken, en waar ook diepe theoretische vragen mee aangeboord kunnen worden. De omwenteling is wat mij betreft vergelijkbaar met wat Antoni van Leeuwenhoek teweegbracht toen hij de microscoop optimaliseerde. Je ziet plots veel scherper, en het heeft iets magisch om taalinterne verschijnselen in verband te kunnen brengen met de buitenwereld. Of om een historisch verloop te zien dat beantwoordt aan wiskundige regelmaat.

Maar in momenten van zelftwijfel denk ik dat de interesse in binaire alternanties (A vs. B) ook gewoon te maken heeft met de populariteit van deze methode. Het voordeel is evident: je krijgt zorgvuldig opgezette, falsifieerbare onderzoeken, die een hoge mate van objectiviteit hebben, en zo gemakkelijker het stempel van ‘echte wetenschap’ krijgen. Er is ook een schaduwzijde: hoe meer de taalkunde inzet op statistiek, hoe groter de kans dat fenomenen die zich minder gemakkelijk laten beschrijven met de statistische apparatuur, in de marge terechtkomen. Voor het Oudnederlands is het materiaal zo schaars dat regressie niet altijd goed werkt. De statistische technieken lijken vaak een beetje op Koekiemonster van Sesamstraat: heel hongerig, en er gaan bij het eten kostbare kruimels verloren. Die verspillende luxe is er soms niet. En zelfs als je veel data hebt, zijn er ook fenomenen die zich niet zo eenvoudig laten beschrijven in termen van óf A óf B. Het dictaat van de methodologie is een angstaanjagende gedachte: we zijn als menselijke onderzoeker nog niet uitgerangeerd door kunstmatige intelligentie, maar hier zien we toch iets wat je met enige bezorgdheid zou kunnen zien als de verknechting van de onderzoeker door zijn eigen werktuigen.

© Museum Boijmans Van Beuningen
Pieter Bruegel I, De toren van Babel, ca. 1565, olieverf op paneel, vervorven met de verzameling van: D.G. van Beuningen 1958

28 april 2021

Taal is zeg maar ons ding[1]

Wat een ophef op het taalfront de voorbije dagen! Het zat en zit er bovenarms op[2]. ‘De dt-regel op de schop!’ en de ANS als kop van jut: “Met groter als is de Nederlandse grammatica de doodsteek toegebracht!” (De Volkskrant).

Zo’n vaart hoeft het en zal het ook wel niet lopen. Opvallend in al de discussies die ik gehoord en gelezen heb, is de voortdurende perspectiefwissel: nu eens vanuit het standpunt van een docent creatief schrijven, dan weer van een verstokte taalpuritein of van iemand die er genoegen in schept om op een taalwebsite anderen uit te schelden.

Er moet mijns inziens een onderscheid gemaakt worden tussen spelling als onderdeel van een communicatieve tekst en spelling als systeem. Effectieve en efficiënte communicatie voldoet aan vier eisen: ze is duidelijk, gepast, aantrekkelijk en correct. Correct betekent hier: grammaticaal correct, met een correcte woordkeuze en correct gespeld. Een dt-fout kan, maar zal zelden tot communicatieve verwarring leiden en staat dus het duidelijk overbrengen van de boodschap niet in de weg. Dat een leerling die pakweg vijf kenmerken van de romantiek moet opsommen, dat perfect doet, maar daarbij twee dt-fouten schrijft slechts een 3 op 5 krijgt, is volgens mij een aanfluiting van goed evalueren. Deze visie is ook gedeeltelijk de bedoeling achter de policy van de Universiteit van Hull (UK). Als je evalueert, moet je meten wat je beoogt te meten. In casu: of de leerling vijf kenmerken van de romantiek kan weergeven. Uiteraard moet je daarbij blijven hameren op de inspanningsverplichting om het systeem zo goed mogelijk te beheersen en om progressie te maken.

Iets anders is het wanneer het de spelling als systeem betreft, zoals bij het Groot Dictee der Nederlandse taal. Dan gaat het om spellingprincipes en spellingregels. Die zijn voorgeschreven en dus te volgen, al is het maar omdat we, wanneer we drie teksten lezen van drie verschillende auteurs niet willen geconfronteerd worden met drie verschillende schriftbeelden (bv. hij wordt, word en wort). Wie de dt-regel loslaat, zet de doos van Pandora open. Ook de kwestie ij/ei, en ao/ou is lastig en of het carrosserrie, caroserie, carroserie, caroserrie of nog wat anders is, maakt dan allemaal niks meer uit.

Hier komen we tot een ander punt. Spelling is niet eenvoudig. Een deel van de spelling is leerbaar en een deel is opzoekbaar. Hoe meer iemand geleerd heeft, hoe minder hij/zij moet opzoeken. Wie een correcte tekst nastreeft, kan zijn doel niet bereiken zonder een goede attitude. Wie iets niet weet of twijfelt, moet de attitude ontwikkelen om woordenlijst.org of Het Groene Boekje te raadplegen.

In De afspraak van 19 april 2021 stelde auteur Kristien Hemmerechts dat correct spellen tijdens het schrijfproces remmend kan werken. We kunnen ons inderdaad best voorstellen dat je tijdens het schrijfproces geen zin hebt om je gedachtestroom te onderbreken om de correcte spelling van een woord op te zoeken. Akkoord dus met Hemmerechts, tenminste tot op zekere hoogte. Wie een tekst schrijft, schrijft die eerst op het macroniveau (met aandacht voor inhoud, structuur …), reviseert daarna op mesoniveau (zinsbouw …) en ten slotte op microniveau. En op dat niveau heb je met spelling en interpunctie te maken. Op het ogenblik dat je aan het redigeren van je tekst toekomt, ga je je tekst verfijnen door ook de spelling op punt te zetten. Dat was vermoedelijk ook de achtergrond van de vraag van Phara de Aguirre aan Hemmerechts of zij ook fouten in haar boeken schreef.

Het tweede hot issue, de kwestie met de ANS, is dan weer van een andere orde. Je kunt taal prescriptief benaderen: er is de regel en het gebruik richt zich naar de regel. Dat is een statische kijk op taal, die taalevolutie negeert en die leidt tot juist-foutdenken annex rodebalpennenfetisjisme. De andere aanpak is de descriptieve. Hier richt de regel zich naar het gebruik. Deze benadering is dynamisch en gangbaar bij hedendaagse linguïsten.

Taal evolueert, zoals we weten, niet alleen op het vlak van woordenschat, maar ook op gebied van grammatica. Woordenschatevolutie is onmiddellijk zichtbaar. De kranten bulken dagelijks van de neologismen. Wat evolutie van de grammatica betreft, gaat alles veel langzamer. Een grammaticale verandering komt slechts in de taalboeken op het moment dat ze voltooid is. Meestal stuit ze ook op een pak weerstand. Naast de norm en het gebruik speelt namelijk nog een derde factor een essentiële rol: het gevoel. Deze derde factor is de reden waarom bv. een wending als ‘hun zeggen’ in Nederland wel een draagvlak vindt, maar veel minder of niet in Vlaanderen, waar er zelfs een soort van aversie voor is.

De ‘groter dan/groter als’- kwestie, waarmee de ANS opschudding veroorzaakte, is van dubieuze aard. In De Groene Amsterdammer schreef Jan Stroop al in 2004- de kwestie beroert dus al ettelijke tijd de taalkundige gemoederen: ‘In het Middelnederlands kwamen de vormen groter dan en groter als al naast elkaar voor, voor een deel als synoniemen. Bij Vondel en Huygens, om maar eens twee taalvirtuozen te noemen, vind je net zo vaak als als dan: «Zoo waert ghy door dien raet niet schuldiger als zy» (Vondel); «Doodt zijn en is niet meer als een quaed leven derven» (Huygens).

Tot op een bepaald moment een horde taalkundigen besloot dat ‘groter als’ fout was en ‘groter dan’ correct. Charivarius, die in 1909 startte met een taalrubriek in De Amsterdammer (vanaf 1925 De Groene Amsterdammer geheten) schreef al meer dan een eeuw geleden: ‘In de omgangstaal gebruikt men in plaats van dan meestal als. Maar ook bij goede schrijvers, klassieke en moderne vindt men de verwisseling. Het verdient echter aanbeveling zich in schrijftaal aan de regel te houden.’ En laat dat nou precies zijn wat ook de ANS zegt. Het gaat over het taalregister. Je kunt perfect groter als gebruiken in informele contexten zonder dat je het gevoel hebt een taalerfzonde begaan te hebben, maar in de schrijftaal blijft groter dan tot nadere order de voorkeur dragen.

Tot slot de hun-kwestie. Het onderscheid tussen ‘hen’ en ‘hun’ is verzonnen door Christiaen van Heule in zijn boek ‘De Nederduytsche grammatica ofte spraec-konst’ (1625). Het is, anders gezegd een kunstmatig ingevoerd onderscheid omdat Van Heule vond dat het Nederlands net zoals het Latijn en Grieks naamvallen moest hebben. In het verlengde daarvan stelde P.C. Hooft zelfs voor om naast hem (accusatief) de vorm ‘hum’ als datief in te voeren. Dit voorstel heeft het (gelukkig) niet gehaald. Anders zat de ANS vandaag wellicht nog meer in de nesten.

Waarom lokt dit alles dan zovele heftige reacties uit? Misschien realiseren we ons niet zo graag dat we in onze schooltijd (te) veel tijd besteed hebben aan communicatief irrelevante en contraproductieve details.

Trouwens, als het een troost mag wezen, in 2030 kraait er geen haan meer naar als we groter als zeggen en accepteren we waarschijnlijk in navolging van het Engelse ‘He’s taller than me’ ook ‘Hij is groter als mij’ als informele variant. Dat hoor ik namelijk bij jonge mensen steeds vaker dan het voorlopig nog enige correcte ‘Hij is groter dan ik.’

José Vandekerckhove

[1] Dit artikel verscheen eerst op knack.be

[2] Verklaring voor Nederlandse lezers:

“het zit er bovenarms op er wordt flink geruzied/gevochten

• Het zit er weer bovenarms op over het vliegtuiglawaai, op enkele maanden van de verkiezingen. (De Standaard)” geciteerd uit: Permentier, Ludo & Rik Schutz, Typisch Vlaams. 4000 woorden en uitdrukkingen. Leuven, Davidsfonds, 2015.

Zie ook https://www.dbnl.org/tekst/_nee003200301_01/_nee003200301_01_0061.php

© Stefan Verwey, uit de Volkskrant

30 maart 2021

Spelling en onderwijs

Leerkrachten in de eerste graad secundair onderwijs: ‘Leerlingen leren niet meer spellen in het basisonderwijs.’

Leerkrachten in de tweede graad secundair onderwijs: ‘Leerlingen leren niet meer spellen in de eerste graad.’

Leerkrachten in de derde graad secundair onderwijs: ‘Leerlingen leren niet meer spellen in de tweede graad.’

Docenten in het hoger onderwijs: ‘Leerlingen leren niet meer spellen in het secundair onderwijs.’

En zo schuiven leerkrachten en docenten de zwartepiet naar elkaar toe in de volle overtuiging dat leerlingen slechte spellers zijn, dat zij als leerkracht of docent alles doen wat in hun macht ligt om dit euvel te verhelpen, maar dat de voorkennis van de leerlingen of studenten zodra ze bij hen op cursus komen gewoonweg niet voldoet. En daar kunnen zij behalve remediëren niets aan doen. Wat gebeurd is, is gebeurd. Als men in een eerdere onderwijsfase zijn gat verbrandt, moet men in een volgende op de blaren zitten.

En er is meer! Met de regelmaat van een klok verschijnen in kranten en tijdschriften artikels over het achteruitgaan (het verval?) van de spellingvaardigheden bij jonge mensen. Deze perceptie is bovendien veel minder recent dan we plegen te denken. In 1646 al schreef PC Hooft in een brief aan zijn zoon Aernout: ‘Ghy doolt dikwijls in ’t spellen van uw Neederduytsch. Let op het mijne; en volght ‘t.’

Er is dus blijkbaar in een tijdspanne van 375 jaar heel weinig veranderd. Ik vermoed in alle bescheidenheid dat er in de ‘Leydse Courant’ van toen ook geregeld steen en been geklaagd werd over het bedroevende spellingniveau van jonge mensen in pofbroek en pofmouwen.

Er werpen zich bij deze toestand heel wat vragen op:

Worden jonge mensen inderdaad steeds maar dommer en gaat de spellingvaardigheid generatie na generatie zienderogen achteruit?

Ligt het misschien niet aan de jonge mensen zelf, is de spelling misschien überhaupt niet leerbaar?

Moet de spelling niet hoogdringend sterk vereenvoudigd worden?

Op die en andere vragen ga ik hier niet in. Ik ga wel bondig in op een aantal vragen van een andere orde:

Voldoet de didactiek van het spellingonderwijs?

Hoe groot is het belang van spelling bij effectieve en efficiënte communicatie?

Aan studenten Nederlands aan de Specifieke Lerarenopleiding van de UGent en de KU Leuven gaf ik destijds tijdens een seminarie over spelling een dictee. Hier volgt een zin eruit: “Bij het rococoraam weidde een Zuid-Hollandse auteur uit over zijn geraffineerd toptienboek ‘Een guerrillaleider verliefd op een in de jaren 50 geattaqueerde carrouseleigenaar”’ De meesten van de studenten scoorden minder dan 50% op het dictee.

Gaf dat dictee me enig inzicht in de spellingvaardigheid van de studenten? Helemaal niet, het kon hooguit mijn latente drang naar cynisme blootleggen. Aan de andere kant had het dictee voor die studenten echter ook zijn nut. Het kon hun duidelijk maken dat ze in een schoolcontext met leerlingen te maken hebben die bij lange niet hetzelfde niveau hebben als zijzelf, die nog een lange weg te gaan hebben en die altijd maar opnieuw didactische ondersteuning nodig hebben.

Ik zou hier dan ook een lans willen breken voor een deugdelijke en doordachte spellingdidactiek die de Nederlandse spelling voor leerlingen toegankelijk en hanteerbaar maakt en die de leerbaarheid ervan combineert met de attitude ‘als je het niet weet, zoek het dan op’. Ik zou bovendien ook een lans willen breken voor een aanpak die schoolbreed en in het kader van taalbeleid vakoverschrijdend is, waarbij correct spellen niet in de niche van het schoolvak Nederlands geduwd wordt.

In een professioneel verleden woonde ik als pedagogisch begeleider een les bij in een vijfde jaar tso. Het ging over spelling, meer bepaald over het koppelteken. De leerlingen kregen een lijst met 50 correct gespelde voorbeelden (auto-ongeval, een bijna-doodervaring, zee-eend …) Op een tweede blad kregen ze 18 spellingregels in verband met dat koppelteken. Die lijst bevatte termen zoals ‘aardrijkskundige naam, samengesteld woord, samenkoppeling, drieledige samenstelling’. De meeste leerlingen zagen het leven gedurende die vijftig lesminuten duidelijk minder rooskleurig in. Dat was tenminste mijn conclusie toen ik de wanhopige blik in hun ogen zag. Oh ja, als lezer van dit artikel heb je nog de opgave te goed. Hier komt ze: ‘schrijf het nummer van de passende regel naast het correct gespelde woord (bv. naast zee-eend kwam 5). Hallucinant, maar waar. Toen ik na de les met enkele leerlingen sprak, wist ik dat ze die ochtend beter een uurtje langer geslapen hadden.

Wie als leraar spelling bijbrengt, hoort veel minder op regels en veel meer op strategieën in te zetten, bijv. op de zo belangrijke analogiestrategie. Werkwoorden spellen wordt een stuk eenvoudiger als je de leerlingen met analogie laat werken. Zo wordt ik heb ge/delete/t plotseling veel minder vreemd als je de vorm naast ik heb ge/werk/t plaatst.

Spelling is een topic op zich dat tot de taalkunde behoort. Spelling is voor leerlingen echter voornamelijk functioneel als een onderdeel van schrijfvaardigheid. Wie teksten schrijft, heeft meestal de bedoeling te communiceren. Goede communicatie is efficiënt en effectief. Ze voldoet aan vier criteria: ze is duidelijk, correct, gepast en aantrekkelijk. Ik beklaag leerlingen en studenten die ook in de eenentwintigste eeuw nog een leerkracht of docent hebben met een rodebalpenverslaving. Ik heb meer dan eens een tekst die wat duidelijkheid, gepastheid, aantrekkelijkheid en inhoudelijke correctheid meer dan voldoende was, als onvoldoende gequoteerd zien worden omdat er bijv. pakweg een vijftal dt-fouten in stonden en weet-je-wel : ‘per fout minus één’. Hadden die leerlingen hun tekst mogen voorlezen in plaats van hem schriftelijk te moeten inleveren, hadden ze gegarandeerd 5 punten meer gehad, want op hun onzuivere ‘aa’, hun ‘vies’ in plaats van ‘vis’, hun ‘hieten’ in plaats van ‘gieten’ was met zekerheid niet gelet geweest.

Begrijp me niet verkeerd! Ik ben volledig overtuigd van het belang van correct spellen, maar dan wel van het relatieve belang ervan. Voor wie taal als een communicatiemiddel beschouwt, is taal namelijk veel meer dan spelling. En dat lijken velen, zowel mensen binnen het vak als in de buitenwereld, te gemakkelijk (of te bereidwillig) te vergeten.


José Vandekerckhove

22 maart 2021

YO, RECTORMAN! – EEN NIEUWE VOCATIEF?

Henk Wolf

(ook gepubliceerd in Neerlandistiek)

Naamvalsvormen verdwijnen uit het Nederlands, langzaam maar zeker. Boeken over taalgeschiedenis laten daar geen twijfel over bestaan. De derde en vierde naamval zijn in het Nederlands al bijna helemaal samengevallen tot een niet-onderwerpsnaamval, met Hun lopen, Da doet hem nie en Ons bin zunig wordt ook gewerkt aan een samenvallen van die niet-onderwerpsnaamval met de onderwerpsnaamval, en de tweede naamval lijdt een kwijnend bestaan in het formeelste register van het Nederlandse taalorgel.

Dat er ook naamvalsvormen bij komen, dat is minder bekend. Om dat uit te leggen moet ik kort aangeven waarnaar ik met de term naamvalsvorm verwijs. Die term slaat op een herkenbare vorm die samenhangt met de functie van woorden in de zin (bijvoorbeeld onderwerp of lijdend voorwerp), met de betekenis van die woorden (bijvoorbeeld een bezitsbetekenis) of met de plaats ervan (bijvoorbeeld na een voorzetsel).

Ik heb (niet als enige) weleens betoogd dat je in Jan z’n fiets het stukje Jan z’n prima als één woord kunt beschouwen. Het stukje z’n doet daarin hetzelfde als de tweedenaamvalsuitgang -s in Jans fiets. Alle reden om Jan z’n als een vorm van het woord Jan te beschouwen die een bezitsbetekenis uitdrukt – en dus een naamvalsvorm.

Onlangs kwam ik het hierboven doorgelinkte stripverhaaltje tegen, een aflevering uit de serie Dirkjan. Het jongetje Sanders spreekt daarin de rector van z’n school aan. Dat doet ie met de woorden Yo, rectorman! Dat is op twee manieren frappant:

Als eerste: in heel wat oudere grammaticaboeken worden vormen van de naamval die we vocatief noemen ingeleid met het woordje O. Fervente Asterixlezers herkennen het overdreven gebruik van dat vermoedelijk aan het Latijn ontleende woordje wel uit de weliswaar Nederlandse, maar toch wat Latijns gekleurde dialogen tussen de Romeinen. Als iemand bij z’n naam of functie wordt aangesproken – de functie die door de vocatief wordt uitgedrukt, gebeurt dat in de vorm ‘O Caesar!’ of ‘O centurion!’ Het Yo van Sanders lijkt daar in zowel vorm als gebruik erg op.

Als tweede: het woord rectorman, zelfs in de spelling als één woord weergegeven, heeft een vorm die beperkt blijft tot de vocatieve functie van rector. Ik neem althans aan dat Sanders niet zou zeggen: ‘De rectorman wil me zien’ of ‘Ik ga naar de rectorman toe’. Het toevoegen van het achtervoegselachtige -man aan een woord markeert de vocatieve functie. En dat maakt rectorman een naamvalsvorm van rector.

20 maart 2021

Lentegedicht

Wanneer de koe koekt in de bomen,

de me relt in het groen,

de wal vist op het staketsel,

en de hage dist langs de kant van de weg.

Wanneer de kro kust achter de haag,

de jas mijnt in de voortuin,

de pape gaait uit volle borst,

en de leeuwe rikt als nooit voorheen.

Wanneer de pa pavert als een tiener,

De nar cist ‘ik hou van jou’,

De se ringt de vinger van haar bruidegom,

En de i rist van plezier.

Wanneer de nachte gaalt als een sirene,

De kroko dilt als een klaroen,

De oli fant als een trompet,

En de ane moont als van ouds.

Dan is het twintig maart,

Dan is het lente!

Op een windluwe zaterdag,

Op een veerboot aan zee.


José Vandekerckhove

11 maart 2021

HEB JE GEEN DORST?

In 2009, kort na verschijnen van de Nederlandse vertaling, kocht ik De tas van de leraar van de Japanse schrijfster Hiromi Kawakami. Sinds Murakami hou ik van Japanse literatuur. Ik heb het boek pas nu gelezen. Coronatijden baren leestijden. Het bevalt me heel erg. Het is stilistisch top, inhoudelijk interessant en het heeft, zoals dat vaak met romans het geval is, mijn taalkundige ziel uit de lethargie gehaald.

Op pagina 22 lees ik: ‘Heb je geen dorst?’ vroeg Sensei. We noemen dit een ontkennende vraag en dat type van vragen roept steevast zelf een vraag op: hoe moet je daarop antwoorden?

Vanuit de wiskunde weten we dat twee keer negatief positief is. We passen dit principe toe: wanneer je met ‘neen’ antwoordt op ‘Heb je geen dorst?’, zeg je wiskundig eigenlijk: ‘Ja, ik heb dorst.’ Wanneer je met ‘ja’ antwoordt, heb je geen dorst. Eenvoudig is anders.

Taal en zeker taalgebruik is echter geen wiskunde. In de taalwerkelijkheid betekent het antwoord ‘neen’ op de vraag ‘Heb je geen dorst?’, ‘neen ik heb geen dorst’ en ‘ja’, ‘ja ik heb wel degelijk dorst’.

In het dagelijkse leven beantwoord je de vraag ‘Heb je geen dorst?’ dus precies op dezelfde manier als de vraag ‘Heb je dorst?’. Met andere woorden: je past je antwoord aan de bedoeling van de vraagsteller aan. Die wil namelijk weten of hij al dan niet met water, fris of alcohol klaar moet staan. De vraag ‘Heb je geen dorst?’ is in deze optiek een puur informatieve en neutrale vraag.

Door ‘geen’ aan de vraag toe te voegen kan de vraag puur informatief blijven, maar evenzeer kan ze dat niet. ‘Geen’ kan de vraag minder neutraal en een stuk subjectiever maken. De vraag kan afstappen van het puur referentiële en de deur openen voor een streepje modaliteit. Door ‘geen’ aan de vraag toe te voegen, kan de vraagsteller iets over zichzelf uitdrukken.

Laten we dit verder bekijken aan de hand van een parallel voorbeeld. Het is makkelijker om voorbeelden te geven met spijs dan met drank: ‘Heb je geen honger?’

Stel je de volgende situatie voor: zoon of dochter laat het bord met eten onaangeroerd. Dan houdt de modale vraag ‘Heb je geen honger?’ in dat je iets uitdrukt over je zelf. Dat had je helemaal niet verwacht. Je bent verrast. Misschien heb je een paar uur in de keuken aan de maaltijd gewerkt en zint het je niet. Of misschien is het een repetitief gebeuren, erger je je en ben je mateloos misnoegd of bezorgd omdat je anorexia vermoedt. Of misschien ga je de verwijtende toer op en bedoel je: ‘je hebt je weer volgepropt met chips zeker’.

Ontkennende ja/nee-vragen – ook wel twijfelvragen genoemd – zijn taalkundig heel interessant en ook heel complex.

Een paar andere voorbeelden om dit te onderstrepen. Wat vang je aan met de volgende situatie: een moeder vraagt haar zoon: ‘was je vandaag niet op school?’ Wat betekenen ‘ja’ en ‘neen’ als antwoord op die vraag?

En wat met een leraar die dezelfde vraag , maar dan ironisch bedoeld, stelt aan een leerling die de hele dag als een zombie in de klas gezeten heeft en op het einde van de les van toeten noch blazen weet?

Als je puur informatie wilt, vraag je in plaats van ‘Heb je geen dorst?’ beter: ‘Wil je soms iets te drinken?’. Dat is duidelijker.

En als die twijfelvraag dan toch gesteld wordt, kun je als dorstige aangesprokene zelf de dubbelzinnigheid ervan opheffen door bijvoorbeeld met ‘ja, hoor’ ,‘toch wel’, te antwoorden. In het Frans antwoord je in een dergelijk geval met ‘Si’.

In het Duits vind je vergelijkbare situaties. Op de vraag: ‘ Gehst du nicht nach Hause?’ antwoord je met ‘doch’ (niet ‘ja’) of met ‘nein’.

En wat doe je met de vraag: ‘Heeft helemaal niemand hem met zijn verjaardag gefeliciteerd?’ Antwoord je dan: ‘Ja, helemaal niemand’ of ‘Nee, helemaal niemand’?

Je zou warempel er dorst van krijgen. Proost!

José Vandekerckhove

5 maart 2021

Wie De Morgen leest, kent ongetwijfeld Stijn De Paepe, modern rederijker die dagelijks in de krant het nieuws in versvorm becommentarieert.

Vandaag, vrijdag 5 maart, is dit het ‘dagvers’. Verser kan een vers wellicht niet zijn.

Buiten alle verwachtingen

Zolang men matig spuiten kan,

U naar uw vrijheid fluiten kan,

zijn VDB, De Croo en co,

druk doende met een ‘buitenplan’.

Een buitenplan! Wat zou dat zijn?

Muziek op straat? Toneel op ’t plein?

Een wellnesskuur van kunst? Cultuur?

Een land is méér dan sportterrein.

Rederijkers waren amateurdichters en voordrachtkunstenaars die zich vanaf de late middeleeuwen in gilden organiseerden. Ze hielden zich vaak en veel bezig met het schrijven van poëzie. Hun voorkeur ging naar complexe dichtvormen met herhaling van versregels, en rijmklanken, waarmee ze hun meesterschap, hun metier wilden etaleren. Vorm en taalbeheersing stonden centraal. Ze droegen hun gedichten op aan de ‘prins’, een soort voorzitter van een rederijkerskamer. Ze speelden in veel steden ook een belangrijke rol bij feesten en plechtige gebeurtenissen, en waren in die zin een soort stadsdichters avant-la lettre.

Nemen we om te beginnen even de eerste strofe van ‘Buiten alle verwachtingen’ onder de loep.

Alles rijmt netjes volgens het rijmschema aaba. Meer nog, de strofe bevat ook drie keer een dubbelrijm (spuiten kan, fluiten kan, buitenplan)

Verder is er het over de vier versregels uitgesponnen enjambement en wordt de strofe opgefleurd met een aantal alliteraties (men matig/ druk doende en misschien ook u en uw), een stijlfiguur waarvan Guido Gezelle zei: Stafrijmen zijn stapstenen waarop men steunt met de stemme. Om het geheel nog weelderiger en barok te maken, huist er ook nog een binnenrijm (De Croo en co).

Strofe twee wordt gekenmerkt door vraagzinnen, vijf in totaal. Ook hier tref je het rijmschema aaba (of ccdc als je wilt) aan en daarnaast nog een dubbel binnenrijm (kuur, kunst, cultuur), bovendien in de vorm van een chiasme of kruisstelling (uu-u/u-uu) gegoten.

Wie wil, kan het dagvers beluisteren en als je dat doet, valt het meteen op dat heel het gedicht in jambische vorm geschreven is. Het bestaat uit versvoeten van twee lettergrepen met eerst een onbeklemtoonde en dan een beklemtoonde lettergreep. Vandaar ook de keuze voor ’t plein in plaats van het plein (regel 6). De enige keer dat het een klein beetje mank loopt, is bij ‘Wat zou dat zijn?’, waar je de klemtoon op ‘wat’ verwacht, terwijl hij prosodisch op ‘zou’ valt. Maar dit is kniesorigheid, kommaneukerij, muggenzifterij en vitterig zeurderschap.

Samengevat: Stijn De Paepe is een rederijker ‘reborn’, die met verve het laatmiddeleeuwse meesterschap op een eenentwintigse-eeuwse manier nieuw leven inblaast, en die niet alleen voor een ‘prince’ schrijft, maar voor iedereen die hem lezen wil. Dagvers dan nog!

José Vandekerckhove