(18 augustus 2025)
Lieke van Deinsen
Mathijs Sanders
Sandra van Voorst
Uitgeverij Kleine Uil Educatief
ISBN 9789493323902
200 pp.
€ 37,50
In de reeks Basisboek van Uitgeverij Kleine Uil Educatief verscheen na het eerder besproken Basisboek Moderne letterkunde en Basisboek Literatuur nu het Basisboek letterkundig onderzoek.
Het boek is in ruime zin bedoeld voor iedereen voor wie het lezen van literatuur niet bij het lezen stopt, maar wie zich vragen stelt bij de gelezen tekst en onderzoek wil doen. Hoodzakelijk zijn dit uiteraard, in verengde zin, studenten literatuur en mensen die echt met literatuur bezig zijn, mensen met voorkennis dus, zowel van hedendaagse als historische literatuur. Het boek biedt aan deze lezers een methode die bestaat uit begrippen, modellen en procedures.
Het boek bestaat uit vier hoofdstukken. De achterliggende steunpilaar van het hele boek werd ontleend aan The Mirror and the Lamp: Romantic Theory and the Critical Tradition van M.H. Abrams (1953). Het vierpolenmodel (Wereld-Werk-Auteur-Lezer) geldt nog altijd als standaard aan veel universiteiten.
In haar essay Van waardeoordeel tot literatuuropvatting in De Gids. Jaargang 142 (1979) voegde H. T. Boonstra er nog een vijfde pool aan toe.
De door Boonstra toegevoegde pool (andere literaire werken van andere auteurs of van de auteur zelf) staat niet expliciet op de afbeelding (p. 96 in het boek), maar speelt wel voortdurend mee, zeker ook in de besproken romanvoorbeelden zoals Het lied van ooievaar en dromedaris (2022) van Anjet Daanje dat gelinkt wordt aan Wuthering Heights van Emily Brontë.
Hoofdstuk 1: Inleiding letterkundig onderzoek loopt van p. 11 tot 31. Hierin gaat het onder andere over de vragen ‘Wat is literatuur?’ en ‘Wat is letterkunde?’. Vervolgens worden de zes fasen van het onderzoek uitgerold. Het begint bij verwonderen. Aristoteles stelde immers dat elke kennis begint met verwondering en dat geldt nog altijd onverminderd. Op verwonderen volgt de fase van het verkennen. Het boek vermeldt heel wat bronnen waar primaire en secundaire ‘verkenningsliteratuur’ gevonden worden kan. De derde fase is het ontwerpen, een fase die resulteert in het opstellen van een onderzoeksplan. Volgen nog: uitvoeren, concluderen en presenteren. Deze laatste fase valt buiten het bereik van het boek.
Hoofdstuk 2 (p. 33-68) draagt als titel: ‘Het literaire werk’. In dat deel wordt er ingegaan op drie manieren van interpretatie van een literair werk: reconstructie, constructie en deconstructie. Interessant is zeker ook het onderdeel over intertekstualiteit waarin relaties tussen literaire werken onderling, literaire werken en genres en literaire werken en ideologie onderzocht worden. Heel het hoofdstuk door wordt er naar concrete voorbeelden verwezen zoals naar Tom Lanoyes ReinAard. Er is ook aandacht voor hertalingen (bv. Lucifer) en adaptaties (bv. Max Havelaar).
Hoofdstuk 3 (p. 71-110) gaat over ‘De literaire auteur’. Hier trok o.a. het analysemodel van M.H. Abrams mijn aandacht. Hoofdstuk 3 is, zoals het hele boek trouwens zeer mooi en functioneel geïllustreerd. Die illustraties geven de lezer ook wat ademruimte in een boek dat toch wel op een hoog niveau geschreven is.
Het vierde en laatste deel (p. 113-151) behandelt ‘De literaire wereld’. Op pagina 122 staat een duidelijk schema van het literaire veld, situatie in 2026. Heel interessant in dit deel vond ik ook de stukken over receptieonderzoek en empirisch lezersonderzoek.
Het boek sluit af met een checklist voor onderzoeksplan, een selectieve bibliografie, een personenregister en een trefwoordenregister.
Dit is zonder meer een puik, overzichtelijk, attractief en doordacht werk van de auteurs, respectievelijk historisch letterkundige aan de KUL Leuven, hoogleraar Moderne Nederlandse Letterkunde aan de RUG en modern letterkundige aan de RUG.
Is het bruikbaar voor wie met Nederlands in het onderwijs bezig is? Ik kan hier categoriek ‘ja’ op antwoorden. Dit boek is een waardevolle en misschien zelfs bijna onmisbare aanwinst voor de educatieve en didactische boekenverzameling van neerlandici.
Ik zie daarnaast nog een andere groep mensen voor wie Basisboek Letterkundig Onderzoek van belang en nut kan zijn. Overal te lande in Vlaanderen en Nederland rijzen leesclubs uit de grond. Wie zo’n leesclub begeleidt, zal ongetwijfeld meer beslagen ten ijs komen wanneer die dit boek bij de hand genomen heeft.
José Vandekerckhove