(7 september 2026)
José Vandekerckhove
Uitgeverij Pelckmans
ISBN 9789465305738
352 pp.
€ 24,50
Iets meer dan tien jaar geleden publiceerde José Vandekerckhove Rechts is waar de duim links staat. 33 tinten taal, 33 beschouwingen over het Nederlands en over taalgebruik. Een boek voor taalliefhebbers waar het plezier in taal vanaf spat. Nu is er van zijn hand een in alle opzichten waardige opvolger verschenen, Taal op de rooster. 101 vragen aan het Nederlands.
José Vandekerckhove kruipt hier opnieuw in de rol van een gepassioneerd taalliefhebber die lezers en toehoorders rijkelijk in zijn taalplezier laat delen. U herkent dat vast ook in de trefzekere, vaak humoristische en bescheiden wijze waarop hij immer inspirerende sprekers introduceert in de stroom Taal- en Letterkunde van de Onderwijsconferentie HSN. Dan is hij nog onder veel meer auteur van talrijke schoolboeken Nederlands en Duits.
Taal op de rooster is een fraai uitgevoerd, kloek boek geworden van ruim driehonderd bladzijden. Een doordacht visueel ontwerp toont de 101 vragen op de omslag; ook aan het binnenwerk is veel zorg gegeven met een heldere inhoudstafel, een leeswijzer om het boek op drie manieren te lezen (lineair, naar goesting en naar taalkundig thema, waarvoor dan achterin een schematische leeswenk is toegevoegd). Een lijst met 45 geraadpleegde boeken en artikelen, en een lijst met veel geraadpleegde internetbronnen maken het boek compleet. Om de lezer visueel te gidsen, is de opmaak functioneel ingezet: theoretische uitleg staat in lichte gedeeltelijk open kaders terwijl de tekstdelen met persoonlijke inslag grijs zijn gemarkeerd. De 101 vragen vormen de kapstok om een aspect van het Nederlands op een toegankelijke manier te belichten, ‘waarbij de knipoog nooit ver weg is’ zoals de achterzijde van het boek treffend vermeldt. De 101 vragen krijgen een antwoord, variërend in lengte, van één enkele bladzijde tot twaalf bladzijden voor de uitsmijter, vraag 101 ‘Hoe ziet het Nederlands van overmorgen eruit’.
Hoe bespreek je nu zo’n boek? Kan ik een uitweg vinden uit het dilemma van de recensent: de lezer overtuigen van de kwaliteit van de leeservaring zonder al te veel van de inhoud prijs te geven? Ik poog dat te doen door naar niet meer dan drie van de 101 vragen expliciet te verwijzen — vragen die mij persoonlijk raakten en die een goed beeld geven zonder te veel te verklappen. Andere lezers zullen bij de overige vragen ongetwijfeld vergelijkbare ervaringen hebben.
De titel van het boek is bijzonder doordacht en verenigt fijnzinnig verschillende functies. Hij trekt de aandacht, is een korte aanduiding van de inhoud en is zelf een prachtig voorbeeld van een taalverschijnsel dat vragen oproept. Want waarom 'op de rooster' en niet 'op het rooster'? Beide lidwoorden zijn mogelijk. Je zou kunnen veronderstellen dat de keuze voor ‘de’ in het Standaardnederlands in België de sterkere invloed van het Franse (en vrouwelijke) 'la grille' verraadt. Hoewel de uitdrukking ‘iemand op de rooster leggen’ sinds 2018 haar label 'Belgisch-Nederlands' in de online Van Dale heeft verloren, valt niet uit te sluiten dat dit nog niet in het gehele taalgebied tot iedere gebruiker is doorgedrongen. Dergelijke classificaties verspreiden zich, net als taalveranderingen, nu eenmaal geleidelijk via taalkundige diffusie;
- de titel is een geslaagde vorm van taalspel; sterker dan 'Taal op het rooster', waar sommige leerlingen wellicht minder plezierige associaties mee hebben, of 'Taal op de grill', wat een overbodige en dus kwalijke verengelsing zou zijn;
- Rooster' fungeert hier als hét schoolvoorbeeld van een de- en het-woord zonder betekenisverschil. Denk aan vergelijkbare gevallen zoals de/het pad of de/het portier en de/het kapitaal (met een betekenisverschil), waarbij de betekenis strikt samenvalt met de keuze van het lidwoord, zoals Jan Renkema ook beschrijft in zijn verwarwoordenboek.
Conclusie: Hoed u als bespreker, leerkracht of lezer voor de fout om te denken dat elk verschil met het eigen idiolect een taalfout is.
Parels van de Rijke Bramenplukker
Vandekerckhove put uit een ruim arsenaal van (literaire) voorbeelden zoals het Sprookje van de rijke bramenplukker van Godfried Bomans. In het antwoord op vraag 46 ‘Waarom zijn afspraken nodig?’ dient deze parel uit de Nederlandse literatuur op overtuigende wijze als illustratie dat de relatie tussen taalvorm en inhoud – betekenaar en betekenis – arbitrair en conventioneel is en dat men de betekenis beter niet te ver oprekt. Dat voorbeeld echode een persoonlijke herinnering aan toen ik als stagiair van de universitaire lerarenopleiding met een klas in Paterswolde dit sprookje liet naspelen. Wat ik met de inzet van die dramatische werkvorm wilde bereiken herinner ik me na ruim een halve eeuw niet meer; ik weet ook niet zeker of me dat toen al helder voor de geest stond. Het werd een gezellige chaos, de stagedocent zag perspectief en de leerlingen ervoeren een normale functionaliteit: ze leerden iets wat ze boeiend vonden. Ik moest zelf destijds ook nog veel leren.
Gebraden nonnen
Als domineeszoon ben ik vertrouwd met de gedachte dat zielzorgers als uitvloeisel van hun beroepsbezigheden invloed hebben op taalgebruik. Denk aan de monnik Johannes Brugman (ca. 1400 – 1473) die de uitdrukking ‘praten als Brugman’ heeft opgeleverd. Het eponiem spoonerisme was voor mij een opfrisser van weggezakte kennis. De Engelse predikant William Archibald Spooner leende zijn naam aan het taalverschijnsel. Nieuw was voor mij dat we in Nederland kunnen bogen op een zielzorger met een vergelijkbaar talent voor hilarische versprekingen in de persoon van de Rooms-Katholieke kardinaal De Jong (1885 – 1955). In een preek hoorde je dan 'gebraden nonnen' in plaats van 'genadebronnen'. In het voor iedere zich wel eens versprekende taalgebruiker troostrijke antwoord op vraag 98 ‘Waarom verhaspelen we soms woorden?’ passeert ook de mondegreen Agathe Bauer de revue, en ook in welke positie een manager verkeert ‘die dik in de papieren zit’.
De kennisparadox
De 101 vragen aan het Nederlands vormen het geraamte van het boek. Dat lijkt misschien wat weinig in vergelijking met de 206 botten in een menselijk skelet. Zoals iedere vergelijking gaat ook deze mank. Voor opvoeders kan de waarom-fase van een kind een uitdaging zijn. Kinderen ontdekken de wereld door steeds vragen te stellen die met ‘waarom’ beginnen. Na ieder antwoord kan een nieuwe waaromvraag volgen. Vandekerckhove beantwoordt niet alleen vragen maar prikkelt de lezer ook tot nieuwe vragen. Uit de Griekse mythologie kennen we de Hydra van Lerna, een mythologische negenkoppige giftige waterslang, waarbij er twee nieuwe koppen aangroeien als je er één afhakt. Dit verwijst naar het tweede van de twaalf werken van Heracles. Merk de positieve wending op dat dit minder gunstig bekende wezen dient als metafoor in de wetenschap en de filosofie als symbool voor een probleem of vraag die, zodra deze opgelost of beantwoord is, direct meerdere nieuwe problemen of vragen creëert. Ik ga ervan uit dat deze groei van de wetenschap bij u ook positief scoort. José Vandekerckhove doet dit in zijn boek vaak en naar mijn indruk soms ook goed gecamoufleerd. In vraag 68 ‘Kun je voorspellen welke nieuwe woorden blijvers zijn?’ eindigt het grijs gemarkeerde tekstblok met een schijnbaar achteloze toevoeging. ‘Tot slot nog even dit, vooraleer onreine gedachten de kop opsteken: een vogelaar is iemand die het spotten van vogels als hobby heeft.’ Dat lijkt mij volkomen juist, maar dat roept bij mij de nieuwe vraag op ‘hoe is dan te verklaren dat de betekenis van ‘geilaard’ nu verdwenen is, waar die eerder wel werd geboekstaafd?’ Ik heb wel een idee hoe deze etymologische vraag te verklaren zou zijn. Het gaat me hier vooral om het procedé hoe een vraag hier in verpakte vorm wordt gesteld.
Voor wie is dit boek?
Zoals gezegd verwoordt José zijn taalplezier aanstekelijk. Ik zou het dus aan alle taalliefhebbers aanbevelen, onder wie zeker aan alle taalleerkrachten Nederlands, niet als leerboek, maar vooral als inspiratiebron.
Tot slot nog een waarschuwing aan eenieder die wel eens taal gebruikt in het openbaar, in welke situatie dan ook – in een café of in de tram. Wees u ervan bewust dat mogelijk de schrijver van Taal op de rooster meeluistert. Dat kan op zichzelf geen kwaad: wat hij hoort zal hij u nooit ten kwade duiden maar slechts op milde en erudiete wijze gebruiken als illustratie van een boeiend taalverschijnsel.
Carl Brüsewitz